JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE PARTIZAAN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PARTIZAAN

9 minuten leestijd

De zesentwintigste april is een datum die ik nooit meer zal vergeten. Het ghetto was na vijf dagen bijna uitgebrand. Er hing alleen nog maar een geweldige wolk rook over de stad, met hier en daar uit die wolk de laatste opschietende vlammen. Ik heb altijd gedacht dat zó ongeveer de dag des oordeels moet zijn.

‘s Morgens kwam Michal naar mij toe en vertelde mij zijn plan. Hij wist een weg door de riolen en zou proberen ons groepje van zes naar buiten te brengen. Het was een heel kleine kans, maar zelfs dié moesten wij zien te benutten. Niet omdat wij zo graag in leven wilden blijven, maar omdat de partizanen buiten Warschau, die in de bossen leefden, ons nodig hadden, zei Michal. Wij stemden toe, zij het met geen enkel vertrouwen in de kans. Wij waren allemaal bijna verhongerd, met brandwonden overdekt en een volledige zenuwinstorting nabij.

Michal ging weg en kwam drie uur later tegen het middaguur terug. Hij was erg nerveus en daar was ook wel reden toe. Hij had kontakt gemaakt met een partizanengroep in het arische deel van de stad en als wij precies om vier uur die middag onder een riooldeksel op een bepaalde plaats in Warschau waren, zouden wij er worden uitgehaald.

Wat er toen volgde is voldoende om een heel boek mee te vullen. Meer dan twee en een half uur kropen wij door de riolen, eerst onder het verbrande ghetto, later onder het arische deel van de stad.

Dat wij het volhielden was onbegrijpelijk. Wij lagen half in het water en kropen zo vooruit. Michal had een mijnwerkerslamp en ging voorop. Het was ons een raadsel hoe hij de weg vond in het labyrint van gangen, die zó laag waren dat je er niet eens gebogen in kon staan. Boven ons, acht meter hoger, was de stad. Zouden wij nog ooit het daglicht zien? Geen van ons zessen die daar ook maar een sekonde in geloofde.

Op een gegeven ogenblik riep Lidia dat ze Pawel kwijt was. Wij stopten en probeerden hem bij het licht van Michals lamp terug te vinden. Szymon vond hem tenslotte. Hij voelde iets onder water en dat was het lichaam van Pawel. Hij was verdronken. Niemand van ons zei er iets van. Zelf dacht ik: Pawel is de eerste, wie van ons zal de volgende zijn? Als Michal die lamp niet bij zich had gehad, was ons einde er al veel eerder geweest. De Duitsers lieten namelijk in de schachten onder de riooldeksels dunne draden neer, waaraan een klein kogeltje hing. Als je daar tegenaan liep in het donker, bewoog de draad zich dus en wisten zij boven dat er zich mensen in het riool bevonden. Zij wierpen dan carbidpatronen naar beneden waardoor je binnen een halve minuut stikte. Tweemaal zagen wij kans, dank zij Michals lantaarn, zulke draden voorbij te komen zonder deze aan te raken. Toen wij al dicht bij de plaats waren, die ons was aangewezen om te wachten, bleef Helena plotseling languit in het water liggen. Franciszek begon tegen haar te praten, maar kreeg geen antwoord. Na tien minuten zweeg zij nog. Zij was bewusteloos. Franciszek eiste dat wij verder gingen; hij zou met Helena zo snel mogelijk volgen. Wij wachtten anderhalf uur onder het deksel van het riool, waarvan zij ons hadden gezegd dat het zou worden geopend. Ik ben samen met Michal, nog één keer teruggegaan naar de plaats waar Helena en Franciszek waren achtergebleven. Hij was nog steeds bezig haar bij te brengen, maar zij reageerde op niets meer. Franciszek was wanhopig, want hij hield heel veel van haar. Zij zouden gaan trouwen als zij waren bevrijd. Die gedacht had haar de kracht gegeven door te gaan, verder te leven. Het was verschrikkelijk tragisch dat zij nu, juist nu er nog een minimaal kleine kans op ontsnapping leek te bestaan, niet verder kon. Het had geen zin met hem te praten. Wij zijn teruggegaan naar Szymon en Lidia, die al lang op ons zaten te wachten. Helena en Fransciszek hebben wij nooit meer gezien.

Toen gingen wij met z'n vieren wachten, maar er gebeurde niets. Het uur waarop ons was beloofd dat het deksel zou worden geopend, ging voorbij. En nog een uur. En daarna wéér een uur. Teen wisten wij dat het allemaal voor niets was geweest, dat er geen laatste kans voor ons was, dat wij nooit uit dat riool zouden komen en als ratten zouden sterven.

Dit moest komen en het was alleen maar onbegrijpelijk dat ik nog leefde. Wij spraken niet met elkaar, omdat er niets meer te zeggen viel. Alles was allang gezegd. Michal verkeerde in grote spanning, dat zagen wij duidelijk. Hij voelde zich verantwoordelijk voor ons en langzamerhand drong het natuurlijk tot hem door dat het allemaal voor niets was geweest. Wij begrepen dat wij terug moesten gaan, maar niet één van ons had nog de moed om opnieuw de tocht door het riool te maken. Niet één van ons drieën in elk geval. Misschien alleen Michal nog. Wij waren ver over de grens van ons uithoudingsvermogen heen en de dood leek verkieselijker dan het leven. Dit klinkt misschien wel vreemd en ongeloofwaardig voor zulke jonge mensen als wij toen waren, maar het was werkelijk zo. Ik zat naast Michal en zei: , , Heb jij je pistool bij de hand? "

„Ja zeker”, zei hij, „waarom vraag je dat? "

„Mag ik het even hebben? " vroeg ik. Hij keek me in het schemerlicht van de lamp doordringend aan en zei toe: „Nee, dat ma, g je niet".

„Waarom niet? ” vroeg ik.

„Dat weet je net zo goed als ik", was zijn antwoord. Een moment dacht ik erover hem het wapen afhandig te maken, maar hij was veel sterker clan ik en ik wist dat ik geen kans bij hem had.

„Lafaard”, zei hij zacht, zodat de twee anderen het niet konden horen, „lafaard, ben jij een partizaan? "

Ik schaamde me, want hij had gelijk. Als partizaan deed je zoiets niet, pleegde je geen zelfmoord. Hoe weinig waarde je leven ook voor jezelf had, het had altijd nog waarde voor anderen. Dat was een vaste stelregel van de partizanen.

„Ze komen niet, Michal”, zei ik.

Szymon staarde ons met wijdopen ogen aan en Lidia huilde zonder tranen. Tranen had zij natuurlijk al lang niet meer. Zij was de laatste overgeblevene van een gezin van vader en moeder, vier zusters en twee broers. Michal keek me woedend aan en zei: „Je hebt geen vertrouwen, je bent een slechte partizaan, Janek. Heb je clan werkelijk je geloof verloren? " Wij hadden het vaak over het geloof gehad. Hij geloofde onvoorwaardelijk in God, in de kracht van het gebed en in de liefde van Christus. Hij geloofde daarin, ondanks alles wat zich in het ghetto had afgespeeld. Voor mij, die dat geloof had verloren, leek dit onbegrijpelijk. Wij wachtten opnieuw. Het gedreun boven ons werd minder, zodat wij begrepen dat het avond was geworden. Indien ik van één ding overtuigd was, clan van het feit dat wij met ons vieren in deze rattenval zouden omkomen. Zo zaten wij daar zonder een woord te wisselen, elkaar alleen maar aankijkend en luisterend. Langzamerhand verstomde het gedreun en eindelijk werd het volkomen stil

En toen gebeurde het.

Ineens zat Michal recht overeind in het water. „Hoor", fluisterde hij, „hoor je dat ? ”

Er was boven ons geluid. Nieuw geluid. Geluid dat er nog niet eerder was geweest. Geluid bij het riooldeksel vlak boven ons. Het werd losgemaakt en dat was een wonderbaarlijk, ongelooflijk geluid. Een paar sekonden geloofde ik aan een wonder, maar toen niet meer. Omdat ik ineens zeker wist dat het Duitsers waren die ons kwamen vergassen. Dit was het einde!

Michal had de lamp uitgedraaid en vanuit het duister staarden wij naar boven. Er klonken gedempte geluiden en plotseling was er een stem die de naam Michal noemde. Zij waren het! Onze vrienden!

Er kwam een dik koord naar beneden waaraan een haak was bevestigd. Eén voor één gingen wij naar boven, half kruipend tegen de muur van de loodrechte schacht, half opgetrokken door de mannen die boven ons het koord vasthielden. Er stond een grote militaire auto boven de rioolopening en er waren drie partizanen. Het ging allemaal razend snel. Er werd bijna geen woord gesproken. Wat ik deed, deed ik in een soort droom-toestand. Ik geloofde het nog steeds niet.

Er kwam een ogenblik, dat de auto wegreed en op die auto, onder een dik zeil, zaten Szymon en Lidia, Michal en ik, benevens twee van de mannen die

ons eeruit hadden gehaald. Wij reden dwars door de stad. Ik begreep dat zij een uitweg zochten. Driemaal draaide de auto en reden wij terug. Later hoorde ik dat het bruggen over de Weichsel waren die te zwaar werden bewaakt om ze als uitvalspoort te gebruiken. De vierde maal lukte het.

Wij reden de stad uit en de bossen in. Ik onderging het nog steeds als iets onwerkelijks, als iets dat niet gebeurde. Het kon niet, het was volstrekt onmogelijk dat wij vrij waren.

De maan scheen dwars door de nog dorre takken van het bos, maar er hing al een geur van lente over de aarde. En die geur was de geur van de vrijheid, die ik daarna alle dagen van mijn leven ben blijven ruiken, tot vandaag toe, hier in Kapernaüm. Maar het vreemdste moest nog gebeuren, eer wij ons bij de partizanen voegden die in het bos op ons wachtten. Dat vreemdste was, toen Michal dichter naar mij toeschoof en vroeg: „Heb je werkelijk gedacht dat dit je einde was, Janek? " „Ja", zei ik, „daar was ik van overtuigd".

Hij lachte zachtjes, een beetje raadselachtig, voor zich uit en vroeg toen: „Je bent zeker vergeten wat het vandaag voor een dag is, Janek? " Ik begreep z'n vraag niet en keek hem verbaasd aan.

„Het is geen gewone dag, Janek, en juist daarom had ik zoveel vertrouwen in de goede afloop".

„Wat is het dan voor een bijzondere dag, Michal? " vroeg ik. „Je bent blijkbaar helemaal vergeten, beste Janek, dat het vandaag pasen is". Hij zweeg en ik deed niet anders. Ik begreep hem nog steeds niet. Wat bedoelde hij toch precies? Ik vroeg hem iets duidelijker te zijn. M'n verstand werkte ook niet meer normaal, die avond.

„Het is pasen, Janek, en pasen wil zeggen: Opstanding. Wat was onze vlucht uit het riool anders dan een opstanding? Dat bedoel ik".

Ik bleef zijn woorden horen, die als het ware bleven hangen. Woorden uit een andere wereld; dan die waaruit ik zojuist was ontsnapt.

Een wereld waarin een paasfeest bestond. Een wereld waarin de Heere was opgestaan, lang, lang geleden.

Wat een wonder ! Christus leeft het was pasen en wij waren opgestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1975

Daniel | 20 Pagina's

DE PARTIZAAN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1975

Daniel | 20 Pagina's