Isaäc da Costa
Een naam die ons allen wel iets zegt.
We kunnen het wel opnoemen: Een bekeerde Jood. Leerling van Bilderdijk. Schrijver van „Bezwaren tegen de geest dezer eeuw". Man van het Reveil. Een groot dichter. En heeft hij niet vele bijbellezingen gehouden, welke ook in druk verschenen zijn?
Daarmee is onze kennis omtrent Da Costa wel ongeveer uitgeput. Mogelijk weten we van zijn gedichten nog te noemen: „Zij zullen' het niet hebben, het oude Nederland". Maar het is alles verleden tijd. Heeft het nog wel nut meer van hem te weten?
Dat zal duidelijk worden uit dit artikel, naar we hopen. Isaac. da Costa was een Jood, afstammend van die Joden, die in de zeventiende eeuw gedwongen werden Portugal te verlaten. Spanjes koning maakte het hen te moeilijk. De poorten van gastvrij Amsterdam opende zich voor hen.
Isaac da Costa verhaalt ons dat zijn voorgeslacht reeds in de tijd van 's Heeren omwandeling op aarde op het Pyrenees schiereiland woonde. En dat velen van hen spoedig christenen waren. Schrijft de apostel Paulus niet dat hij Spanje zal bezoeken? Voor Da Costa volgt daaruit dat zijn vaderen niet rond de kruisheuvel Golgotha hebben gestaan! Toch heeft het hem steeds met trots en blijdschap vervuld dat hij mocht behoren tot het zaacl van Abraham, het oude Bondsvolk.
Deze Portugese Joden in Amsterdam waren welvarende, zeer voorname kooplieden, velen zelfs van adellijke afstamming. Gedurende eeuwen genieten zij de Hollandse gastvrijheid, totdat wreed barbarendom daaraan een gruwzaam einde maakt. Daarvan zal Isaac zelf nog spreken in één van zijn gedichten. Iiij wordt geboren op 14 januari 1798. Letten we op deze datum. Bloedrood haast zich de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting, ten einde. Nog geen tien jaar geleden begon de grote revolutie in Frankrijk, en sinds drie jaren zijn de Franse vrijheidsmannen ook in Nederland. Van de Gereformeerde Kerk in Nederland is niet veel overgebleven. Het woord „gereformeerd" wordt nauwelijks meer gebruikt.
Hervormd klinkt wat milder, meent men. De achttiende eeuw is de eeuw van de Verlichting. Men rekende af met de aloude gereformeerde waarheid. Tolerant moet men zijn. Dr. Alexander Comrie, overleden in 1774 en Nicolaas Holtius, overleden in 1773, hebben een' felle strijd tegen deze goddeloze tolerantie gevoerd. Denk aan hun „Examen van Tolerantie". Voor de jeugd van Isaac da Costa heeft dit weinig' te zeggen. Zijn opvoeding is uiteraard Joods. Blijken van bijzondere begaafdheid vertonend, geeft zijn vader hem gelegenheid tot studie. Dit grijpt de jonge Isaac gretig aan. Zijn op vijftienjarige leeftijd gemaakte gedicht „Lof der dicht-kunst" doet ons wel zien dat hij zijn tijd niet verbeuzeld heeft. Hij studeert eerst in zijn vaderstad, vervolgens gaat hij in 1810 naar Leiden en reeds twee jaar later, twintig jaar oud, promoveert hij in de Rechten, drie jaar later in de Letteren. Isaac zal veel meer letterkundige dan rechtskundige zijn.
Daar in Leiden is hij samen met zijn neef en vriend Abraham Capadose met Bilderdijk in aanraking gekomen. Zij volgen colleges bij hem. Als een leeuw heeft Willem Bilderdijk tegen de tolerantie gevochten. Helaas daarbij niet inziend dat er wel verschil bestaat tussen tijdsomstandigheden en beginselen.
Duidelijker gezegd: Onze moderne vervoersmiddelen zijn niet in strijd met onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat wordt weieens vergeten. Dat vergat ook Bilderdijk. Gevolg: Hij wilde niet alleen tot de waarheid terugkeren, maar ook tot de Middeleeuwen!
Zijn invloed op Isaac is groot geweest. Vooral in het begin. Middelijk is Da Costa, evenals Abraham Capaclose, daardoor tot bekering gekomen, 't Ging niet zonder zware strijd. Daarvan vertelt Isaac ons in zijn prachtige gedicht ..God met ons".
Zondaar en doodschuldig voor God, wordt Jezus van
Nazareth zijn gerechtigheid voor God, zijn Behouder, zijn „Zondenvernieler". God bereidt hem de grote zegen dat zijn aanstaande vrouw, zijn nicht Hanna Belmonte, aan wie hij zijn christelijke gevoelens voorzichtig openbaart, deze niet slechts gedoogt, maar reageert met de mededeling dat ook zij door Goddelijke onderwijzing de Zaligmaker heeft mogen vinden. Op zondag 20 oktober 1822 worden beiden, met Abraham Capadose, in de ochtenddienst door Ds. Lucas Egeling gedoopt. Deze dominee is een zeer gezien prediker, helaas ook een man van de tolerantie. Bilderdijk is die morgen in de kerk om de doop van zijn vrienden bij te wonen, niet voor de preek van Ds. Egeling. Hij heeft deze predikant wel onderkend. Ds. Egeling schreef een vragenboekje, dat tientallen drukken beleefde en Hellenbroek en de Iieidelberger Catechismus verdrong, alsook enige stichtelijke boeken.
Ds. Ledeboer spreekt van deze werken als verderfelijke lektuur. De pas ontwaakte Da Costa is nog niet zo ver. Nog geen jaar na zijn doop verschijnt echter zijn beruchte geschrift: „Bezwaren tegen de geest dezer eeuw". Een eigenaardig boek.
Duidelijk is te merken dat de leerling van Bilderdijk aan het woord is. Da Costa is daarin nog niet geheel zichzelf. De eerste die zich vanwege zijn geschrift met afschuw van hem afkeert is Ds. Egeling. Dat is uit! Voorgoed!
Het boekje van Da Costa is nog niet lang geleden herdrukt. Als curiositeit? Wanneer w r e het lezen moeten we ons geheel in die tijd verplaatsen. Anders is een hoofdstuk waarin voor de slavernij gepleit wordt, onverteerbaar. Overigens is Da Costa aan het eind van zijn leven hierop terug gekomen. We schreven: een eigenaardig boek. Toch, het is de reveille van het Reveil. Het verzet in hogere kringen tegen de geest van de Verlichting. In dat Reveil draagt de arbeid van Bilderdijk vrucht. Da Costa zal geheel de man van het Reveil zijn. Bilderdijk heeft vooral benadrukt: Nimmer stappen nemen. Nimmer tot aktie overgaan. Alles moet individueel gebeuren. Bekering moet van binnen uit komen. Dit stempel draagt het Reveil. Als leerling van Bilderdijk staat Da Costa daarom afwijzend tegenover het gebeuren in 1834. De wederkeer van De Cock en de zijnen keurt hij af. Enkele jaren later zal hij met meer begrip over hen spreken. Maar hij is nimmer mee gegaan.
Deze rechtsgeleerde letterkundige is tenslotte een belangrijk theoloog geworden. Als redacteur van een tijdschrift, in andere bladen en in tal van geschriften heeft hij zijn strijd gevoerd. Zijn vrienden? We noemen Dr. Capadose, Willem de Clerq, Groen van Prinsterer, Wormser, Kohlbrügge. Vooral met de laatste is hij in het begin nauw verbonden. Doch wanneer de beruchte preek van Dr. Kohlbrügge over Romeinen 7 : 14 in zijn handen komt, meent Isaac een woord van vermaan niet te mogen nalaten. Dan houdt de vriendschap ook absoluut op. De brieven zijn later in druk uitgegeven. Persoonlijk voel ik me bij lezing meer tot Da Costa aangetrokken. Da Costa is Christenjood gebleven. Ook heeft hij Nederland hartelijk liefgehad. In dichterlijke vervoering noemt hij het wel het Israël van het Westen. Ook heeft hij goed gezien wat Nederland uiteindelijk bedreigde.
In één van zijn gedichten (1840) spreekt hij profetisch bijna woordelijk van wat Europa en het joodse volk van Duitse zijde na honderd jaren ervaren zal.
Dichterlijke vervoering stempelt zijn arbeid. Heeft hij als letterkundige een welversneden pen, als dichter spreekt hij het sterkst, het duidelijkst aan. Dan mint hij Hollands taal dermate, dat hij in vervoering meent dat deze ook in het Paradijs gesproken is. Als dichter leren wij Da Costa het beste kennen. In deze tijd wordt zoveel uitgegeven. Veel onverteerbare lektuur. We vragen ons weieens af, hoe velen zullen het werk van Elavius Josephus lezen? Onze tijd is kostbaar. Een bloemlezing van de Opstellen en lezingen van Da Costa is veel nuttiger en de uitgave zeker waard. De ruimte laat niet toe de dichter nog veel meer te doen spreken. Toch willen we nog iets weergeven.
DE RUST IN HET GRAF
Op de zevende der dagen heeft de Almachtige gerust van de arbeid Zijner handen. Zijner ogen vreugde en lust! Aard' en hemel stond geschapen, man en gade, dag en nacht! De eerste schepping! 't Eerste mensdom! De eerste sabbat! 't Was volbracht!
Op de zevende der dagen rustte Jezus in het graf van de arbeid Zijner ziele, die Hij willend overgaf! In de zwakheid van de kruisdood werkt een nieuwe scheppingskracht: 't Is vervulling, 't Is verzoening, 't Is verlossing! 't Is volbracht!
DE OPSTANDING
Op de eerste dag der dagen bracht Jehova en Zijn Woord hemel, aarde en al haar heiren uit het niet ten aanzijn voort. Duisternis bedekte d' afgrond en des aarclrijks aangezicht! Maar God• sprak het looord der almacht: Daar zij licht! en daar was Licht!
Op de eerste dag der weke, vóór de dauw des morgenroods, rees de Godmens uit de banden des te niet gebrachten doods! Onverderflijkheid en leven werden aan het licht gebracht! En de Zon der nieuwe schepping brak cl' aloude zondenacht!
Helaas heeft deze letterkundige — hij behoort tot onze grootste dichters — zich meer toegelegd op het vervaardigen van grotere dichtwerken. Dus niet als b.v. de Engelse dichter Joseph Hart die in zijn gedichten' de zielsgestalten van Gods kinderen bijzonder wist weer te geven en wiens bundel als het ware een psalmbundel vormt. Lief en leed zijn ook zijn deel geweest in dit leven. Aan zijn inniggeliefde Hanna wijdde hij menige psalm. We gebruiken dat woord om daarmee de verheven en innige stijl te tekenen, welke daarin steeds weer aanwezig is. Mochten zij de kinderzegen smaken, meerderen moesten zij ook weer afstaan door de dood. Isaac en Hanna hebben ze aan God teruggegeven als godvrezende ouders, niet twijfelende aan de zaligheid en verkiezing hunner verloren panden.
Tenslotte, in dichterlijke vervoering neigde Isaac da Costa sterk naar het chiliasme. De Jood heeft zich niet kunnen losmaken van het Joodse denken: Zult ge in deze tijd het Koninkrijk oprichten?
Na een zeer arbeidzaam leven, gedurende tientallen jaren hield hij als weleer Ds. Koelman en Justus Vermeer bijbellezingen aan huis, is Isaac da Costa op 28 april 1860 de eeuwige rust ingegaan. Hanna overleefde hem nog zeven jaren. Heeft Isaac da Costa ons vandaag nog iets te zeggen?
Zeer veel. Allereerst individueel, naar de aard van het reveil. , , Zij zullen het niet hebben", moet vooral persoonlijk gelden, dient een persoonlijke keuze te zijn. We mogen de goden van de tijd niet toebehoren. Dan roept Da Costa ons toe in zijn gedicht bij een afbeelding van het graf van Voltaire:
Kiest! maar geen midden om de uitersten te weren van licht en duisternis! — Kiest! maar van tweeën één: de wijsheid van de mens, of de ergernis des Heer en! aan Jezus of Voltaire een stellig ja of neen!
De taptoe van het Reveil!
Dan: Ons oog moet veel meer gevestigd zijn op de komende Levensvorst. In die verwachting leefde Da Costa. Te chiliastisch misschien. Maar spreekt ook onze Geloofsbelijdenis niet van het verwachten van die dag met een groot verlangen. Dat leefde bij onze Da Costa. Bij ons ook?
Tenslotte. Reveil en Afscheiding (dat akelige woord, 'k geef ver de voorkeur aan „wederkeer") pasten niet bij elkaar. Waarom niet? Allereerst, het Reveil was individualistisch en bleef dit. De Wederkeer was kerkelijk. Maar voornamer oorzaak nog: In die tijd waren er eigenlijk twee Nederlanden. We herinneren slechts aan de proklamatie van 1813: „Alle de aanzienlijken komen in de regering" en , .Het volk krijgt een vrolijke dag op gemene kosten". Het Reveil bereikte weinig aanzienlijken. De Wederkeer zou onder het volk gevonden worden. Het. volk, dat de taptoe van het Reveil door Goddelijke ontferming mocht verstaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1975
Daniel | 20 Pagina's