MAARTEN EU GERT ALS SPEURDERS
Rechercheur Pietersen en agent Hendriks doorzoeken systematisch het hele huis aan de Wilhelminastraat. Het is een hele klus, want ze doen het grondig. Gelukkig krijgen ze hulp, want ze hebben versterking aangevraagd. Dan gaat 't vlugger, 't Kan een kwestie van minuten zijn. Bovendien, stél dat die lui hier terugkomen en ze komen in 't nauw, dan zijn ze tot alles in staat.
De rechercheur gaat zelf naar boven, op zoek naar de kamer waar Gerrit geslapen moet hebben. 't Blijkt de grootste kamer te zijn. 't Bed is onopgemaakt en kleren slingeren overal rond. Even deinst hij terug vcor de muffe lucht, dan vermant hij zich en begint.
.... en clan die stilte overal, O, ik kan 't niet langer uithouden.... Nóg eens roepen, nog eens gillen.... Ik kan hier toch niet blijven? Als ze me niet horen, dan.... dan stérf ik hier.'
Niets! bromt cle rechercheur in zichzelf. Alweer niets!
Hij gooit 't ene laatje na het andere dicht. Sokken, overhemden, zakdoeken Van alles, maar van Gert geen spoor. Nu die ingebouwde kast maar. Hij trekt de deur open. Op een roe hangen een aantal costuums netjes op een rij. Boven op de plank linnengoed. Op cle vloer schoenen, pantoffels en dozen. Hij trekt de eerste doos naar voren en doet hem open
...En wal is dat, sterven? Een donkere afgrond, duisternis, dood? Maar dat kan niet! Dat mag niet! En toch had die man met z'n revolver 't gezegd: , , 'k Sluit je hier op! Niemand zal je hier vinden, niemand zal je hier zoeken. ..." Ik moet er uit! Ik wil leven, leven, léven!
Weer niets. Niets dan cle normale huishoudelijke bezittingen. En hier? Bah, serviesgoed! Pietersen trekt met twee handen de nette stapels linnengoed naar voren. Je kunt zeggen wat je wilt, maar onordelijk is het hier niet. Zo, dat is dat. Of wacht eens, daar ligt nog iets . . .
Achterin de kast, ligt een dikke, opgerolde badhanddoek. Tenminste, daar lijkt 't op. Maar als cle rechercheur het pakken wil, voelt het hard aan. Met voorzichtige vingers trekt hij 't pakketje naar voren en rolt de handdoek uit. Juist! Dacht hij het niet? Revolvers, drie stuks!
...ook gevangen. Net als u, imder! Of nee — nog erger! Ik zit hier levenslang! Gevangenen — allemaal — door de zonden. Wie zei dat ook weer? Hoe kom ik daar opeens bij? Ik weet 't al: een koele, grote ruimte, rust, gezang — een kerk. Dominee van Kampen op de preekstoel. „Gevangen, " had hij gezegd, , , tenzij .. door Jezus Christus vrijgemaakt ..."
De rechercheur lacht schamper. Een mooie schuilplaats voor wapens! Enfin, dat kan die boef tenminste vast ten laste worden' gelegd, 't. Bewijst trouwens wel, dat hij zich betrekkelijk veilig heeft geveeld.
Nu al die pakken maar eens bekijken. Misschien dat in één van de zakken een agenda zit. 't Ene costuum na het andere wordt aan een onderzoek onderworpen. Maar behalve wat zakdoeken en doosjes sigaretten is er niets te ontdekken.
...door Jezus Christus? Maar clie bestaat immers niet? Toch denkt de dominee van wel. Wat zei hij ook weer? „Bid. er om gemeente, blijf er om bidden ..."
Bidden? Zou ... zou ... ik ook...? Zou dat helpen? Maar ik geloof immers niet?
Behalve die revolvers vindt de rechercheur niets meer in de slaapkamer. Hij trekt ietwat opgelucht de deur dicht. Er is altijd iets iets onsmakelijks aan om iemands privéspullen door te snuffelen.
Wacht, hij zal eens even beneden gaan kijken. Met de revolvers in de badhanddoek gerold loopt hij de trap af. „Nog niets? " vraagt hij aan de twee agenten, die inmiddels zijn komen helpen en nu de woonkamer inspekteren. Ze schudden 't hoofd en buigen zich dan geïnteresseerd over de wapens, die hij in z'n hand houdt.
„Alvast wat, " zegt een van hen. „Maar van die jongen of een aanwijzing waar hij kan zijn vinden ze geen spoor. Waarom gaan we eigenlijk verder? " „Misschien kunnen we uitvinden, wie die kameraad van Gerrit is, " antwoordt de rechercheur. „Dan zouden we al weer een' stukje verder zijn."
... de eerste, keer dat ik bid. God, als u bestaat, wilt u mij dan alstublieft helpen? Ik zit hier, ik ben gevangen, ik zal sterven en niemand zal het merken. U helpt ook de dominee en Maarten ... wilt u mij ook helpen? O, alstublieft, ik weet niet meer hoe het moet...
Een van de jongste agenten, die inmiddels door is gegaan met zoeken, komt overeind uit z'n gebukte houding .In z'n hand heeft hij een stapel tijdschriften.
„Wat denkt u? " vraagt hij wat voorzichtig. „Zou dit iets kunnen zijn? " Hij spreidt de bladen' uit op de tafel. „Kijk, hier zitten de bandjes nog om. En hier liggen ook nog wat losse bandjes. En al zijn 't verschillende tijdschriften — er staat telkens hetzelfde adres op "
„J. Huidekoper, Laan van Brederocle 4, " leest de rechercheur hardop. „Ja, zegt hij dan langzaam. Dat moet in ieder geval een kennis zijn. Daar wissel je tijdschriften mee uit. Ja, dat zou wel eens iets kunnen zijn . . ."
Het nieuwe adres
Intussen zit Maarten ongeduldig te wachten in het kantoortje achter de schoenwinkel. Hij heeft nog niet naar huis durven bellen, omdat hij dacht dat meneer Pietersen het misschien niet goed zou vinden om ruchtbaarheid te geven aan de zaak.
Af en toe komt een van de meisjes het kantoortje binnen om 't een of ander te halen. Hoewel ze erg vriendelijk zijn, voelt Maarten dat ze hun nieuwsgierigheid nauwelijks kunnen bedwingen.
Daarom blijft hij ook liever hier dan dat hij in de winkel gaat zitten, hoewel daar natuurlijk meer te beleven valt.
Maarten zucht dan ook van opluchting, als de deur open gaat en rechercheur Pietersen binnenkomt.
„Ha, Maarten. Je zit zeker vol ongeduld uit te kijken? "
„Nóu, " zegt Maarten hardgrondig. „En? Weet u al iets? Is Gert al gevonden? " „Nee, nee, " kalmeert de rechercheur. „Niet zo hard van stapel lopen, zo hard gaat het niet. Tussen haakjes, zegt de naam „Huidekeper" je iets? "
Maar daar heeft Maarten nooit van gehoord. En ook op het politiebureau blijkt de naam niet bekend te zijn. Toch wordt besloten het pand Laan van Brederode 4 in de gaten te houden en er zo mogelijk een kijkje te gaan nemen.
„Jij kunt nu wel naar huis gaan, Maarten, " zegt meneer Pietersen. „En denk erom, mondje dicht! Alleen thuis mag je 't hoognodige vertellen."
Een half uur later
Een lichtblauwe volkswagen draait langzaam de Laan van Brederode in. De man achter 't stuur let nauwkeurig op de nummers, 't Is hier een oude, deftige buurt en doordat de huizen hier en daar wat van de weg af staan, valt 't niet mee de nummering te volgen.
Na enig zoeken stopt de auto bij het op een na laatste huis. De bestuurder pakt z'n tas van de zitplaats naast hem, sluit de wagen en loopt het grintpad op. De tas, die hij onder z'n arm houdt, is gevuld met verschillende nummers van „Elseviers Magazine."
Terwijl hij op de stcep afloopt, neemt hij met een vluchtige blik het grote, brede huis op. Dan belt hij aan en wacht af, klaar om z'n praatje af te steken als wederverkoper van „Elsevier." Er wordt niet open gedaan.
De verkoper doet een stapje opzij en probeert — niet erg betamelijk overigens — cloor een van de ramen naar binnen te kijken. Is er niemand thuis? Nog eens bellen. Nog eens scherp luisteren. Hoort hij niets? Voetstappen of geklap met deuren? Maar weer wordt de deur niet geopend.
Dan haalt hij z'n schouders op, klemt z'n tas vaster onder z'n arm en loopt terug naar zijn auto. Hij start en rijdt weg, de hoek om. Maar niet ver! Want als hij nog maar een klein eindje voor-
bij de bocht is, komt daar een politiehuisje aan rijden. De blauwe volkswagen stopt.
Wat is er? Papierencontrole? Nee, zijn papieren zijn allemaal in orde. Ook z'n rijbewijs heeft hij bij zich. Het is pas verlengd en daarom nog bijna nieuw. Naam: J. P. Pietersen. Beroep: rechercheur.
Het politiebusje is nu naast de volkswagen en de agent achter 't stuur draait het raampje omlaag.
„Hoe is 't, Pietersen, nog wat verkocht? " grijnst hij. Maar als hij het strakke gezicht van de rechercheur ziet, vergaat hem de lust tot grappen maken.
Rechercheur Pietersen parkeert de wagen en stapt in 't busje. „Vraag maar weer versterking aan", zegt hij gejaagd, nog voor hij zit. „Iets mis? "
„Op ’t eerste gezicht leek er niemand thuis te zijn. Maar op m'n bellen hoorde ik een hevig gebons, dat van boven uit 't huis leek te komen. Ook hoorde ik roepen. Wat er geroepen werd, kon ik niet verstaan. Maar gezien de toon en de heftigheid leek 't me hulpgeroep!"
„De jongen, denk je? "
„Ik denk 't wel, ja. Er zal wel niemand anders in clat huis zijn. Maar is er wel iemand, dan zou je kans kunnen hebben op gijzeling. En we moeten het zekere voor het onzekere nemen."
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1975
Daniel | 20 Pagina's