JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DIAGNOSE VAN DE TIJD?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DIAGNOSE VAN DE TIJD?

11 minuten leestijd

Leven in 1975 heeft voor velen iets beangstigends. 't Is net of onze tijd er een is yan krisis, of de wereld waarin wij leven afstoomt naar het einde. Wie zijn krant leest, vindt daarin geluiden genoeg, die dat krisisbesef op vele manieren verwoorden, of het nu gaat om economische vragen, zoals in de Rapporten van Rome, of politieke, zoals in de telkens opdoemende berichten over dreigende ontwikkelingen, die een krachtmeting op wereldschaal zouden kunnen veroorzaken, of ethische, waarin sprake is van een verregaande uitholling van het normbesef, of religieuze, waarin onze tijd de geboorte van een wereld zonder God schijnt te beleven. Je hoort vaak spreken van conflicten op alle mogelijke fronten, van mensen en groepen die elkaar op zoveel mogelijk manieren dwars proberen te zitten, van polarisaties, die hoofdzakelijk bedoeld lijken om de eigen haan koning te laten kraaien. Er is een gevoel van onvrede, van onmacht met betrekking tot zovele ontwikkelingen, die ons boven het hoofd schijnen te groeien. Men zegt, dat de donkerheid cler dagen groot is, en, met de woorden van Romano Guardini: , , Ons bestaan is geraakt in de nabijheid der absolute beslissing en haar consequenties, de hoogste mogelijkheden en de uiterste gevaren". Met het bereiken van het einde der aarde lijkt het einde der tijden niet ver meer te zijn.

Het besef, dat de wereld het einde nadert, is op zichzelf niet zo nieuw. Vele eeuwen voor de onze hebben mensen daarover gesproken en gedacht. Alleen, in de tweede helft der tw T instigste eeuw lijkt er meer reden voor te zijn. Om te weten of dat gevoel juist is, zullen we moeten zien naar objectieve maatstaven die kunnen aangeven of onze tijd op wezenlijke punten verschilt van voorheen. Er zijn velen geweest, die een „diagnose van de tijd" gegeven hebben. Dat is begrijpelijk; want de mens is een historisch wezen, dat niet alleen maar mee gesleurd wordt door de stroom van de tijd, maar ook een houding inneemt tegenover de activiteiten van zijn medemensen en hun aller voorgangers. Daarom is het mens-zijn een voortdurend gesprek met het verleden en met de tijdgenoten. Het hoeft ons daarom niet te verbazen, dat velen in onze dagen bezig zijn met de eigen tijd.

Maar is het wel mogelijk die eigen tijd te begrijpen? Of onttrekken de grondlijnen van het gebeuren zich aan onze waarneming? Kunnen we voldoende afstand nemen van de gebeurtenissen die onze tijd lijken te bepalen? Begrijpelijkerwijs zijn het vooral geschiedkundigen geweest, die zich met deze vragen hebben ingelaten. Ik noem er enkele. De historicus Jan Romein schreef in een artikel „Gedachten over de vooruitgang", dat men moeilijk van vooruitgang in de geschiedenis van de mensheid kan spreken, als met die vooruitgang een begerenswaardig ideaal bedoeld wordt; maar wel van vooruitgangals-feit, al zou je dan beter het w r ocra voortgang kunnen gebruiken. Voortgang ontstaat er, als een nieuwe vinding of gedachte normverlies van het bestaande veroorzaakt en er dus een verstoord evenwicht optreedt. Doordat telkens het evenwicht verbroken wordt, groeien de polen, waartussen de mensheid zich beweegt, steeds verder uit elkaar, m.a.w. de menselijke mogelijkheden worden steeds groter; vergroting van de mogelijkheden betekent niet noodzakelijk een verbetering in ethische zin. Het is integendeel zo, dat de voortgang een „avontuur" blijkt, dat steeds hachelijker wordt; want tegelijk met iedere positieve mogelijkheid ontstaat een averechtse mogelijkheid aan de negatieve pool. Vernieuwingen kunnen meer zegen herbergen, maar ook meer vloek. In dit verband zouden we kunnen denken aan de geweldige mogelijkheden, die mensen hebben om enerzijds het leven te beschermen, maar anderzijds ook om het leven te vernietigen. Overigens kan een ieder, die over de voortgang nadenkt wel een paar ontwikkelingen opnoemen, die weliswaar de menselijke mogelijkheden vergroten, maar niet per definitie de mensheid ten goede, of ten kwade, komen.

Wie op de manier, zoals hier geschetst, het begrip voortgang toepast op de wereld, waarin wij leven, komt tot de conclusie, dat het Westen inderdaad dicht bij een uiterste grens gekomen is. De

beheersing van de natuur b.v. geraakt in een kritiek stadium; daarmee heeft de gevallen mens een enorme macht gekregen. Zonder dat een nieuwe ethiek die mens begeleidt is er een nieuwe periode begonnen: „Van nu af en voor altijd zal de mens leven op de grens van een zijn hele bestaan betreffend, voortdurend sterker toenemend gevaar", schrijft Guardini, die overigens aantekent, dat dit gevaar niet noodzakelijkerwijs het einde van de wereld betekent; nu, zoals voorheen, zijn er twee mogelijkheden voor de toekomst: „Ondergang in een zowel innerlijke als uiterlijke vernietiging, — of een nieuwe gestalte der wereld als ruimte voor een mensheid, die zich van haar betekenis en toekomst bewust is". Ook hier vinden we de idee van de vergroting der mogelijkheden terug.

Ik heb hierboven met opzet geschreven over „het Westen". Want al nadenkend over onze wereld, vergeten we soms te gemakkelijk, dat het Westen daarvan maar een, zij het zeer belangrijk, gedeelte uitmaakt. In diezelfde wereld zijn er reusachtige gemeenschappen, die (nog) bij benadering niet de grenzen van de menselijke mogelijkheden bereikt hebben. Dat kan een belangrijke les voor ons inhouden: deze n.L, dat de westerse mens in het denken over zijn eigen tijd de plank grondig kan misslaan, als hij volhardt in zijn eeuwen lange zelfmiddelpuntigheid.

Dit laatste is een overweging, die we misschien pas goed beseffen als we beluisteren wat een ander historicus schrijft over cle tijd, waarin we leven. In zijn „Kenmerken van eigentijdse geschiedenis" vermeldt Barraclough een aantal factoren, die hij van fundamenteel belang acht voor het begrijpen van de toestand, waarin de wereld zich na omstreeks 1960 bevindt; daarbij zijn tenminste drie kenmerken, die betrekking hebben op een verschuiving van machtsverhoudingen, waarbij cle positie van Europa relatief gesproken achteruit gaat. Ik geef de factoren hier weer: le de vooruitgang van wetenschap en techniek is dermate groot, dat zich wereldwijd middels industrialisatie en imperialisme een nieuwe cultuur gaat vormen; 2e de betekenis van Europa krimpt in, ook op het punt van bevolkingsgrootte; 3e er ontstaat een tijdperk van wereldpolitiek, waarin het europese machtsevenwicht niet meer van doorslaggevende betekenis is; 4e wat de politieke organisatie betreft, is er een o-vergang van individualisme naar masoademocratie waar te nemen; 5e in Azië en Afrika ontstaat reactie tegen de vroegere overheersing door het Westen; 6e het voorbeeld van de Sovjet-unie en China geeft gestalte aan de ideologische uitdaging van het communisme; 7e het individualistisch levensbesef, zoals dat werd uitgedrukt in burgerlijke vormen, begint te wijken voor de kameraadschap van de massa.

Elk van deze factoren betekent op zichzelf de ontluistering van een ideaal, dat lang gekoesterd is in het europese Westen. Is het een wonder, dat velen zich afvragen, waarheen de wereld op weg is? Het antwoord, dat men hierop geven kan, is: nee. Want, zo vertelt ons een aantal geleerden, die gewapend met ontzaglijke kennis het verloop van een aantal beschavingen onderzocht hebben: de westerse beschaving dreigt in te storten. Men moet dit overigens goed verstaan: het betekent niet dat het einde van de wereld noodzakelijkerwijs nabij is, al willen sommigen' er dat wel in lezen. Het zou zelfs kunnen betekenen, dat een nieuw type beschaving de westerse gaat vervangen.

Dat wordt ook gesuggereerd door Boerwinkel, die in zijn boek „Einde of nieuw begin" nagaat welke oorzaken aangewezen kunnen worden voor de vele spanningen op allerlei terrein, die men dagelijks kan waarnemen. In zijn visie beleven wij in deze dagen „het versneld aflopen in zes tijdperken", die grondslaggevend geweest zijn voor de westerse beschaving. Maar inmiddels vertonen zich de tekenen, die een nieuw begin zouden kunnen inluiden. De krisis, die zich voordoet, is vooral een krisis van de westerse samenleving, zoals die eeuwenlang bestaan heeft; een samenleving, die al een tijdlang zijn agrarisch karakter aan het verliezen is, waar in het individualistisch ideaal aan het tanen is, die de overheersing van de blanken en de mannen niet meer als vanzelfsprekend ervaart, en die opmerkt dat het joodse volk na 19 eeuwen ballingschap weer een eigen staat gevonden heeft; dit althans zijn vijf van de zes factoren, die Boerwinkel noemt in verband met zijn beschrijving van de positie, waarin de westerse maatschappij zich bevindt. De zesde betreft de aftakeling van de „constantijnse" positie van de kerk, waarop ik straks nog terug kom. Als men een en ander overziet, dan

valt de neiging om verontrustende vraagtekens te zetten bij de toekomst te begrijpen. De behaaglijkheid van het burgerlijk tijdperk in de Europese geschiedenis is voorbij, en daarmee de vcortgangsroes, waarin zovelen geleefd hebben. En het is niet ondenkbaar, dat Europa een stap terug zal moeten doen. Dat betekent overigens allerminst, dat het einde der tijden in een nabije toekomst te verwachten moet zijn, al is het een mogelijkheid. Niemand weet, waar de stroomversnelling in de twintigste eeuw op uit zal lopen.

De historicus Bouman, die in zijn „In de ban der geschiedenis" nadenkt over cle grenzen der geschiedenis, komt tot niet zulke bemoedigende conclusies; de drie grenzen, die hij noemt, zijn: het tragische, waardoor het goede zich ten kwade keert, het paradoxale, waardoor het tegengestelde van wat men wenst wordt bereikt, en het absurde, waardoor alles voor de vragende mens in een zwijgende wereld zinloos wordt. Als dat inderdaad het punt is, waarop de westerse mens is aangeland, is er weinig hoop. Dan geeft ook het „genieten" van een materiële welvaart weinig uitzicht meer. In zo'n „wereld zonder God" is zelfs het vragen naar de zin van het leven belachelijk.

Men zou van de kerken een antwoord verwachten op de krisis van de samenleving. Die krisis stelt ook ons vragen. Als het antwoord ontbreekt, een positief antwoord dan, zou dat kunnen wijzen op een zeer sterke verzwagering van de kerk met de samenleving, die zij mede geïnspireerd heeft. De positie van de kerk is inderdaad in het geding. Boerwinkel spreekt in dit verband van het einde van het constantijnse tijdperk, waarmee bedoeld wordt, dat de vanzelfsprekende plaats van de kerk in het midden van de samenleving is veranderd; de kerk lijkt een randverschijnsel te worden. Dat dat velen pijn doet is te begrijpen, maar ook dit betekent niet noodzakelijkerwijs, dat het einde nabij is. Het kan wel betekenen, dat vanuit andere werelddelen dan het Westen cle stem van het Woord met kracht gehoord wordt; omdat het Westen de dienst van God verruilt voor een religie, die de machten op de troon zet. Juist vanwege het Woord is er geen reden om te wanhopen in de verwarrende ontwikkelingen, die wij meemaken. Immers, de kerk heeft het oog gericht op het komende Koninkrijk Gods.

Dat ligt niet in het verlengde van ons werken, het is er wel het doel van; Pieper zei in dit verband: „De geschiedenis zal uitmonden in haar einde als in een bevrijding, die van buiten komt". Met de vinger op de polsslag van de tijd zal de gemeente zich telkens weer opnieuw moeten bezinnen op het w 7 oord van Christus, om nuchter te zijn en te waken. Nuchter, dat betekent een open oog hebben voor de mogelijkheden, die de tijd biedt, zonder blind te zijn voor de gevaren ervan; het betekent afstand nemen van de gebeurtenissen zonder meegezogen te worden in overmoedige hoop of verlammende vrees, Waken, dat is de wereld toetsen aan het Woord, beseffen, dat het Westen cle wereld niet is, er voor oppassen, dat de gemeente tweeslachtig worclt door enerzijdj te klagen over donkerheid en anderzijds mee te slapen in de welvaartsroes; het is ook biddend je roeping vervullen, waar ook ter wereld, wetend van het oordeel, de wederkomst en het Koninkrijk Gods.

Het was, meen ik, Albert Schweitzer, die de volgende vergelijking maakte; wie zich probeert een oordeel te vormen over de toestand, waarin de wereld zich bevindt, is als iemand, die naar een verkeerslicht kijkt; de optimist. ziet het licht altijd op groen staan, de pessimist op rood; voor wie verstandig is, staat het op oranje. Waarbij je wel moet bedenken, dat in Duitsland het oranje ook aangaat, voor het licht op groen springt. M.a.w. een diagnose van de tijd laat cle toekomst open, voorspelt. niet, maar maant tot waakzaam voortgaan.

De apostel Jacobus gebruikte een ander beeld, waarin het Ora et Labora beter tot uitdrukking komt:

Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het vroege en spade regen zal hebben ontvangen. Weest ook gij lankmoedig, versterkt uw harten;

want de toekomst des Heeren genaakt.

(Voor wie verder wil lezen:

b.v. P. J. Bouman, Cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw.

Romano Guardini, De gestalte toekomst. der

F. Boerwinkel, Einde of nieuw begin.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1975

Daniel | 24 Pagina's

DIAGNOSE VAN DE TIJD?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1975

Daniel | 24 Pagina's