JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

„THOLA, JAïR EU DE TIJD VOOR JEFTHA”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„THOLA, JAïR EU DE TIJD VOOR JEFTHA”

HET BOEK DER RICHTEREN (12)

8 minuten leestijd

Thola

Na de verschrikkelijke jaren onder Abimelech roept God Thola om Zijn volk Israël te leiden en de vrede en welstand te herstellen. De HEERE gebruikt daartoe het onedele, het verachte. De naam Thola betekent worm! Deze Thola kcrnt uit de stam van Issaschar, een van de allerkleinste stammen. Hij vestigt zich te Samir op het gebergte van Efraïm, dus in het centrum van het land. Gedurende drie en twintig jaren mocht hij Israël richten.

Jaïr

Na Thola reept de HEERE Jaïr, uit de landstreek Gilead, gelegen aan de oostelijke oever van de Jordaan. Hij wordt de eerste richter in het overjerdaanse. Uit het 4e vers van het 10e hoofdstuk blijkt dr.t deze Jaïr een welgesteld man was. Het is best mogelijk dat hij zijn vele zoons, die op ezelveulens reden (teken van welstand en aanzien) het land doorzond om zijn boodschappen over te brengen of in zijn naam recht te spreken. Twee en twintig jaren richtte hij het volk. Gods woord spreekt tijdens het richterschap van Thola en Jaïr niet van buitenlandse vijanden. Deze richters hebben met Gods hulp Israël behoed voor burgertwisten en ondergang, waarmee het steeds door de afgoderij werd bedreigd. Zij hebben het volk geleid in de rechte wegen des Heeren. Het was een tijd van vrede en voorspoed.

.....en Hij verkocht hen in cle hand der Filistijnen en der kinderen Ammons”

Na de dood van Jaïr komt er een afschuwelijk verval, erger dan ooit te voren. Behalve de mannelijke afgod Baal (er staat Baalim — meervoud; heel het land door v/aren die afgodsbeelden te vinden) en de vrouwelijke godin Astarte (weer meervoud, Astaroth!), dienen de Israëlieten' ook de goden van Syrië, van Sidon, van Moab, van de Ammonieten en van de Filistijnen........

Het oude bondsvolk maakt het nog erger dan cle heidenen zelf. Die verlieten hun eigen' afgoden niet. Maar Israël schijnt niet anders te doen dan afgoden te importeren. Er zullen wel afgodspriesters meegekomen zijn en Israël zal wel schatten naar die buitenlandse tempels hebben laten brengen.

Heel Israël heeft aan deze grote afval van de HEERE meegedaan. Als wij de namen van bovengenoemde volken bezien, dan heeft Israël de afgoden uit al de omliggende volken geimporteerd. Uit het oosten, noorden, zuiden' en westen.

Welk een smart voor de getrouwe en goeddoende Verbondsgod: „Israël verliet, Mij en Mijn geboón, 't heeft zich and're goön, tot haar lust verkoren". Ach. de gevallen mens heeft geen lust om de Heere te vrezen. Er is een verlaten van Hem met een altijddurende afwijking.

Zelfs nadat men' door de Heere begenadigd is, is Gods kind tot hinken en tot zinken ieder ogenblik gereed. Het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet, en het kan ook niet.

Is het wonder, dat wij dan nu ook lezen: „en Hij verkocht hen in de hand der Filistijnen en der kinderen Amraons"? Het is Gods straffende hand, maar ook Zijn tuchtigende hand, welke het behoud van het verloren Israël op het oog heeft.

„....gaat heen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt....”

Van alle kanten komen nu de vijanden binnenvallen. Israël wordt zowat verpletterd} het wordt hen zeer bang (v. 9). Dan, in de nood, komt er een begin van inkeer. Zij gaan tot God roepen en schuld belijden: „Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baalim gediend hebben”.

V/ij zouden nu verwachten dat de Heere aanstonds zou horen, nietwaar? Wellicht is er onder onze jongens en meisjes ook wel een, die schuld belijdt en toch even bezwaard van hart blijft en de Heere niet vinden kan en geen verhoring ervaart.

Waarom is dat? Wel, omdat de Heere gaat afsteken naar de diepte. Alleen in een vernederd en verbrijzeld zondaarshart wil Hij Zijn genade heerlijk doen schitteren.

De Heere zet een mens er eerst buiten!

Maar zie dan, op welke wijze de Heere dat doet. In de verzen 11 en 12 gaat Hij Israël al Zijn goedheid in herinnering brengen. Verloste Hij Israël niet uit vele benauwdheden?

Dit is de wijze waarop de Heere stenen zondaarsharten wil verbreken. Hij brengt Zijn goedheid in herinnering en daardoor zal een diep zielsberouw ontstaan over het doorbrengen ervan. Waar de Heere door Zijn woord en Geest aan onze ziel vraagt: „O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan en waarmee heb Ik u vermoeid, betuig tegen Mij", daar verbreekt ons hart en vloeien de tranen van liefdesmart over de zonde.

En dan komt de beschuldiging (v. 13): gij hebt Mij verlaten. O, wat een smart brengt de Heere hiermee tot uitdrukking: Mij verlaten; Ik, Die u goed deed en uw welzijn zocht. Dat verbreekt het hart. Gezondigd tegen Gods liefde!

Maar dan komt ook de rechtvaardige straf. „Ik zal u niet meer verlossen" (v. 13b). Hij meet het schuldige Israël nu verstoten. God zal de schuldige geenszins onschuldig houden. En zo wil de Heere gaan afrekenen in het hart van de zondaar, dat tot Hem begint te roepen. Dan komt er een ogenblik, dat Hij laat weten en gevoelen dat wij Zijn toorn verdiend hebben en geen gunst meer waardig zijn. Ik zal u niet meer verlossen!

Hoor Hem nu zeggen in vers 14: „Gaat heen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laat die u verlossen ten tijde uwer benauwdheid”.

Natuurlijk weet de Heere wel, dat die afgoden niet verlossen kunnen. Toch zegt Hij het zo. En zo kan Hij ook tot ons zeggen, als wij geleefd hebben naar de begeerlijkheden van deze wereld en ons geluk buiten God gezocht hebben: Zoek daar nu maar uw geluk. Nu komt u wel eindelijk tot Mij, maar u hebt de maat der zonde vol gemaakt. Zoek uw verlossing maar bij uw afgoden, die u bemind hebt; maar Ik zal u niet meer verlossen. Gaat heen! Dus in plaats dat het schuldbelijdende volk verhoring ontvangt, wordt het weggezonden.......

„....toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël....”

Gaat heen! Wat een woord was dat. Toch, zelfs dit ogenschijnlijk harde woord, is ingegeven door Gods liefde. Al Gods weldaden hadden bij Israël niet tot bekering geleid. Tenslotte was er nog maar één weg open, n.1. het strenge woord: „Gaat heen, Ik zal u niet meer verlossen”.

Jonge vrienden, de Heere heeft een doel met dit „afsnijdende woord". En Hij bereikt het ook; want ook zo'n woord zal voorspoedig zijn in hetgeen' waartoe Hij het zendt. Het dient om de mens diep te verootmoedigen, zodat zalig worden een groot wonder wordt.

In vers 15 lezen wij nu: Maar de kinderen Ioraëls zeiden tot de HEERE: Wij

hebben gezondigd; doe Gij ons naar alles wat goed is in Uw ogen.

Zie je nu; hier is het buigen onder God, het vallen onder Gods recht, maar daartoe getrokken door Gods liefde, al waren Zijn woorden nog zo scherp! Zo legt de zondaar het hoofd op het blok en hij stamelt: Heere, ik heb U verlaten, ik heb de eeuwige duisternis verdiend; ik ben het met U eens.

Jonge vrienden, kennen wij dit zoete buigen onder God, als een werk van de Heilige Geest? Alleen zo wordt een zondaar getrokken tot Jezus offer.

Dit buigen onder God gaat evenwel gepaard met een diep zielsverlangen. In het slot van vers 15 lezen wij: „alleenlijk verlos ons toch te dezen dage”.

Onthoudt, dat op de bodem van het verbroken en buigende zondaarshart toch een diep verlangen naar de Heere ligt. Vandaar dat hartelijk smeken: Och, de Heere mocht Zich wenden. Het hart kan niet meer zonder Hem.

Dit alles gaat echter ook gepaard met een andere werking van Gods Geest. De Geest gaat de liefde tot de zonde uitbranden. De oprechtheid der schuldbelijdenis en het zoeken der genade zal namelijk ook blijken uit het verlaten van de zonde.

„En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden de HEERE" (v. 16a). Zie je, de zonde moet eruit. In de waarachtige bekering wordt de zonde en de zondigheid van ons hart de grootste last. Wie waarlijk tot God bekeerd wordt kan niet langer meer met deze wereld achter de afgoden van zinnelust aanlopen. Er valt een onherroepelijke scheiding.

En nu het wonder

„Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël” (v. 16b).

De Heere is met innerlijke ontferming bewogen. Hij ziet dat buigen' onder Hem, dat hartelijk schuldbelijden, dat wegdoen van de afgoden uit hun leven en dat zuchten en kermen onder de verdrukkers.

Geen vader sloeg met groter mededogen De Heere gaat Israël toch weer een richter geven. Dat zal Jeftha zijn.

Stapt God dan zomaar over de zonde heen? Zegt Hij het ene ogenblik: Gaat heen!, om dan later te zeggen: vooruit dan maar, Ik gedenk uwer zonde niet? O neen. God is rechtvaardig. Hij straft de zonde, maar o onuitsprekelijk wonder in het Lam dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld. De zoon van God is ook geworden Zoon des mensen. Jezus is Borg geworden voor Zijn schuldig volk. Welnu, op Hem ziet God de Vader en dan baant de goddelijke liefde zich een weg naar het arme zondaarshart. „Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël”.

Jonge vrienden, wie in het stof ligt neergebogen, wordt door Hem weer opgericht. Het hart van de Drie-enige God is met innerlijke ontferming bewogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1974

Daniel | 20 Pagina's

„THOLA, JAïR EU DE TIJD VOOR JEFTHA”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1974

Daniel | 20 Pagina's