DE PROFEET HABAKUK (6)
Lezen: Habakuk 1 : 14-17 en Habakuk 2 : 1, 2.
De houding van liet geloof.
Habakuk heeft zich temidden van allerlei vragen getroost met de heiligheid Gods. God is vlekkeloos rein in alles wat Hij doet. Habakuk mag dan ook geloven dat de Heere niet straft om Juda te laten sterven, maar opdat het zo-u leven.
De Chaldeën gedragen zich echter ten' opzichte van Juda heel anders. Zij zijn er op uit om Juda te laten sterven.
De Chaldeën gaan in hun haat tegen Juda verder dan de Heere heeft bedoeld. Habakuk ziet hoe de Chaldeën hun van God ontvangen macht gebruiken om te moorden en te vernietigen.
De profeet denkt hierbij niet alleen aan zijn eigen volk, maar ook aan de andere volken. Habakuk schildert de Chaldeër af als een volkerenmoordenaar. De Chaldeër maakt de volken tot zijn prooi zoals de visser de vissen met angel en net. Hij verblijdt zich vanwege zijn succes en maakt dit mensen-vangen en vernietigen tot zijn hoogste ideaal.
Wat de Chaldeër doet is niets anders dan mensenmoord op grote schaal. Hoe kan God dit toelaten?
Dit is nu Habakuks probleem! Is het ook niet ons probleem?
Hoe toch kan God toelaten, dat bepaalde machten andere volken vernietigen en doden?
Als wij horen hoe gehele volken worden geknecht en duizenden worden gedood, komt ook bij ons cle vraag naar boven: Hoe kan een rechtvaardig God dit toelaten? Laten we eens nagaan hoe Habakuk zich onder dit probleem gedraagt. Allereerst merken wij dat de profeet het probleem durft uit te spreken.
Door de Chaldeën maar ongestraft mensen te laten doden maakt God de mensen gelijk aan de vissen, die bij duizenden gevangen en gedood worden (vs. 14). Betekent dan een mensenleven voor Hem niets?
Zou God zijn schepselen bij duizenden laten vertrappen en doden?
Dat kan de profeet van Zijn God, van Jehovah niet geloven. Jehovah is heilig. God is te rein van ogen om het kwade te aanschouwen (te dulden).
Gods goedkeuring kan niet rusten op de moordpartijen der Chaldeën. Juda en de andere volken hebben wel Gods tuchtigingen verdient, maar de Chaldeën gaan verder dan God hen heeft opgedragen.
Omdat de profeet deze dingen weet is zijn grootste vraag: „Waarom zoudt Gij zwijgen als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? "
Evenals in vs. 3 vraagt Habakuk nu, waarom de Heere dan toch lijdelijk en zwijgend aanziet wat de Chaldeën doen.
Wat wordt hier de profeet Habakuk plotseling aktueel.
De profeet snijdt een probleem aan, dat ieder waar christen moet aanspreken. Natuurlijk de volken en vooral de christenvolken hebben Gods straffen verdiend, maar kunnen dan de afschuwelijke moordpartijen van sommige machten en machthebbers de goedkeuring van God wegdragen?
Zou God, de Heilige, het kwade kunnen aanschouwen? Kan de Heere (dat is: aanzien zonder te straffen), die trouwelooslijk handelen? aanschouwen
Hoewel Juda Gods straffen verdiend heeft kan de profeet Habakuk niet geloven, dat de Chaldeër zich zo ongestraft kan uitleven in mensenmoord op grote schaal.
De Chaldeën misbruiken de macht, die de Heere hen heeft gegeven. Zij hebben die macht ontvangen om een roede te zijn tot genezing van Juda en nu gebruiken zij hun macht om zichzelf te verrijken en volkeren uit te moorden.
Daarom gelooft Habakuk, dat de Heere dit niet ongestraft zal aanschouwen. En wat doet hij dan?
Habakuk op zijn wachttoren.
Wij lezen in Habakuk 2:1: Ik stond op mijne wacht en ik stelde mij op de sterkte." De profeet wachtte op iets. Hij betklom een plaats door hem zijn wachttoren genoemd. Hij wachtte op Gods antwoord op zijn klacht. Eigenlijk staat er „bestraffing of terechtwijzing". Hiermede bedoelt hij zijn woorden waarin hij zich verstout had, de Heere voor de vraag te stellen of Hij met de Chaideën te laten moorden en plunderen niet handelde in strijd met Zijn Wezen.
Habakuk had zijn geloof in God uitgesproken. Hij hacl gezegd niet te kunnen geloven, dat het onrechtvaardig bloedvergieten van de Chaideën Gods goedkeuring wegdroeg. En nu wachtte hij wat de Heere doen zou. Wat is Habakuk ons hier tot een voorbeeld! Wij mogen, ja moeten met de profeet ons geloof uitspreken in God als de Heilige, Die te rein van ogen is cm het kwade te aanschouwen.
Met deze belijdenis mogen wij niet alleen staan temidden van een wereld van wreedheid en onderdrukking, maar met deze belijdenis van ons geloof in God moeten wij ons vooral tot God Zelf keren zoals Habakuk deed.
Habakuk verloor zijn geloof in God als de Heilige en Zuivere niet temidden van de moordpartijen van de Chaideën. Hij beklom zijn wachttoren. Hij wachtte op Gods antwoord. Hij wachtte af wat de Heere deen zou met de Chaldeër, die zijn macht misbruikt had om moordenaar van volkeren te worden.
Zie, zo mogen wij ons aan het geloof in God als de Straffer van het onrecht vasthouden in een wereld waarin het onrecht en de onderdrukking schijnen te triumferen. Zalig is hij, die temidden van alle raadsels zijn geloof in God overhoudt en zeggen kan: „Bij U mijn God is het onrecht nooit gevonden."
Vraag 1. Mag men wel zeggen: Hoe kan God dit onrecht toch toelaten? Is er verschil in de wijze waarop Habakuk reageert en de wijze waarop Asaf (psalm 73) dit doet?
Vraag 2. Als u denkt aan de nazikampen of aan Vietnam, hoe kun je dan verklaren dat Gods goedkeuring nooit op zulke wreedheden rust? Zie Gen. 50 : 20 en Zach. 1 : 15.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1975
Daniel | 20 Pagina's