MAARTEN EN GERT ALS SPEURDERS
Ons vervolgverhaal (1)
Dit verhaal is een vervolg op cle reeds geplaatste serie „Maarten".
Nog even de korte inhoud daarvan:
Maarten van Kampen en Gert Bos zitten in de eerste klas van de Mavo. Maarten heeft het er als zoon van een dominee ivel eens moeilijk. Speciaal Ingrid de Jong is er op uit hem en zijn vader bespottelijk te maken.
Als Gert ziek is, gaat Maarten iedere dag huiswerk brengen. Bij deze bezoeken valler hem vreemde dingen op, die hem pas duidelijk worden als cle politie op school komt en hem ondervraagt. De vacler van Gert blijkt onder druk betrokken ie zijn geweest bij diverse inbraken, Hij wordt gearresteerd en Gert. gaat, logeren op cle pastorie.
Het bezoek
De bus, die Gert Bos op z'n bestemming moet brengen, doet verschillende dorpjes aan en stopt herhaalde malen.
Toch gaat het voor Gert nog veel te snel. Hij zit achter in de bus en staart afwezig door cle raampjes naar het vriendelijke voorjaarslandschap, 't Zou een heel leuk tochtje zijn, als hij niet Hij haalt een papiertje uit z'n portemonnaie en bekijkt voor de zoveelste maal het adres, dat daar opgeschreven is: Lindenlaan 10, Maasdrecht. Dat is het doel van zijn reis. Gert zucht, 't Is gek, maar hij is er bang voor en verlangt er naar tegelijkertijd.
De bus draait een autosnelweg op. Waarschijnlijk zal Maasdrecht nu wel niet ver meer zijn. Het is niet druk in de bus. Slechts een paar vrouwen, die boodschappen doen en een oudere heer, die ondanks het geschok van de gammele bus zijn krantje probeert te lezen.
Gert kijkt op z'n horloge. Vijf voor tien. 't Is nog vroeg. Hij hoeft er pas om half elf te zijn. Heeft hij in ieder geval voldoende tijd om de weg te zoeken. Dominee Van Kampen heeft het hem trouwens nauwkeurig uitgelegd. Uitstappen bij 't station, dus dat is nogal gemakkelijk. Gert is de dominee dankbaar dat hij niet heeft aangeboden mee te gaan. Hij ziet er wel tegenop, maar toch wil hij dat alles liever alleen verwerken. Het station blijkt tevens het eindpunt voor de bus te zijn.
„Alle passagiers uitstappen" klinkt het door de luidspreker.
Gert hijst, zich traag omhoog en verlaat de bus. Buiten haalt hij diep adem.
En nu op zoek.
Het komt precies uit zoals de dominee gezegd had. Het is niet moeilijk te vinden. Na een minuut of tien lopen is Gert er al. Het is een brede, deftige straat met hier en daar wat oude, gesnoeide bomen langs de kant.
Langzaam gaat hij de straat in. De nummers lopen op, ziet hij. Bij ieder huisnummer denkt hij: Nog zoveel huizen, nog zoveel Zijn schoenen sloffen over de straat. Er zijn verschillende wandelaars. Verbeeldt hij het zich of kijken ze naar hem? Zouden ze begrijpen waarom hij hier loopt? Hij schuift nog wat dichter naar de huizenkant en laat z'n schouders hangen. Was hij er maar of toch niet?
Na enige tijd zijn er plotseling geen hoge deftige huizen meer om naast te schuilen. Er is alleen een hoge blinde muur, hier en daar wat groen uitgeslagen.
Gert schrikt en begrijpt meteen: Hier moet het zijn Het lijkt of de sombere muur zich eindeloos langs het trottoir uitstrekt. Wat moet het daar achter benauwd zijn! O kijk, daar is een soort poort. Maar ook die is weer afgesloten door zware, stalen deuren. Er hangt een bordje, met diskrete kleine zwarte letters: Huis van Bewaring. Ja — hier moet vader zijn
Gert wordt door een portier verwezen naar 't hoofdgebouw. In de tuin zijn een paar mannen aan 't werk. Ze staren Gert nieuwsgierig aan. Hij loopt snel door naar de brede ingang van het gebouw vlak voor hem. Als hij zijn naam noemt en het doel van zijn komst, wordt hij door een magere man in een klein kamertje gelaten.
„Wacht hier maar even. 'k Zal even voor je gaan informeren."
Gert geeft hem de introduktie-brief van dominee van Kampen.
„Dankjewel, 't Zal wel in orde zijn, denk ik. Enfin, 'k kom zo weer bij je." Gert luistert naar het wegstervende geluid van de voetstappen. Vader staat in ieder geval niet als gevaarlijk bekend, bedenkt hij wat bitter.
Inderdaad duurt 't niet lang of de bediende is terug. Of is het een cipier? vraagt Gert zich af. Hij heeft wél een grote bos sleutels bij zich , , 't Is in orde, jongeman. Kom maar mee, " wenkt hij.
Zijn zakelijke manier van doen stelt Gert toch wel wat op z'n gemak. Hij doet net of ik een zieke kom bezoeken, denkt hij. Och, voor hem is 't natuurlijk allemaal heel gewoon.
Aan weerszijden van de brede gang zijn deuren. Zou hier ? Nee, hij ziet 't al, dit zijn dienstvertrekken. Keuken, kantoor, magazijn Aan het eind van de gang gaan ze een trap op en dan is daar boven weer zo'n gang. Alleen — de deuren zijn anders. Gert schrikt er tóch nog van. Het zijn zware, massieve deuren met ijzerwerk beslagen. Op kijkhoogte is een klein luikje met ernaast een nummer. Dit zijn de cellen!
„We zijn er!" hoort hij naast zich zeggen. Gert durft de man haast niet aan te kijken.
„Over twintig minuten kom ik je weer halen. Tot zo dan maar!"
Hij opent de deur, laat Gert binnen en draait de sleutel weer om in het slot.
Het is een klein, wat schaars verlicht vertrek, waar Gert binnenkomt. Er staan slechts enkele meubelstukken: een smal bed, een kast, een stoel met een kale tafel. Hoog boven het bed is een klein, getralied raam.
Gert ziet het allemaal, zonder er bewust op te letten. Pas dan durft hij zijn vader aan te kijken, die op de rand van het bed zit.
„Dag vader. Hoe gaat het met u? " Gert hoort z'n eigen, aarzelende woorden vallen in de stilte.
„Dag jongen. Kom je me bezoeken? ”
Gert durft zijn vader nu pas goed in 't gezicht te zien. Wat is hij mager geworden, schiet het door hem heen. Heeft hij 't hier zo slecht of Hij heeft duidelijk de spanning in zijn vraag gehoord. Kom je me bezoeken — of kom je me alles verwijten?
En Gert, die de afgelopen week afwisselend te kampen had met gevoelens van wraak én medelijden, vergeet alle bitterheid bij het zien van het moede, verslagen gezicht voor hem.
„Ja, ’k kom op bezoek, " antwoord hij. „Met de bus "
Zijn vader blijft zwijgen, hoewel er tóch even een glimp van blijdschap in zijn ogen komt. Hij luistert stil naar Gert, als hij begint te praten — zomaar wat indrukken van de reis hierheen. En door alles denkt hij: Dat mijn zóón hier nu zit en praat tegen mij
„Gert, jongen, " begint hij moeilijk. „Ik... had 't niet moeten doen, maar ik kon niet meer terug!" En dan begint hij plotseling hakkelend en zoekend naar woorden te vertellen. Hoe alles gekomen is en hoe het steeds erger werd. „Toe vader, stil nu maar, " zegt Gert, die het uiterst pijnlijk vindt allemaal. Maar zijn vader wuift die woorden weg. „Nee, stil, ik móet alles vertellen, Gert." Al die tijd heeft hij immers zitten denken en piekeren. Hij móet nu z'n hart luchten. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1975
Daniel | 20 Pagina's