MAARTEN EN GERT ALS SPEURDERS
One vervolgverhaal (4)
„Maarten!"
Gerts opgewonden stem breekt plotseling zijn relaas af.
„Maarten, daar!" hoort Maarten naast zich fluisteren. „Die man daar cp cle fiets! Bij dat café!" Aan cle overkant van 't pleintje stapt een man cp een fiets en rijdt met een kalme vaart weg. Hij draagt een klein hoedje en' heeft géén snor, dat is 't enige wat Maarten in de gauwigheid ziet.
Gert remt beslist af en zet z'n voet op de grond.
„Dat was hij, Maarten! Ik weet 't zeker!"
„Maar hij heeft geen snor " weifelt Maarten. „Nou, wat zou .dat? " bitst Gert, haast snauwend van spanning. „Hij is het. Ik weet 't héél zeker!" Maarten is er niet zo zeker van. Maar nu moet hij op Gert vertrouwen, want die kent hem tenslotte. Nu moet er gehandeld worden! Maarten en Gert hebben in die veertien dagen hun plannen echter al lang gesmeed. Als ze „Gerrit" zouden zien, dan moet Maarten hem schaduwen, omdat de man hém niet kent. Gert waarschuwt dan de politie.
„Zal ik ' begint Maarten.
„Goed, " knikt Gert. „Ik bel dan. In de volgende straat is een cel. Ajuus!" Maarten steekt z'n hand cp, toch wat bleek om z'n neus, en racet weg, de man met het hoedje achterna
Gelukkig, dat Gert een beetje bekend is in deze buurt! Hij weet een telefooncel een eindje verder op. Nog onder 't rijden grabbelt hij in de zakken van z'n jack. Als hij nou maar een kwartje heeft Hij diept een paar geldstukken op — nee, dat zijn centen. Maar hij moest toch ook nog een kwartje hebben. Ja hier! In het hoekje zit er nog een.
Bij de cel gooit hij gejaagd z'n fiets tegen een paaltje. En nu bellen!
Met zenuwachtige vingers wriemelt hij het kwartje in de gleuf en begint het nummer te draaien. Driemaal twee, tweemaal drie In gesprek. Jammer!
Vanuit z'n ooghoeken ziet Gert dat buiten de cel een meneer staat te wachten. Even geduld, denkt Gert. Ik ben zó klaar, meneer! Nog eens draait hij het nummer, Nu lukt het beter.
..Politiebureau Maasdrecht!"
„Ja, met " Verder komt hij niet. Want opeens wordt met geweld de deur van de telefooncel opengetrokken en een grote mannenhand drukt cle haak van het toestel naar beneden. De verbinding is verbroken.
Gert staat een ogenblik stokstijf. Wat er nu? Dan draait hij zich snel om en kijkt gebeurt
Half in de cel gedrongen staat daar een grote, zware man. Het is dezelfde als daarnet buiten stond te wachten'. Zijn stekende zwarte ogen bekijken Gert van top tot teen. „Hoe heet jij? " barst hij uit.
„Gert Bos, " antwoordt Gert automatisch.
„Bos? Dacht ik het niet? " Opeens beseft Gert dat er iets mis is. Deze man is niet alleen maar ongeduldig. Hij moet iets met vader te maken hebben! Gert haalt diep adem en zegt dan, tóch een beetje beverig: „Wilt u even opzij gaan? Dan kan ik eruit."
Maar de man wijkt geen centimeter.
„Wie belde jij? " snauwt hij Gert toe. „Ik weet 't wel. De politie, hè! Driemaal twee, tweemaal drie, hè! En die vriend van je op z'n fiets? Waar is die heen? "
„Die is naar huis naar huis, " hakkelt Gert overrompeld. „En ik ik moest m'n tante bellen."
„Tante? " grijnst de man. „Mooie tante! Haha! Maar ik heb jullie wel gezien, jochie. Jij weet teveel. Maar ik zal je krijgen!" Plotseling dempt hij zijn stem en sist nadrukkelijk: „Zie je wat ik hier heb? " Hij trekt tegelijkertijd in een snel gebaar zijn rechterhand uit z'n zak. Even maar. Maar Gert heeft genoeg gezien: een revolver!
„En zie je wat daar buiten staat? " hoort hij hem op de-
zelfde toon 'doorgaan. „Ja, juist een auto. Ja, die donkergroene daar! Daar gaan jij en ik een ritje in maken. En geen geschreeuw buiten, want dan zijn de gevolgen voor jou!"
De achtervolging
De man met het hoedje fietst niet hard. Maarten moet z'n vaart minderen om niet te dicht achter hem te komen. Quasi-achteloos rijdt hij hem na. Zijn ene hand aan 't stuur, de andere losjes bengelend naast zich. Maar onder al dat vertoon van branie gaat zijn hart als een bezetene te keer.
Wat moet hij doen als de man de stad uitgaat? Of als hij in de gaten krijgt dat hij gevolgd wordt? En als de politie... Hij probeert logisch en nuchter te denken, maar de gedachten tellen door z'n hoofd.
Ineens ziet hij dat de man z'n hand uitsteekt, achterom kijkt en linksaf slaat. Maarten houdt de adem in. Wordt hij opgemerkt? Of is hij voor hem slechts een onopvallende schooljongen, die naar huis fietst? De man met het hoedje rijdt echter met hetzelfde rustige gangetje verder. Maarten slaat nu ook linksaf. Hè, hij hoopt dat ze nu maar een flink poosje rechtdoor moeten. Anders kon 't wel eens op gaan vallen. Ze komen nu in een wat nieuwere wijk. Keurige straten met rijen precies dezelfde huizen. Afgepaste rechthoekige tuintjes ervoor.
Af en toe kijkt Maarten' achterom. Is er soms al een politiewagen te bekennen? Of loopt er soms hier of daar een agent?
Wacht! De man mindert vaart. Maarten ziet dat hij schuin oversteekt naar de andere kant van de straat, daar van z'n fiets stapt en een smalle brandgang tussen twee huizenblokken' inloopt.
Dat is pech hebben! Nu kan Maarten niet zien in wélk huis hij precies verdwijnt. Terwijl hij zelf langzaam de brandgang voorbij fietst, probeert hij neg te ontdekken, waar de man met het hoedje blijft. Maar 't enige dat hij kan zien, is dat hij aan het eind van de brandgang rechtsaf gaat.
Maarten fietst nog een eindje door tot aan 't eind van de straat. Op de hoek is een schoenwinkel. Maarten', die niet in het minst in schoenen geïnteresseerd is, bestudeert ijverig de etalage. Vanuit z'n oogehoeken probeert hij echter zo goed mogelijk het bewuste huizenrijtje in de gaten te houden.
Koortsachtig gaan z'n gedachten. Wat moet hij nu doen? Wachten? Maar misschien komt die vent de hele dag niet meer buiten. Of zou hij daar alleen maar een boodschap moeten doen'? Hij kan ook nu de politie gaan bellen. Maar waar? En als dan die man intussen verdwijnt?
Eerst maar even wachten, besluit hij. Wie weet, misschien heeft hij geluk en komt er juist een surveillerende agent langs. Misschien komt er wel een grote politiemacht op de been, die op 't telefoontje van Gert de hele stad afzet en met man en macht uitkamt.
Hij zet z'n fiets op de standaard en gaat zelf op de stang zitten. Zo, nu kan hij ook wat wegschuilen achter de struiken, die de tuin naast de schoenwinkel begrenzen. Nu kan hem niets ontgaan! Er is niet veel verkeer in de straat. Maarten bekijkt iedere voorbijganger nauwkeurig. Op de gevel van de winkel ontdekt hij de naam van deze straat: Wilhelminastraat. Dat weet hij al vast! Ook zoekt hij in z'n portemonnaie vast klein geld op om te bellen als het nodig is. Mocht 't héél dringend zijn, besluit hij, dan zal ik vragen of ik hier in die winkel mag bellen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1975
Daniel | 20 Pagina's