INTENSIEVE VEEHOUDER IJ
Na de Tweede Wereldoorlog heeft zich op het terrein van de veehouderij in Nederland een revolutionaire ontwikkeling voorgedaan. Om tot een goed begrip van de, als onderwerp voor deze beschouwing, bezwangerde woorden te komen, dient eerst worden nagegaan welke veranderingen er op dit gebied hebben plaatsgevonden. In het kader van dit artikel dienen echter rigoureuze beperkingen plaats te vinden om tot een beperkt, afgerond geheel te komen. Om te beginnen is het woord „bio-industrie" onjuist gekozen. Het ware beter te spreken van „intensieve veehouderij". Achtereenvolgens zullen wij de rundveehouderij, de kalvermesterij, de varkenshouderij en de pluimveehouderij nader bezien, en dan nog alleen de recente ontwikkeling van de laatste decennia.
Rundveehouderij
Hield men in 1950 per 100 ha 115 melk-en kalfkoeien, in 1972 waren dat er 150 en' er is nog steeds een stijging aan de gang. De totale rundveestapel is toegenomen in dezelfde periode van 2, 7 naar 4, 3 miljoen. De melkgift is toegenomen van 3855 tot boven de 4500 kg. per dier, en dit is nog geenszins het maximum.
De tijd is voorbij dat een gezin kon leven van de opbrengst van 10 koeien, waarbij tevens nog ruimte was voor personeel. Men komt nu aan zeker 50 per bedrijf, en i.i verband daarmee zijn meer intensieve mechanisatie van de melkwinning, door middel van doorloopstallen, volautomatische opstellingen, waarbij 10 en meer koeien tegelijk kunnen worden gemolken, onvermijdelijk.
Nu al moet de melkveehouder bijna een half miljoen gulden investeren, gekoelde melktanks met bijbehorende leidingen die de bussen overbodig maken komen er dagelijks bij.
Of de koeien onze groene weiden zullen blijven stofferen wordt door sommige deskundigen betwijfeld. Gras geeft namelijk niet de hoogste eiwitopbrengst per hectare. Vooral in de zuidelijke en oostelijke provincies neemt de teelt van snijmaïs, dat do plaats van gras en hooi inneemt, sterk toe. Het landschap is er al zichtbaar door veranderd.
Misschien zullen de koeien in de toekomst op voederplaatsen staan, terwijl de weiden het voeder voortbrengen.
Varkenshouderij
Het aantal varkenshouders in de periode, die hierboven genoemd is, is van 125.000 gedaald tot 65.000, en het aantal slachtvarkens is alleen al in de laatste vijf jaar verdubbeld. De jaarproduktie is momenteel rond de 10 miljoen stuks, met een globale waarde van ƒ 1500 miljoen vormt dit een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie, waarvan ruim de helft wordt geëxporteerd.
Was vroeger een varken een dier dat leefde van afval, thans is de varkenshouderij gespecialiseerd, en wel in fokbedrijven waar de beste produktiedieren worden ontwikkeld, in vermeerderingsbedrijven, waar soms honderd en meer zeugen worden gehouden, waarmee de biggen worden geproduceerd welke weer in mestbedrijven worden afgemest tot slachtgewicht.
Pluimvee houderij
Werd in 1950 10.000 ton pluimveevlees geproduceerd, even 20 jaar later is deze 24 x zo hoog, nl. 240.000 ton, ook al is de smaak dan niet meer zoals die van de vroegere boerderijkip. Deze cijfers geven keihard de realiteit van de vraag en uiteraard die van het aanbod weer.
Vooral de EEG heeft deze snelle ontwikkeling mogelijk gemaakt: door de vrije uitwisseling van goederen kan in Duitsland elk 2e boutje van Nederlandse afkomst zijn. Bovendien is een algemene stijging binnen de EEG van de consumptie te zien van 6 tot ruim 10 kg. per hoofd, per jaar.
Kalvermesterij
Deze wijze van veehouderij vormt een nieuwe en suksesvolle sektor van de veehouderij. In het verleden waren de meeste nuchtere kalveren, en zeker de stierkalveren vrijwel waardeloos. Voor een appel en een ei moesten ze van de hand worden gedaan.
Ook het magere melkpoeder was een produkt, waar nauwelijks emplooi voor was, totdat onderzoekers ontdekten dat men van dit laatste door toevoeging van plantaardige vetten, mineralen en vitaminen een nieuw produkt, kalvermelk, kon maken. Deze bleek bij het vetmesten van kalveren zelfs dikwijls te verkiezen boven de gewone, verse koemelk.
Zo werden van 2 overschotprodukten een veel gevraagd consumptie-artikel gemaakt, waarvan 99% wordt geexporteerd, d.w.z. 94.000 ton kalfsvlees met een waarde van ƒ 700.000.000, —.
Uit deze, uiteraard zeer summiere, gegevens blijkt toch wel overduidelijk welk een enorme betekenis deze wijze van veehouderij heeft gekregen. De economische betekenis van deze ver doorgevoerde produktie met behulp van wetenschap en techniek is van zeer grote betekenis voor de staathuishoudkunde van ons land. Boeren, gevormd door ervaring en een goede opleiding, geruggesteund door voorlichtingsdiensten, gezondheidsdiensten, produceren hier op een wijze welke respect afdwingt.
Was vroeger het boer zijn een landgebonden beroep, thans is dit veranderd. Degenen, die zich de kleine armoedige boerderijtjes op de voornamelijk arme gronden herinneren en thans de moderne bedrijfsgebouwen, vaak vele malen groter dan het oorspronkelijke gebouw, zien, moeten wel onder de indruk komen, dat hier iets groots is gepresteerd.
Bijzonder belangrijk hierbij is eveneens dat vele jonge boeren anders hadden moeten afvloeien naar de industrie, omdat er op het eigen bedrijfje geen toekomstmogelijkheden meer waren. Maar juist door deze ontwikkeling werden ze in staat gesteld het ouderlijke beroep, vaak al van vele geslachten, te blijven hanteren. Zoals met alle ontwikkelingen zijn er vanzelfsprekend ook schaduwzijden naast de bijzonder grote voordelen. Dit is niet alleen het geval bij één bepaalde bedrijfstak, maar ook bij de individuele bedrijven. Vanzelfsprekend komen ook hier de gevolgen van de zondeval naar voren. Voorheen was immers alles ideaal, er. was geen enkele verbetering mogelijk. Welk een onvoorstelbare situatie moet dat toch geweest zijn. Om te beginnen is de rentabiliteit over het algemeen marginaal, mede gezien de grote investeringen welke moesten worden gedaan. Niet alleen de banken hebben kredieten verstrekt, maar evenzo de veevoederindustrieën, welke laatste hierdoor een grote invloed kregen op de bedrijfsvoering van hun cliënten. Wanneer we in het licht van deze situatie lezen over moderne slavenhouderij, dan zit er een kern van waarheid in.
De rundveehouderij staat voor een merkwaardig dilemma. Om te kunnen blijven bestaan moet de boer zijn produktie opvoeren. Dus breidt hij zijn veestapel uit en verzorgt die met een optimale voedings-en gezondheidszorg.
Met de toename van de melkproduktie wordt het boterprobleem echter weer vergroot, wat weer zeer veel geld kost. De boter die men consumeert moet men duur betalen, om het vele wat niet wordt geconsumeerd te bekostigen. Hierover hebben al vele economen het hoofd gebroken.
Ook zal het aantal veehouders blijven verminderen en zullen de eenmanszaken nog talrijker worden', wat volgens deskundigen lijnrecht staat tegenover de ontwikkeling in andere sektoren.
Daar wordt gestreefd naar kortere werkdagen, een kortere werkweek en meer vakantie. De Nederlandse veehouder behoeft daar zelfs niet aan te denken.
Het nadeel van het eenmansbedrijf is, dat met goed managerschap een grote welvaart kan worden bereikt, maar dat er geen ruimte is voor het welzijn. Markt-, familiebezoek enz. komt door gebrek aan tijd in de verdrukking, immers de melkveehouder van nu, moet alléén tweemaal daags zijn koeien melken en voeren, met alle werkzaamheden daaraan verbonden. Ook hier wordt somtijds van slavenarbeid gesproken, hoewel deze benaming door een rechtgeaarde boer als een belediging zou worden opgevat.
De Nederlandse boer, vakbekwaam, weet zich gesteund door consulentschappen, door studies in Wageningen, door voorlichting van de mengvoederfabrikanten en van zijn afnemers, de voedselverwerkende industrie. Zoals het eerder is vermeld zijn Nederlandse boeren', die anders misschien hadden moeten afvloeien, in staat gesteld een redelijk inkomen te verwerven.
Nieuwe problemen komen, naast de voortdurende afhankelijkheid van economische ups en downs; ziektegevaren enz., voor de varkenshouderij voornamelijk van de kant van het milieu. Grote concentraties dieren, minder aantrekkelijke stallen met hoge voedersilo's en vooral de mestafvoer vragen de aandacht van deskundigen. Deodorants van mest. zuiveringsinstallaties, afvoerleidingen en andere voorzieningen' zijn in ontwikkeling of al in gebruik. Hiermee hoopt men op redelijke termijn met de produktie van goed en niet te duur varkensvlees het milieu practisch ongemoeid te laten.
Veel kritiek wordt ook gehoord over de wijze van opfokken, de wijze van het houden van dieren. Hier zouden vele misstanden bestaan, maar hoewel het hier en daar wel het geval kan zijn, globaal genomen hebben de dieren een optimale verzorging al was het alleen al vanwege de directe repercussies. De boer is gebaat bij gezonde dieren, niet bij zieke en wrakke dieren en hij kan zich derhalve geen enkele verwaarlozing permitteren.
De vraag blijft levensgroot overeind staan of die kippen, die vroeger op de rommelige mestvaalt hun kost moesten zoeken, gebrekkig waren' gehuisvest, leden aan alle mogelijke ziekten, zich zoveel beter gevoelden dan de tegenwoordige dieren in hun funktionele ruimten met wel duizenden en duizenden bij elkaar, maar met een prima voeding, voorzien van goed drinkwater en in een behagelijke temperatuur.
Dezelfde beschouwingen zouden we ook voor de varkenshouderij kunnen houden. Het idealiseren van vroegere toestanden moge dan goed zijn om romantische gevoelens te strelen, maar de werkelijkheid is zoveel anders.
De leefwijze van de mens is ook enorm veranderd, de wijze van wonen, de eetgewoonten zijn gewijzigd en afgezien van het mentaliteitsbederf welke de welvaart heeft teweeggebracht zullen er toch weinig mensen zijn die terugwillen naar de vroegere, primitieve levensomstandigheden.
De kritiek op de toegepaste produktiemethoden is dan ook niet altijd gefundeerd. De tegenstanders van de moderne intensieve veehouderij zijn te verdelen in twee categorieën:
a. een primaire, wiens mening men niet behoeft te delen, maar die om haar oprechtheid te respecteren is.
b. een secundaire, welke geen respect verdient omdat deze eerder wil profiteren dan dienen.
De bezwaren tegen de intensieve veehouderij, en met name die tegen wreedheden, welke jegens de dieren bedreven zouden worden, komen niet altijd volgens de lijnen der logica tot stand.
Van de primaire tegenstanders is een onderverdeling mogelijk in emotionele dierenbeschermers, warm van hart, maar dikwijls niet al te goed op de hoogte van de feiten waartegen zij hun bezwaren richten, en geleerden, onderzoekers e.a. die vooral bezwaren hebben tegen de invloed van de intensieve veehouderij op het milieu.
Tot de secundaire groep van critici behoren diegenen die brood zien in het bestrijden van deze wijze van veehouderij. Politici die er stemmen mee hopen' te winnen, journalisten die er hun kranten beter door zien verkopen, jonge reactionairen of revolutionairen die er het kapitalisme mee willen aanvallen en allerlei andere soorten carrièrejagers.
Beide groepen zijn betrekkelijk klein, maar vooral de secundaire groep past echter effectieve methoden van hersenspoeling toe, zonder regels voor eerlijkheid of respect voor de waarheid.
De kritiek ontstaat door doodgewone onwetendheid en dat is de hoofdoorzaak van de spanning welke er ontstaan is tussen de technische mogelijkheden in de intensieve veehouderij en de ethiek.
Bovendien wordt door het toedichten van menselijke eigenschappen aan het dier, de onwetendheid nog flink geholpen. Het onnadenkend ontkennen van ieder verschil tussen mens en dier, wat hun eisen inzake aardse en geestelijke genietingen betreft, zal nog lang een hindernis zijn op de weg naar een algemeen begrip voor de moderne dierlijke produktie. Opinievormers in pers en ether vormen op dit gebied hun grootste triomfen met hun onverzoenlijke banvloeken en hun aan martelkamers van vroeger en nu ontleende vergelijkingen.
Logisch denken is er niet altijd bij. Zo kan men wreedheden aanvaardbaar maken als ze maar eeuwenlang zijn toegepast of als maar weinig dieren ze ondergaan, maar men keert zich er fel tegen als ze nog niet eerder zijn voorgekomen of op grote schaal worden toegepast. Logisch geredeneerd is het verdrinken van een paar jonge poesjes niet minder wreed dan het verdrinken van tienduizend eendagskuikens. Mensen die het op conventionele wijze slachten van runderen rustig accepteren maken vergelijkingen met nazi-gaskamers om hun afgrijzen' te uiten over pluimveeslachterijen waar aan de lopende band dezelfde methodes worden toegepast.
Om de verhouding met het publiek weer in betere banen te krijgen zou het volgende moeten gebeuren:
1. Kritiek is waard aangehoord te worden. De overheid, wetenschappelijke instituten en industrie dienen steeds kritisch onderzoek te doen naar de produktiemethoden.
2. Het publiek dient beter geinformeerd te worden over het gehele scala van mogelijkheden en resultaten.
3. Op acceptabele wensen van het publiek zouden internationale aanbevelingen opgesteld dienen te worden voor produktiemethoden die het welzijn van de dieren begunstigen.
4. Door het voorschrijven van Staatsvoorschriften excessen voorkomen en' eventuele overtreders vervolgen.
5. In de studies ook het gedragsonderzoek van dieren te betrekken.
Ziehier in enkele hoofdlijnen het probleem van de „intensieve veehouderij". Wat is nu de houding van de kerk en de Christen in deze? Vastgesteld dient te worden dat alle leed, ook van ziekte en dood, door de mens zelf is veroorzaakt, eeuwen geleden in het paradijs door de zondeval. Nu heeft het dier niet gezondigd, maar moet lijden vanwege de zonde van de mens. Immers het ganse aardrijk is vervloekt. De mens en alle hogere diersoorten hebben een bijzonder goed ontwikkeld zenuwstelsel wat pijn en andere gevoelens heel goed waarneemt, dit in tegenstelling tot planten welke ook leven, groeien, enz. maar deze waarnemingen niet kunnen doen, laat staan er op reageren.
Dus wetende dat alle leed door de dieren wordt waargenomen en gevoeld, dat de oorzaak daarvan niet de schuld is van het. dier maar van de mens zelf, dan dienen we toch wel zorgvuldig met het ons toevertrouwde vee om te gaan. Wanneer een dier zou lijden zou dit tot direkte schuld van de eigenaar moeten worden, dit tot heil van zowel de mens als het dier. Wanneer men zo tegenover het toevertrouwde vee zou staan dan bleven er weinig problemen over. Ook dient niet uit het oog verloren te worden dat. voor voldoening van de zonde bloed nodig was, en wel het bloed van de Zoon van God, de Heere Jezus, de Borg, de Middelaar. In de oude bedeling moesten diverse soorten offers gebracht worden, waarvoor in de meeste gevallen bloed noodzakelijk was, dus de dood van een dier.
Met één haal werd de hals met een vlijmscherp mes afgesneden, dit om de pijn minimaal te doen zijn. Een bot mes, of enkele halen op en neer was verboden. Hetzelfde zien we nu nog in enkele grote slachthuizen in ons land, waar volgens Israëlische Oud-Testamentische riten geslacht mag worden. Hierin zien we tevens dat, indien het noodzakelijk is, de pijngevoelens tot een minimum moet worden teruggebracht. Alles wat de mens hier op aarde als zijn bezit mag aanmerken is te beschouwen als geleend goed. Dus alles is van een Ander, de Grote Eigenaar van hemel en aarde, en ook daarom is het taak om hiermede zo zorgvuldig als maar mogelijk is om te gaan. Van alles wat we gedaan hebben zullen we eenmaal rekenschap af moeten leggen, hetzij goed, hetzij kwaad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1975
Daniel | 20 Pagina's