ALARM OP EN OM DE BOERDERIJ - 4
Ze hebben alle hoeken en gaten doorzocht, maar de deel en de stal waren te open om iets te kunnen verbergen. Twee Duitsers staan bij de achterdeur, de vier die de andere deur in de gaten houden, hebben zich wat verspreid. Ze hebben zich zo opgesteld, dat ze met hun geweren het hele erf en de voorkant van de boerderij bestrijken. Ze doen dit beslist niet voor de eerste keer.
Vrouw Versteeg zet drie kopjes surrogaatkoffie op tafel. „Ook één? " vraagt ze de onderofficier. Deze kijkt verwonderd. Meent die vrouw dat? Zwijgend schuift Riens moeder een kopje naar de Duitser. Is het verbeelding, of klinkt zijn stem minder bars als hij zijn mannen gelast het hele huis te doorzoeken?
Het Wilhelmus
Diep weggedoken onder afgevallen bladeren en takken ligt Jack ingespannen te luisteren. Na het schot en het korte geroffel van de mitrailleur in de verte, was het stil gebleven. Toch was hij niet uit zijn schuilplaats gekomen. Er viel wat lichte sneeuw, die langzaamaan een dun laagje vormde op de takken van de bomen en op de droge bosgrond. Hij kon beter blijven waar hij was. Zijn horloge wees aan dat het halfelf was. Hij zou wachten tot kwart voor elf en dan voorzichtig rondkijken. Er was misschien wel een betere schuilplaats.
Wat wat is dat nu? Behoedzaam duikt hij nog dieper weg, ervoor zorgend dat er geen blad ritselt en geen takje kraakt. Ja, hij heeft zich niet vergist, er klinke doffe voetstappen en een geknerp van wielen. Jack is tot het uiterste gespannen. Het geluid van de voetstappen en het geknerp van de wielen wordt duidelijker. Hij bemerkt nu dat er maar één mens aankomt. Vlak bij zijn schuilplaats staat die persoon stil. Jack hoort wat onduidelijk gemompel, dan het geluid van blokken hout, die ergens in worden gegooid. Ja, voor hij in dit bosje dook, had hij vaag een stapel houtblokken gezien in een kromming van het smalle wegje. Wie zou daar aan het hout laden zijn? Een Duitser? Vast niet. 't Zal wel iemand uit de buurt zijn hier. Zou hij het wagen te voorschijn te komen? Zou hij Plots houdt hij zijn adem in. Hoort hij het goed? Tussen het gestommel van de vallende blokken, klinkt de melodie van het Nederlandse volkslied. De persoon die zijn karretje vol hout laadt, fluit zachtjes het Wilhelmus. Jack voelt een rilling over zijn rug gaan, zijn hart klopt ineens veel sneller dan normaal. Het Wilhelmus!! Niet al te behoedzaam werkt hij zich vanonder de bladeren en takken vandaan. „Hello", zegt hij duidelijk, het gefluit houdt abrupt op. Een jongen van een jaar of dertien kijkt verschrikt in de richting van de stem. Van verbazing gaat zijn mond open. Twee houtblokken vallen uit zijn krachteloos geworden handen en ongelovig staart de jongen de plotselinge verschijning aan. „Hello, " zegt Jack nogmaals „how are you? ”
De ogen van de jongen beginnen te stralen'. „Hello, " brengt hij er met moeite uit. „Wie who ben you? "
Waar is het hout?
Over het kronkelige bospad holt een jongen. Z'n gezicht ziet vuurrood, z'n ogen schitteren. Wat zal vader opkijken! Hij legt er nog een stapje op. Als hij aan de bosrand komt, staat hij even hijgend stil. Over de velden komt een grauwe mist aankruipen. Hij kijkt even' om. Zijn voestappen zijn duidelijk te zien op het zuiverwitte sneeuwlaagje.
Wat een ontmoeting was dat! Hij heeft Jack zo duidelijk mogelijk gezegd, dat hij hulp ging halen. Wat is dat moeilijk om Engels te praten. Nou had hij op de M.U.L.O. zoveel woordjes geleerd en hij kon er zich bijna geen één meer herinneren. Maar dit begreep Jack, hij moest niet te voorschijn komen, voor hij geroepen werd, hoe lang het
ock zou duren, eer Rien terug kwam. Zo, hij is wat uitgerust, gauw op huis aan en vader alles vertellen.
Als Rien vlak bij de boerderij is gekomen, staat hij verschrikt stil. Duitsers! Hij wil zich omdraaien, maar een gebiedende stem roept: „Du Jungen, komm' mal her!”
Schoorvoetend geeft Rien gehoor aan dit bevel. Hij wordt door de soldaat naar de keuken geleid. Vader, moeder en Mieke kijken hem verschrikt aan. Boven hun hoofd is gestommel en gebonk. Rien is heel erg geschrokken. Zijn rede kleur is weg. Kleintjes kijkt hij naar de onderofficier, die bij het fornuis staat.
„Was machen Sie? " vraagt de sergeant aan de soldaat.
„Diese Jungen wollte zurückkehren beim Hause" legt de soldaat uit.
„Gut, Sie können gehen.”
De soldaat draait zich om en verdwijnt. hakkenklappend
De sergeant vraagt Rien wie hij is en als hij hoort dat hij de zoon des huizes is, zegt hij argwanend: „Warum wollst du zurück? ”
Rien haalt de schouders op. Ja, waarom? Het was een reflexbeweging. Hulpzoekend kijkt hij naar zijn vader. Deze knikt hem bemoedigend toe.
„Nah, " zegt de Duitser ongeduldig, „sagen Sie etwas.”
Hakkelend legt Rien uit, dat hij hout gehaald heeft in het bos en dat hij schrok van de soldaten.
„Holz? " vraagt de sergeant, „wo ist das denn? ”
Rien schokt van schrik. Het hout! Dat staat nog in het bos. De tranen springen hem in de ogen.
„Ik ik ben het ver vergeten, " stottert hij.
„Warum" bijt de sergeant hem toe. „Ik, ik weet het niet, " huilt Rien. Het wordt heel stil in de grote keuken. Moeder zou wel op haar jongen toe willen vliegen, maar ze durft niet. Vader knijpt zijn handen tot vuisten en Mieke kijkt met grote verschrikte ogen naar de snikkende Rien. De sergeant brengt een fluitje aan zijn lippen. Neg geen vijf tellen later stormen zijn mannen de keuken binnen. „Nicht länger suchen!" buldert de onderofficier hen toe. „Wir gehen fort. Der Jungen geht mit!”
„Sla hen met verblindheid" In de ruime keuken is het heel stil geworden. Versteeg was opgesprongen toen de sergeant brulde dat Rien met hem mee moest. Ruw was hij teruggeduwd in zijn stoel. „Wir kommen zurück" had de Duitser hem toegeschreeuwd en onder de vreselijkste bedreigingen was hij vertrokken.
Nu zit Versteeg als verslagen bij de tafel. Moeder snikt zacht en Mieke rollen de tranen over de wangen. En boven in de schuilplaats stijgt de spanning. Waarom is het ineens zo stil geworden? Waar zijn de Duitsers gebleven? Met ingehouden adem hadden Arie en Henk het gebonk en gestommel gehoord. Het kwam al dichterbij. Ruwe stemmen klonken dooreen, er werd gegooid en gesmeten. Stil, doodstil zijn ze blijven zitten, hopend en biddend dat de soldaten hen niet zullen vinden. De spanning steeg ten top toen ze de kastdeur hoorden piepen. „Nein, nichts, " hoorden ze zeggen en met een smak werd de deur weer dichtgegooid. Toen hadden ze vaag het geluid van een fluitje gehoord en vlak daarop hollende voetstappen en toen stilte. O ja, buiten' was nog even geschreeuw en geroep geweest, maar nu was het zo stil, zo angstig stil geworden. Zouden de boer en zijn gezin weggevoerd zijn? Wat moeten ze doen? Ze kunnen nu niet één, twee, drie uit hun schuilplaats komen. Eerst moeten de borden, kopjes en tijdschriften weggehaald worden en de kastplanken er uitgehaald.
„Stil eens, " fluistert Henk plotseling, „ik hoor iets.”
De kastdeur piept en een bekende stem zegt: „Arie, Henk, jullie moeten nog blijven waar je bent hoor." En dan vertelt Versteeg wat er beneden gebeurd is. „Ze komen terug zei de sergeant.”
„En Rien? " vragen de onderduikers. „Rien is in Gods Hand" zegt de boer vast. „Waarom hij het hout vergeten is en zo hard naar hier is gehold weet ik niet. Maar ik vermoed, dat hij de vierde man uit het vliegtuig, dat vannacht neerstortte, gezien heeft en dat wilde vertellen. Ik heb hem aan de Heere opgedragen, jongens en gevraagd of Hij de vijand met verblindheid wilde slaan. Jullie kunt het niet zien, maar God heeft mijn gebed al verhoord. Er is zo'n dikke mist opgekomen, dat het onmogelijk is nu het bos in te gaan zonder te verdwalen. De Duitsers zullen wel op hun schreden terugkeren vermoed ik. Ze kunnen nog niet bij de
bosrand zijn en als ze veilig op hun basis terug willen' keren, zullen ze over enkele minuten' hier zijn. Houd je maar goed jongens, ik denk niet dat ze nog verder zullen zoeken.”
Versteeg gaat naar beneden en hij is nog maar net in de stal, als hij de Duitsers het erf op hoort komen. Vloekend en seheldend op de mist, die hen belet het bos in te gaan, pakt de sergeant ongevraagd de telefoon. Hij meldt zich en na een kort gesprek met zijn commandant smijt hij de hoorn neer.
„Du, Kerl, " snauwt hij tegen Rien, „dumme Hund.”
„Schnell, " blaft hij zijn mannen toe en voor Versteeg begrijpt wat er aan de hand is verdwijnen de Duitsers één voor één in de dichte mist.
De parachute
In de kamer van de Duitse commandant staat een man. Hij heeft een groot pak onder zijn arm en zijn ogen kijken de commandant triomfantelijk aan. In één van de revers van zijn jas steekt een klein driehoekig speldje met in iedere hoek een letter, een N, een S en een B. Zijn glimmend gepoetste laarzen stijf tegen elkaar, zijn rug kaarsrecht staat hij daar voor de nors kijkende Duitse Ortskommandant. Stralend overhandigt hij hem het pak, dat hij bij zich draagt. Het is een slordig opgevouwen parachute! , , Die heb ich gefunden, " zegt hij triomfantelijk. De ogen van de commandant vernauwen zich even. „Wo? " vraagt hij kortaf. En dan volgt er een' ietwat verward verhaal. Hoe hij hout ging halen in het bos een kleine tien kilometer ten zuidoosten van het vliegveld en hoe hij toen onder takken en bladeren deze parachute vond.
„Wie spat war das? " vraagt de commandant.
„Was belieft u? ”
„Wenn, waanneer war das!" Ah, nou begrijpt de kerel het. „Urn negen Uhr.”
De commandant wordt rood van kwaadheid. Om negen uur en nu is het bijna half één! Net als de man wil uitleggen' waarom hij niet eerder is gekomen gaat de telefoon. Er volgt een gesprek waar de N.S.B.-ër niets van begrijpt. Hij ziet wel, dat de commandant niet bepaald in een goed humeur is als hij de haak neerlegt.
„Sie können gehen", snauwt de Ortskommandant hem toe.
„Was belieft u? ”
„Sie können gaan" blaft de Duitser. „Maar, maar ", protesteert de kerel, „maar ich”
De commandant drukt op een knop. Nog geen twee tellen later meldt zich een soldaat. „Nimm den Kerl mitt, " gebiedt zijn meerdere. De soldaat volgt het bevel letterlijk op en pakt de man bij zijn arm en duwt hem de deur uit.
In een hoek van de kamer, achter een groot bureau, zit een' jongeman ijverig te schrijven. Er twinkelen pretlichtjes in zijn ogen. Hij heeft het hele toneeltje met verholen plezier en diep leedvermaak gevolgd. Kwam die vent even op de koffie. Hij laat zijn pen rusten en kijkt naar de commandant. Deze zit met gefronst voorhoofd voor zich uit te staren.
„Jan.”
„Jawohl Herr Kommandant.”
„Ich gehe fort und bin etwa zwei Uhr wieder zurück.”
„Jawohl Herr Kommandant.”
Jan staat op om de deur open te doen. De Ortskommandant aarzelt even.
„Wenn der Kerl zurückkommt, schliessen Sie die Tür, ja? ”
„Jawohl Herr Kommandant.”
„Der Dummkopf, " mompelt de Duitser nog, terwijl hij de gang instapt.
Een minuut later draait Jan de sleutel om en grijpt de telefoon. Hij draait een nummer. „Hallo Bart, nummer vier is nog niet gevonden. De sergeant die naar hem op zoek is, is teruggeroepen en als de mist is opgetrokken, moet hij het bos ten zuiden van de boerderij doorzoeken. Heil Hitier.”
Grinnikend legt hij de hoorn op het toestel. Zo, dat is ook weer geregeld.
Fluitend gaat hij aan het werk.
Wat zoeken die mannen?
Door de donkere avond lopen twee mannen. Ze praten niet met elkaar en zoeken voorzichtig hun weg in het nachtdonkere bos. De mist is bijna geheel opgetrokken. Donkere sneeuwwolken drijven door de lucht. Er kraakt geen takje onder de voeten van de beide mannen en hoewel ze heel behoedzaam te werk gaan is aan hun houding goed te zien, dat ze geen ogenblik aarzelen of weifelen cm voort te gaan.
(Wordt vervolgd)
Papendrecht. Mej. J. W. v. d. Berg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1974
Daniel | 32 Pagina's