HET RECHT GODS EN HET RECHT VAN DE MENS
„Want door hun bedorven scherts en spitsvondigheden tonen zij volgelingen van Socrates te zijn. Geen grondstelling juichen zij meer toe dan vrijheid van geloof. Aldus hebben zij vrijheid, door aan alles te twijfelen, de Schrift gelijk een wassen neus (zoals men dat noemt) te verdraaien. Daarom zullen zij die, door deze nieuwe school verlokt, met deze twijfelachtige bespiegelingen ingenomen zijn, nooit verder geraken, dan dat zij altijd leren en nimmer tot kennis der waarheid komen." Johannes Calvijn
Was Calvijn een tegenstander van „vrijheid"? de
Zij die dat op grond van deze uitspraak zouden willen beweren, doen hem groot onrecht. Het leven en de geschriften van de grote Reformator stonden immers in het teken van de waarachtige vrijheid in en door het verzoenende werk van de Heere Jezus Christus. Voor de verkondiging en de beleving van die geweldige vrijheid eiste Calvijn vrij baan. In overeenstemming met de roeping van de Kerk van alle tijden riep hij vorsten en overheden op om te voldoen aan „het recht van de mens" op vrijheid voor deze boodschap van verzoening door het bloed van Christus. Dit is het enige „recht van de mens". Andere heeft hij niet. Alle overige rechten die wettig zijn vloeien uit dit ene voort. En zelfs dit enige recht ontleent de mens niet aan zichzelf, niet aan zijn eigen goedheid of voortreffelijkheid. Integendeel! Het enige Wezen dat de mens rechten zou kunnen verlenen, heeft zich tegen hem gekeerd. Wie zich geconfronteeerd ziet met de absolute rechten, die de Almachtige en Souvereine God heeft op de mens en wie in het Licht van Zijn Woord mag doorvoelen hoezeer hij Gods rechten heeft geschonden, die spreekt niet meer zo gemakkelijk over de „rechten van de mens". Hij wordt zich er diep van bewust dat in het aangezicht van een rechtvaardig God de mens niet kan bestaan, doch het eeuwige oordeel waardig is. Maar tegelijkertijd is daar ook het eeuwige Godswonder dat Hij Zijn Zoon heeft gezonden die door het vergieten van Zijn kostbare bloed aan arme, in zichzelf rechteloos geworden zondaren die kennis dragen van hun eigen gebondenheid en onvrijheid door fde zonde, het recht hergeeft op
eeuwige vrijheid en ontbondenheid. Dat recht, het enige „recht van de mens", stoelt in Jezus Christus in Zijn plaatsvervangend lijden en sterven; in niemand en niets anders. Het is het recht dat de soevereine God uit zichzelf nam en dat vanwege Zijn ondoorgrondelijke en onberedeneerbare liefde voor zondaren, wegschonk aan de zijnen.
De volkssoevereiniteit
Pal tegenover het „recht van de mens", ontleend aan Gods Soevereiniteit, staat de opvatting dat de mens vanuit zichzelf rechten zou bezitten. Deze opvatting houdt geen rekening met God en Zijn rechten. De Bijbelse waarheid dat de mens in zichzelf geneigd is tot alle kwaad, vindt bij haar aanhangers geen plaats. Sterker nog, terwijl zij roepen om gehoorzaamheid aan de mensenrechten, verachten zij het recht van God. De leer van de mensenrechten is zo oud als de wereld. Het beginpunt ligt in de zondeval van Adam en Eva in het Paradijs, teen de mens zich Gods recht toeeigende. Het is de anti-Christelijke leer van de goedheid van de mens, die men ook terugvindt in alle overige wereldgodsdiensten en ideologieën. In staatsrechtelijke zin is die leer verankerd, in de idee van de volkssoevereiniteit. Dat wil zeggen: Alle macht ligt in handen van het volk en niet in die van God.
Hier komt de opstandige natuur van de mens tegen God tot uiting in de maatschappelijke samenleving, zulks in radicale strijd met de Heilige Schrift en het belijden van de Kerk (lees in dit verband Rom. 13 en art. 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis). Ook in onze democratische maatschappij is de invloed van de leer van de volkssoevereiniteit zeer sterk, zo niet allesoverheersend geworden.
Het is dan ook geen wonder dat in zo'n klimaat, zelfs in de Christelijke kerken, zeer velen open staan voor een valse visie op de „rechten van de mens". Men vraagt zich nauwelijks af uit welke bron deze visie stamt. Dat is bijvoorbeeld het geval inzake de centrale plaats, die in de opvattingen van tallozen wordt ingenomen door de „Universele Verklaring van de Rechten van de Mens".
Deze „Universele Verklaring" weid in 1948 aanvaard door de Verenigde Naties. Zij komt via een historische lijn voort uit de f'ilosofisch-politieke denkwereld van de heidense Griekse en Romeinse oudheid, het rationalistisch-revolutionaire denken van de Verlichting, de Franse revolutie, het 19e eeuwse liberalisme en vervolgens het marxistische socialisme en het liberale humanisme met al hun uitlopers in de 20e eeuw. Steeds sterker is op deze historische lijn de idee vertegenwoordigd van de vereniging van wereld en mensheid. Het is de lijn die voor het eerst duidelijk zichtbaar werd in de torenbouw van Babel (Gen. 11) en die zal uitlopen in de absolute menselijke opstandigheid van het anti-Christelijke wereldeenheidsrijk.
Amnesty International
Op deze Babel-lijn beweegt zich ook Amnesty International, cle organisatie die door middel van een verleidelijke anti-martelingenactie, deze opvattingen van cle „rechten van de mens" in de kerken tracht binnen te brengen. Natuurlijk zijn Christenen tegen martelen en voorts tegen alle ongerechtigheid waarin de mensheid door eigen schuld is gedompeld.
Maar juist daarom verzetten zij zich tegen Amnesty International en tegen de vele andere organisaties en structuren, die de ongehoorzaamheid aan Gods recht als wortel van alle kwaad, verdoezelen of verachten en daarvoor in de plaats stellen de rechten van de soeverein geachte mens. Steun aan de verkondigers van de „rechten van de mens" betekent in wezen juist bevordering van het kwaad, omdat de gerechtigheid Gods buiten het vizier blijft. Het grote bedrog van vroeger en nu is dat honorering van de „rechten van de mens" en doorvoering van de idee van de volkssoevereiniteit tot rechtvaardige verhoudingen en vrijheid van geloof en geweten zou leiden. Juist het omgekeerde is waar. Door en met alle verafgoding van het recht van de Soevereine Mens, is de wereld zichtbaar op weg naar steeds knellender en steeds universeler vormen van dictatuur en rechteloosheid. Zij die in de ban geraken van deze afgoderij, zijn blind voor de vrijheid en gerechtigheid in Christus.
Met al hun ijver en met al hun wetenschappelijke overleggingen, zijn zij verward in de strikken van dodelijke eigenwaan.
Daarom zegt Calvijn: „Zij zullen nooit verder geraken, clan dat zij altijd leren en nimmer tot kennis der waarheid komen".
Uit „Getrouw”, S. Paas.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1975
Daniel | 20 Pagina's