MEDITATIE
„Gij zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben.” (Exodus 20 : 3)
De zoude van de wereldgelijkvormigheid is te herleiden tot de zonde tegen het eerste gebod van Gods heilige Wet, dat wij hierboven afschreven.
Wereldgelijkvormigheid is het hebben van andere goden voor Gods Aangezicht. En God zegt: „Gij zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben".
„Voor Mijn Aangezicht". Gods zegt: „Ik kan ze onder Mijn ogen niet zien". Maar die Goddelijke ogen zien dan ook overal. Hoe wij de afgoden ook verstoppen, soms diep in ons eigen hart, God ziet ze ook daar!
Maar wij zijn toch geen heidenen, wij hebben toch geen afgoden? O neen? Laten we samen eens luisteren naar de catechismus. Die vraagt in vraag 95: „Wat is afgoderij? " En dan zegt het antwoord: „Afgoderij is, in de plaats van de enige ware God, Die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem, iets anders verzinnen, of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet". „In de plaats van de enige ware God". Dat doen de heidenen en de wereld, die God niet kent.
Zij hebben hun afgoden in de plaats van de enige ware God. Zo is het bij ons niet. Wij laten altijd nog wel een plaatsje voor God gereserveerd, opdat w T e tot Hem kunnen gaan als de nood aan de man komt en ab onze afgoden ons uit de hand vallen en ter aarde liggen. Maar afgoderij is ook, zegt de catechismus „naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet".
En laten we nu eens tot onszelf inkeren en ons afvragen: is er niet telkens wat of iemand in ons leven, waarop we ons vertrouwen stellen, waar we ons hart aan hechten en ons geluk in zoeken? Zijn daar niet van die zekerheden, die we kiezen, buiten God om? Van die steunpunten', die we uitzetten en waarop we ons pogen te verlaten?
Afgoden zijn het! IJdele afgoden! Als de nood aan de man komt, komen we er beschaamd mee uit. Laat ik enkele afgoden noemen. Ik denk dan allereerst aan ons hoogmoedige eigen-ik. Dat is een heel gevaarlijke afgocl Telkens knielen w 7 e in aonbidding ervoor neer en offeren er aan. Hoe vaak draait niet alles om dat „ik".
Als God onze ogen opent moeten we zeggen: O Ged, nu heb ik nog nooit anders dan mijzelf bedoeld en nog nooit echt U gezocht. Uw Naam, Uw Eer!
Dan gaan we in ons leven de strijd kennen, die ons doet vragen: , , o God, verlos mij van mijzelf". En wat wordt dan de Genade van Christus onmisbaar. Die kan zeggen: „Ik zoek niet Mijn eer, maar de eer van Mijn Vader".
Andere afgoden zijn bijvoorbeeld bezit, luxe en vermaak. Kortom, alles waar we ons hart. op zetten of ons vertrouwen op stellen. Dat kunnen op zichzelf goede gaven van God zijn, maar als we er in opgaan clan wordt de band met de Gever gemist en dan worden het in ons leven machten en waarden buiten God, dus afgoden.
Denk ook aan de afgod Mammon. Wat wordt die onder ons ijverig gediend en wat wordt naar zijn machtstaf gemeten en gewaardeerd.
De Heere zegt: „Kinderkens, bewaart Uzelf van de afgoden". Ja „wordt de wereld niet gelijkvormig maar wordt veranderd door de vernieuwing Uws gemoeds".
Laten we de Heere veel smeken om die vernieuwende genade van de Heilige Geest opclat we leren leven in deze wereld in de kinderlijke vreze des Heeren en we zo gelukkig mogen worden als Asai', die geen afgod meer overhield, teen hij kon zingen:
„Bezwijkt dan ooit in bittere smart, Of bange nood mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed. Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1975
Daniel | 24 Pagina's