MAARTEN EN GERT ALS SPEURDERS
Oms vervolgverhaal (5)
Hoe lang staat hij daar zo? Tien minuten? Een uur?
Maarten staat juist op het punt de moed op te geven als aan het andere einde van de straat een donkergroene Peugeot de hoek om komt. De wagen rijdt hard, maar remt dan plotseling af. Maarten houdt de adem in. Stopt hij bij de huizen, waar Gerrit Ja! Ja!
En dan gaat alles opeens in zo'n razendsnel tempo te werk, dat Maarten het maar net kan volgen. De wagen schuurt langs de stoeprand, blijft dan staan met draaiende motor. De man met het hoedje komt door de voordeur naar buiten, gooit twee koffers in de wagen' en stapt dan zelf in. Het portier wordt dichtgesmeten, de Peugeot trekt op en scheurt in een roekeloze vaart de straat uit.
Waar is Gert?
Verbluft staat Maarten daar op het trottoir. Het duurt even tot hij begrijpt wat er aan de hand is. Dan dringt het tot hem door: Dit moet niet meer of minder dan een vlucht zijn! Ze gaan er vandoor! Hoe kan dat nou?
Maar dan komt hij opeens in aktie. Wat staat hij hier nog te dromen? Hij moet de politie bellen! En gauw ook! Met z'n portemonnaie in de hand stuift hij de winkel binnen. Er zijn geen klanten. Twee winkelmeisjes zijn bezig stapels schoenendozen' weg te bergen.
„Mag ik hier even bellen? De politie!" vraagt hij opgewonden, nog vóór ze hem begroeten.
De meisjes kijken hem bevreemd aan en beginnen clan even te giechelen. Ze zien in hem niets anders dan een uit de kluiten gewassen roverhoofdman, die z'n spelletjes wel wat heel echt speelt.
„Ik moet de politie bellen. Heel dringend!" herhaalt hij gejaagd. Hij gooit een kwartje op de toonbank. „Hier hebt u geld!"
Het blijkt nu tot de verkoopsters door te dringen dat er echt iets aan de hand is. Een van hen komt overeind en gaat hem voor naar een klein kantoortje. Alles uiterst langzaam voor Maartens begrippen.
„Hier kun je bellen", zegt ze en' ze wijst op een ouderwets zwart toestel. „De rode knop indrukken, dat is de buitenlijn "
Ze hoeft het Maarten geen twee keer te zeggen. Haastig draait hij het nummer. Gelukkig, niet in gesprek!
— „Politiebureau Maasdrecht!"
— „Met Maarten van Kampen. Ik ik bel over Gerrit, weet u wel. M'n vriend Gert Bos heeft ook al gebeld. Ik ben nu in de Wilhelmina-
straat en "
— „Wacht es even, vriend. Even kalm aan. Jij bent Maarten van Kampen? En w 7 at is er nu met die Gerrit Bos? "
— „Nee, Gért Bos, dat is m'n vriend ".
— „Goed. En wat is daar mee aan de hand? "
— „Die heeft óók al gebeld... Wacht es! Is agent Pietersen er ook? Mag ik die? " — , , 'k Zal es even kijken, jongeman".
Geklik aan de andere kant. Maarten wacht ongeduldig af, zenuwachtig met z'n vingers aan de telefoondraad draaiend. Eindelijk, daar is de rustige stem van de rechercheur.
— „Met Pietersen".
— „Met Maarten van Kampen, meneer Pietersen. Ik ben hier in de Wilhelminastraat Ik ben Gerrit gevolgd, weet u wel, en die is nu hier weggereden in een donkergroene Peugeot!"
— „Gerrit? Heb jij Gerrit ontdekt?
— „Ja! Maar heeft Gert u dan niet gebeld? "
— „Nee. Moest dat dan? "
—• „We hebben samen Gerrit gezien en toen zou Gert u bellen en ik ben 'm nagegaan om 'm niet uit het oog te verliezen".
— „Waar ben je nu? Dan kom ik direkt bij je. En 't was een donkergroene Peugeot, zei je? Wat is 't nummer? " — „Nummer? Ai! Dat weet ik niet. Stom, maar
— , , Laat maar. Waar kan ik je vinden? " — „In de Wilhelminastraat in een schoenwinkel". — ..Goed. ik kom er aan "
Verbouwereerd legt Maarten de hoorn neer. Wat is er nu weer? Waarom heeft Gert niet gebeld? Een naar gevoel kruipt in hem omhoog. Zou Gert niet te vertrouwen zijn? Maar dat is toch haast onmogelijk! En tóch — er moet iets gebeurd zijn!
Ja, er moet iets gebeurd zijn
Dat beseft de afdeling recherche van het politiebureau in Maasdrecht ook. Na het telefoontje van Maarten rijdt meneer Pietersen direkt met nog drie collega's naar de bewuste schoenwinkel. Op het bureau heeft hij nog snel enige maatregelen genomen, waaronder het uit laten kijken naar een donkergroene Peugeot. In géén geval mag deze wagen ontsnappen.
De rechercheur rijdt hard. Gelukkig weet hij waar de Wilhelminastraat precies is. Zijn handen omknellen gespannen het stuur, zodat de knokkels zich wit aftekenen. Zijn mond is een smalle, verbeten streep in het anders zo rustige gezicht.
Wat is er gebeurd? vraagt hij zich af. Was die jongen tóch onbetrouwbaar? Dan heeft hij een grote fout gemaakt door hem in te schakelen. Of was hij wél te vertrouwen? Maar dan kan hij nu in groot gevaar zijn. En dan heeft hij, do knappe rechercheur die zich zelden vergist, een nog grotere fout gemaakt! Baat het niet, clan schaadt het ook niet, had hij gedacht. Maar nu?
Slechts een paar minuten na het telefoontje van Maarten verschijnt de politiewagen om de hoek van de straat en parkeert voor de winkel. Binnen staat Maarten voor het raam te wachten. Achter hem zijn de meisjes weer begonnen met het wegbergen van de nieuwe kollektie. Ze zeggen niets, maar denken zo veel te meer.
Ze weten niet wat er aan de hand is, maar in elk geval moet 't wel dringend zijn. De winkelbel tingelt en rechercheur Pietersen komt binnen, samen met een collega. Hij is ditmaal niet in uniform. Toch komt hot Maarten voor, clat hij nu meer dan ooit de politieman is. Maarten ziet dat buiten in de wagen nog twee agenten zitten.
„Kunnen we hier ergens rustig praten? " vraagt rechercheur Pietersen zakelijk aan een van de meisjes.
Het meisje kijkt Maarten aan. „Ga maar weer naar 't kantoortje", zegt ze.
„Zo, Maarten", steekt meneer Pietersen onmiddellijk van wal, als ze met z'n drieën om het grote, houten bureau zitten. „Even een vraag vooraf. Uit welk huis is Gerrit gekomen? Dan kan dat even in de gaten gehouden worden..."
„’t Is 't dercle huis van het eerste blok schuin aan de overkant", vertelt Maarten. „Met die groene deur, 't is gemakkelijk te zien".
„Juist", zegt meneer Pietersen. „Wil je even ? " gebaart hij naar de jonge agent die bij hem is. Die knikt en gaat even naar buiten om de agenten in de wagen de aanwijzingen door te geven.
„En vertel jij nu alles eens even kort en geregeld", zegt de rechercheur tegen Maarten. Terwijl Maarten zijn verhaal doet, luistert hij aandachtig.
„En toen zag ik ze plotseling wegrijden en toen heb ik u dus gebeld", besluit Maarten.
Meneer Pietersen vraagt hem nog een paar bijzonderheden over het uiterlijk van de twee mannen. Zijn collega, die intussen weer is binnengekomen, maakte een paar aantekeningen. Maar door Maartens aanwijzingen worden ze niet zo erg veel wijzer.
„En Gert zat dus zelf niet in die wagen? "
Maarten schrikt van die vraag. „Nee", zegt hij beduusd. „Dat weet ik zeker..." „En waar zou Gert precies bellen, weet je dat? "
„Nou, niet precies. We waren op een pleintje hier vlakbij. U weet wel, met die muziektent in het midden. En Gert wist een cel daar vlak in de buurt. Dus "
„Ga er eens een kijkje nemen", zegt meneer Pietersen tegen de agent, die Jan blijkt te heten. En neem Verloop maar mee, dan kan die daar eventueel blijven posten".
Terwijl hij vertrekt, verklaart de rechercheur aan Maarten: „Er is op 't bureau namelijk wél even gebeld door een onbekende, maar dat gesprek werd afgebroken.
De telefonist hoorde alleen: „Ja, met..." en toen niets meer".
Daar schrikt Maarten van. Als dat Gert maar niet geweest is!
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1975
Daniel | 24 Pagina's