MAARTEN EM GERT ALS SPEURDERS
Ons vervolgverhaal (6)
„Wacht maar even af", zegt meneer Pietersen geruststellend. „Misschien had hij niet genoeg geld bij zich of zo. 'k Zal nog es even informeren".
Hij pakt de telefoon en draait het nummer van het bureau. Maar er is nóg niet gebeld. Ook is Gert niet persoonlijk gekomen. Verder is er nog geen donkergroene Peugeot gesignaleerd, laat staan aangehouden. De rechercheur geeft de gegevens door over het uiterlijk van de twee mannen. Dan beëindigt hij het gesprek.
„Je hoort 't", zegt hij tegen Maarten. „En weet je zéker, dat Gert niet in die Peugeot zat? " vraagt hij nog eens en er klinkt meer spanning in z'n stem dan hij eigenlijk wel wil.
„Ik heb 'm écht niet gezien, meneer Pietersen", antwoordt Maarten.
„Jongen, jongen toch, wat hebben jullie ons in een moeilijk parket gebracht", verzucht de rechercheur.
Maarten zwijgt. En hij dacht nog wel, dat ze zo hun best hadden gedaan!
Gelukkig duurt het niet lang of de collega van meneer Pietersen komt het kantoortje weer binnen.
„En? " vragen Maarten en de rechercheur tegelijk. De agent zet z'n pet af en strijkt nadenkend door z'n haar. „Tja, ik heb de cel gevonden, maar de jongen niet. Wel stond daar tegen een paaltje een jongensfiets "
„Donkergroen? " hapt Maarten.
„Ja, donkergroen. Hij is van je vriend. Een blik in z'n boekentas, die nog steeds achterop zat, heeft me daarvan overtuigd."
„Stond hij op slot? " wil meneer Pietersen weten. „Nee. En dat duidt dus volgens mij op een overhaast vertrek!"
„Gedwongen of ongedwongen denk je? "
De agent krabt eens achter z'n oor. „Tja, daar vraagt u me wat "
„We hebben met twee mogelijkheden rekening te houden. Dus moeten we ze beide onderzoeken. Wat denk jij, Maarten? "
„’t Lijkt mij een gedwongen vertrek", is Maartens mening. „Of een vlucht. Wat heeft Gert er anders mee voor om zo maar te verdwijnen? " De rechercheur zucht. Maarten kon wel eens gelijk hebben!
Even later stappen rechercheur Pietersen cn zijn collega Jan Hendriks de winkeldeur uit. Ze praten even met de agent, die nog in de wagen zit en lopen dan de straat in.
Maarten, die achter is gebleven, kijkt hen na door het winkelraam. Hij ziet hen de straat nog oversteken, maar dan zijn ze uit zijn gezichts-veld verdwenen. Jammer! Hoe Maarten ook tuurt en rekt, hij kan niets meer van hen ontdekken.
Afwachten maar, denkt hij gelaten en gaat weer terug naar 't kantoortje.
Wat was hij graag meegegaan! Ze gaan huiszoeking doen. Zoiets heeft hij nog nooit meegemaakt! Na telefonisch overleg met het politiebureau was besloten het bewuste pand aan de overkant te doorzoeken.
„Denkt u dat Gert daar dan is? " had Maarten gevraagd, „'k Betwijfel het Maarten", was het antwoord van de rechercheur. Maar je weet nooit. Misschien worden we toch wat wijzer " Toen hij Maartens opgewonden, gretige gezicht zag, moest hij even lachen.
„Nee, Maarten", zei hij vastbesloten. „Jij gaat niet mee Bii zulk werk kunnen we geen schooljongens gebruiken. Maar je moet wel nog even hier blijven, zodat je tot onze beschikking bent, als we inlichtingen nodig hebben "
Maarten zucht en steunt het hoofd in z'n handen. Dat „schooljongens" had 'm toch wel wat kleinerend in de oren geklonken. Maar als hij eerlijk is, moet hij de rechercheur toch wel gelijk geven. Hij doet z'n ogen dicht en probeert logisch na te denken. Wat kan er gebeurd zijn? Waar is Gert nu? Arme Gert - kon hij maar wat voor hem doen. Maar er
is niets waarmee hij helpen kan . . . . Maarten krijgt opeen een kleur in de eenzaamheid van het kantoortje.
Toch wel — toch is er iets bidden!
Huiszoeking.
’t Lukt nog niet erg", verzucht de rechercheur. „De grendel zal er op zitten aan de binnenkant". Hij steekt de loper, waarmee hij probeerde de deur open te krijgen, weer in z'n zak.
Hij staat samen met Jan Hendriks aan de achterdeur van het huis, waar Gerrit vandaan was gekomen. Op hun bellen werd niet open gedaan, zodat ze nu op een minder bescheiden manier moeten zien binnen te komen.
Een paar tellen later staan ze toch in de keuken, 't Heeft wel een ruit gekost, maar dat is van geen belang.
Rechercheur Pietersen kijkt eens rond.
„Nou, dat ziet er aardig netjes uit", vindt hij. „Waarschijnlijk moet er toch een vrouw des huizes zijn of een huishoudster."
De keuken is ouderwets, maar wel netjes opgeruimd. Op een plank staat een rijtje pannen keurig in 't gelid. Naast het aanrecht staat een modern gasfornuis. De rechercheur legt z'n hand op de fluitketel, die op de grootste pit staat.
„Nog warm”, zegt hij nadenkend. Er is dus kort geleden hier iemand geweest. Wat dat betreft klopt Maartens verhaal dus wel.
„Enfin”, gaat hij verder. Laten we eerst maar eens verder gaan kijken. Maar ik twijfel er aan of ... .
Twijfelen?
Degene, die het meest van allen óveral aan twijfelt, is Gert zelf.
Hij zit op de grond, z'n knieën opgetrokken. Naast hem ligt een bezemsteel, in twee stukken gebroken. Die heeft hij kapotgeslagen tegen de deur. Maar niemand hoorde het. Wie zal hem ook horen hier in deze verlaten villa, ver van de weg?
Geroepen heeft hij, en geschreeuwd. Maar het geluid van z'n stem wordt gedempt door de vier muren van de donkere werkkast, waarin hij is opgesloten. Niets, niets helpt
Nu zit hij moedeloos neer met z'n bezwete voorhoofd gesteund op z'n handen en denkt, piekert
Ik kan niet meer....! En toch — ik zal hier uit moeten komen. Wist ik maar een mogelijkheid om die deur open te krijgen. Wat moet ik nu? Alles, alles heb ik al geprobeerd....
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1975
Daniel | 20 Pagina's