EEN ACHTERHAALD PROBLEEM
Het is verbijsterend te zien in wat voor hoog tempo wij leven. Wat twintig jaar geleden nog hevig ter discussie stond, is nu een achterhaald probleem geworden. Interessant is het daarcm om eens oude jaargangen van Daniël door te nemen en te lezen waar een vorige generatie zich mee bezig hield. Duidelijk wordt dan wel dat ook wij mee gaan met onze tijd en net zo goed veranderen als andere groeperingen. Een voorbeeld daarvan troffen we aan in het Daniël-nummer van 7 oktober 1960. Je had toen al een rubriek, die je als de voorloper van Opinie kunt beschouwen. Er stond altijd „Rcndikijk" boven en de artikeltjes waren ondertekend met „Rondkijker". In het bovengenoemd nummer nu gaat Rondkijker in op de ruimtevaart. Hij schrijft dan: Wij geloven er niets van, dat de mens ooit op de maan of cp een andere planeet zal kunnen kcmen. We hebben dat toen (Rondkijker zinspeelt met dat „toen" op een vorig artikel. H.) gestaafd cp Bijbelse grond, cmdat de Heere zegt in Zijn Woord: Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven (Psalm 115 : 16)". Ik heb de data nu niet exact bij de hand, maar als ik me goed herinner cirkelde in 1962 de eerste mens om de maan, en landde in 1968 of 1969 de eerste mens cp de maan! Misschien herinnert u zich nog wel wat daarbij gezegd werd door Armstrcng? „Een kleine stap vcor een mens; een grote stap vcor de mensheid". Rondkijker vervolgt het artikel: Onze mensheid hoort thuis op onze aarde en is daarmee onafscheidelijk verbonden. Vandaar dat alle werkelijke ruimtevaart voor de mens vcor alie tijden is uitgesloten". Er is geen enkele reden om dat met een meewarig glimlachje te lezen. Achteraf heb je altijd makkelijk praten. Bovendien: ondkijker v/as echt niet de enige die er zo over dacht. In datzelfde jaar schreef prof. Van den Bergh in „De Rotterdammer" dat het niet geheel uitgesloten is dat de maan eens omcirkeld zal worden. „Maar dit zal gaan ten koste van veel mensenlevens, en honderden miljoenen of miljarden dollars. Het thans levende geslacht zal dit niet meemaken". Het zal ons na het bovenstaande niet verbazen, dat regelmatig gesproken werd over het geoorloofde van de ruimtevaart. In het Daniël-nummer van 13 januari 1961 lezen we daarover het volgende:
„Quo Vadis? Waarheen gaat gij mensenkind in Uw grenzeloze zelfverheffing, hoogmoed en eerzucht? Gezien in het raam van de verbijsterende ontwikkeling der laatste tientallen jaren moet het evenwel theoretisch mogelijk geacht worden om de maan te bereiken. Of God dit tce zal laten weten wij niet en behceven wij dus ook niet te weten. Dat het echter binnen enkele jaren mogelijk is de mens naar de maan te zien reizen, moet onmogelijk geacht worden en het zal nooit zonder risico's kunnen geschieden".
Zo is opnieuw de regel bevestigd dat het doen van voorspellingen gevaarlijk is. Ze hebben de neiging om niet uit te komen. Toch mijmer je dan nog even door. Je wordt er weer even met de neus cp gedrukt, hoe verbijsterend snel ons leven voorbij vliegt. Toen je neg cp de lagere school zat, leek de tijd voorbij te kruipen. Verlangend keek je altijd uit naar de volgende verjaardag, want dan was je weer wat ouder geworden. Als je 16 bent, gaat de tijd al wat sneller, maar clan heb je nog wel het gevoel dat de tcckcmst ongekende mogelijkheden biedt, en dat het echte leven nog moet kcmen. En als je dan neg iets ouder bent, 'kern je er ineens achter dat de tijd door je vingers glipt. Gemiste kansen kunnen onherstelbaar zijn. Dat wat geweest is, komt niet meer terug. Denken we daar wel eens aan? Of is ons leven zo jachtig en is onze tijd zo van minuut tot minuut gevuld dat we geen tijd voor bezinning hebben?
Daarom willen we graag deze raad geven. Kijk uit met wat je doet. Gedane zaken nemen geen keer. Als je een goed stel hersens hebt, studeer dan, nu je er de tijd nog voor hebt. Als je al werkt, doe het dan zo goed mogelijk. Breng je tijd niet met
lanterfanten door. Maar bovenal: enk er ook eens aan dat je leven een einde zal hebben en dat dat ook abrupt kan komen. „De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer". (Ps. 103 : 15 en 16). Ons leven is eindig, maar, ook al kunnen we dan mensen op de maan neer zetten, we zijn ook nietige mensen. „Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal Zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden; alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1975
Daniel | 20 Pagina's