ALARM OP EN OM DE BOERFERIJ – 3
Even hoor je niets dan het zachte geruis van de melk in de zinken emmer. Maar Rien kan niet lang zijn mond houden. „Vader, waarom komen Arie en Henk niet? ”
„Het is beter, dat ze boven blijven jongen, we kunnen bezoek verwachten.”
„O en Mieke? ”
„Die loopt geen gevaar. Ze zoeken de bemanning van het vliegtuig en niet een ondergedoken Jodenmeisje.”
„Vader, als er nou eens zo'n vliegenier bij ons zou aankloppen om bescherming, zou u hem dan helpen? ”
Vader gaat even verzitten. Daar vraagt die jongen hem wat! Hij kucht, maar dan klinkt vastberaden zijn stem: „Natuurlijk jongen.”
Rien zegt niets meer, maar als hij met zijn volle emmer naar de grote melkbus loopt, blijft hij even bij zijn vader staan.
„Bent u nou nooit eens bang? ”
Boer Versteeg kijkt zijn zoon vriendelijk aan. „Ja, soms ben ik bang, heel erg bang. Als ik aan je moeder denk en aan jou, dan zeggen ze van binnen, dat ik een grote waaghals ben. Dat ik jullie leven in gevaar breng. Maar Rien, het is geen waaghalzerij van me hoor. Ik kan niet anders. De Duitsers zijn onze vijanden, en hoewel ons land de straf, die de Heere over ons brengt verdient, daarom hoeven we niet lijdelijk toe te zien hoe die vijand onze jongens dwingt om voor hem te werken. Dan mogen we niet zeggen: „Och, die Joden hebben' het verdiend, ze hebben erom gevraagd." En jongen, als dan de angst me bekruipt, clan doet de Heere me wel eens van mezelf afzien. Dan mag ik bij Hem schuilen, met al m'n bangheid en al m'n vragen. Dan mag ik jullie wel eens bezitten als nietbezittende. Dat maakt me niet onverschillig of roekeloos hoor. Maar dan durf ik Mieke, onze Mirjam, dat opgejaagde Jodenkind gerust een' plaatsje in ons huis te geven. Dan durf ik Arie en Henk te laten onderduiken hier.”
Boer Versteeg staat op. De stallantaarn werpt z'n zachte licht over de glanzende kceienlijven. Er is iets, Rien kan het geen naam geven, er is iets zo fijns nu in de stal, zo nee, hij weet het niet hoe hij het zeggen moet. Maar zijn vader is nou net een grote broer van hem.
„Rien', kijk me eens aan." Versteeg legt z'n beide handen op de schouders van zijn zoon. „Bij alles wat je doet jongen, moet je eerst vragen of het niet tegen Gods Wil is. Dat is moeilijk, heel erg moeilijk, kerel. Maar als de Heere vrede geeft in je hart, op een besluit, dat je eens nam, ga daar dan nooit aan tornen hoor." 't Blijft even stil. „Kom, nog twee koeien,
dan zijn we klaar. Denk je om het hout? Je zult het nu alleen moeten halen.”
Zou....?
Tussen de groenige rechtopgaande stammen van de naaldbomen sluipt een donkere gedaante. Behoedzaam zet hij zijn voeten neer, ervoor zorgend geen takjes te laten kraken. Een schemerig licht valt door de toppen van de roerloos staande dennen en sparren. Het is doodstil in het grote bos. Kleine dansende sneeuwvlokken zweven tussen de takken van de bomen en weten nog niet goed, waar ze zich neer zullen zetten. Een enkel vlokje valt op de groene jas van de man, die zich zo voorzichtig voortbeweegt.
In de verte klinkt een schot. De gedaante staat bewegingloos, houdt de adem in. „Zou " Dan een plotseling gestotter van een' lichte mitrailleur. De man krimpt onwillekeurig ineen. „Zouden zijn vrienden Nee, niet aan denken nu." Als een schim verdwijnt hij in een dicht loofhoutbosje, dat hoewel er geen blaadje meer te bekennen valt, toch een redelijke schuilplaats biedt.
Niet ver van het bosje vandaan, loopt een smal kronkelig zandpaadje. Aan de kant van het kromme wegje ligt een grote stapel hout, dikke en dunne stammetjes en takken, netjes in blokken gezaagd. Even nog bewegen wat takken van het lage loofhout, waar de man in verdween, dan wordt het stil, heel stil in het grote bos.
„Hallo, er zijn er drie gepakt!”
„Hallo, er zijn er drie gepakt!" Boer Versteeg komt net bij zijn beide onderduikers vandaan, als de telefoon zijn schel gerinkel laat horen. „Met Versteeg.”
„Hallo Bart. Er zijn er drie gepakt, nummer vier is nog voortvluchtig. Ze komen jouw richting uit en zijn zo fel als jachthonden. Sterkte.”
De verbinding is verbroken. Nadenkend legt de boer de hoorn op het toestel. Zijn vrouw kijkt hem vragend aan. „Ze hebben er drie vrouw." De boerin knikt kort.
„Komen ze hierheen? " „Ja, Anneke." „Waar is Rien? " „Hout halen in het bos." „Alleen? ”
Versteeg knikt, hij kijkt op zijn horloge. „Hij is al een half uur geleden weggegaan. Ik kan hem niet meer terugroepen.”
Bezorgd kijkt moeder naar buiten. Een lichte nevel kruipt over het weiland. Kleine, dunne sneeuwvlokjes dwarrelen door de grijze lucht. „'t Wordt wat mistig, Bart.”
Boer Versteeg is net zo bezorgd als zijn vrouw. O, Rien kent de weg in het bos als geen ander. Maar wat, als hij de Duitsers in handen loopt. Je weet immers nooit, waar je aan toe bent met cle vijand. Misschien nemen ze hem wel mee en zullen ze hem ondervragen. Hij weet wel niets van de man die nog uit handen van de Duitsers is gebleven, maar hij zou iets kunnen loslaten over de dingen, die op de boerderij gebeuren. Ze zijn zo geraffineerd in hun ondervragingen en Rien is nog maar een kind.
„Bart, zeg eens wat!”
„Eh Rien loopt in geen zeven sloten tegelijk vrouw. De Heere ziet hem ook in het bos, laten we proberen ons vertrouwen in Hem te stellen. Ik zal even de jongens waarschuwen.”
Nog een paar minuten.
Fluitend is Rien op pad gegaan, het karretje, waarin hij het hout zal laden, achter zich aantrekkend. Er is bijna geen wind meer. De lucht is dofgrijs en er dwalen wat vederlichte vlokjes door de lucht. Een witte Kerst misschien. Hij stapt stevig door. Jammer, dat Arie en Henk niet mee kunnen, nu moet hij twee keer lopen. Maar vooruit, niet zeuren. Als hij er stevig de gang in zet, is hij nog binnen het halfuur op de plaats, waar vader en de enderduikers het hout hebben opgestapeld. Hoe zou het met de bemanning van het neergeschoten vliegtuig zijn? Zouden ze ontkomen? Hij weet, d.at er ook in hun dorpje mensen zijn, die proberen om piloten van Engelse vliegtuigen te helpen. Wie dat doen weet hij niet, maar het is nog niet zo lang geleden gebeurd, dat vader vertelde van een vlieger, die uit de handen van de Duitsers ontsnapte en door de ondergrondse is geholpen. Zou vader weten, wie dat gevaarlijk werk doen? Dat kan best, want als Wat is dat? Dat leek wel een schot. O, hoor eens, een mitrailleur. Riens hart klopt in zijn keel. Zouden de Duitsers op de mannen uit het vliegtuig schieten?
Hè, hij is toch erger geschrokken dan hij dacht. Zijn benen beven zo. Zou hij teruggaan? Ach welnee, het klonk zover weg. Trouwens daar is het kromme wegje al. Bij de derde bocht moet hij zijn. Daar ligt het hout. Vlug trekt Rien het wagentje door het zand. Wat loopt dat moeilijk. Zo, de tweede bocht, nog een paar minuten, dan is hij er.
Krijgsgevangen.
Voor de enige deur, die op een smalle gang uitkomt, staat een soldaat op wacht, een geweer over zijn schouder, enkele handgranaten in zijn gordel. Af en toe verwijdert hij zich een paar passen van de verveloze deur. Dan raspen zijn spijkerlaarzen over de stenen vloer en klappen bij elke draai, die hij maakt zijn hakken met een harde klik tegen elkaar. Vijf passen heen, vijf passen terug. Hij heeft het beter dan zijn kameraad, die buiten op wacht staat. Er hangt een kleffe koude mist, die al dikker wordt. Een dun laagje sneeuw bedekt de grijze tegels, waarop de soldaat, die de buitendeur bewaakt heen en weer loopt. Vijf passen heen, vijf passen terug. De heldere witte sneeuw is vies en grauw geworden onder zijn grove laarzen. Links van de deur is een klein raam. Iedere keer, wanneer de soldaat voorbij dat raampje gaat, werpt hij een schaduw over een tafel waaraan drie mannen zitten. Ze hebben khakikleurige jassen aan met dik bont gevoerd. Ze praten zacht met elkaar. Toen ze pas in deze kale kamer waren' gebracht trokken hun ogen steeds naar het kleine raam, waarachter ze regelmatig de soldaat die hen bewaakte zagen voorbijgaan. Zijn hoekige schouders en de loop van z'n geweer verduisterden steeds het. grauwe licht dat door het venster naar binnen viel. Nu hebben ze geen erg meer in hem. Ze hebben maar één naam op hun lippen: Jack! Waar zou Jack zijn? Hij is nog niet gevonden, dat weten ze zeker. De Duitsers die hen een verhoor afnamen, hadden heel graag willen weten, wie het eerst uit het vliegtuig was gesprongen. Net te doen alsof er maar drie mannen in het toestel hadden gezeten, zou dwaasheid zijn. De vijand wist ook hoeveel bemanningsleden een bommenwerper had. Jack was zeker vier minuten eerder gesprongen dan zij, die kort na elkaar het getroffen vliegtuig verlaten hadden. Naar berekening moest hij terecht gekomen zijn in het dichte bos ten oosten van het vliegveld. Maar zou hij zonder hulp van de ondergrondse beweging uit handen van de Duitsers kunnen blijven? Dat betwijlen ze. Het is winter en de bossen zijn open, nu er geen blaadje meer aan de bomen en struiken zit. Het dunne laagje sneeuw dat net gevallen is zal hem verraden. O, ze hopen van harte dat hij de vijand niet in handen valt.
Huiszoeking.
Een groep Duitsers onder leiding van een onderofficier loopt de oprijlaan in van de boerderij van Versteeg. De soldaten houden hun karabijnen in aanslag, ze lopen in een lange rij, de voorste soldaat kijkt links, de man achter hem rechts, de derde weer links. Niets ontgaat hen zo. De onderofficier, het pistool in zijn hand, loopt op de achterdeur toe. Vier soldaten laat hij de voordeur bewaken en de beide grote ramen aan weerszijden in de gaten houden.
Boer Versteeg heeft hen al aan horen komen. Domme kerels om zulke grove laarzen te dragen met die krassende spijkers er onder. Hij kijkt de onderofficier stug aan. Er is een gebed in zijn hart: „Heere, sla hen met verblindheid.”
„Hande hoch!" snauwt de sergeant. Versteeg steekt de handen op. „Wo ist der Engelsmann? ”
„Engelsman? " zegt Versteeg verwonderd. „Wat bedoelt u? "
De onderofficier voelt wel, dat hij wat hard van stapel loopt. „Mittkommen" blaft hij en loopt de deel over naar de openstaande keukendeur. Hij geeft zijn mannen bevel de deel en de stal nauwkeurig te onderzoeken en loopt, zijn pistool in aanslag, achter de boer aan naar binnen. Deze gaat op een stoel zitten en laat voorzichtig zijn armen zakken. De Duitser zegt niets. Bij het fornuis is de boerin druk bezig. Mieke, het Jodenmeisje, zet een paar borden in de kast. Ze komen wat harder neer dan gewoonlijk. Haar handen beven en het hart klopt haar in de keel. Onderzoekend speurt de sergeant rond. Hij houdt zorgvuldig de deur naar de deel in de gaten. Na enkele minuten komen zijn mannen ook de keuken binnen'.
(Wordt vervolgd)
Mej. J. W. v. d. Berg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1974
Daniel | 20 Pagina's