JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

JONGEREN IN ONTWIKKELINGSLANDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONGEREN IN ONTWIKKELINGSLANDEN

13 minuten leestijd

„We kregen schoolboeken, alle geschreven in het Engels en' ze gingen over Engelse leefwijzen en gebruiken. Ook op de middelbare school ging het niet anders.

De studenten moesten alles weten van de eik, de es, de kastanje, en vele andere bomen en planten in Europa. Zonder die kennis kon je geen diploma halen. De planten in de omgeving van onze school, in mijn land Nigeria echter behoefde geen enkele student te kennen.”

Het is alweer enkele jaren geleden dat Raphaël Agoha in zijn boek „Werden we daarvoor christen? " bovenstaande zinnen schreef. Deze schrijver had de onweerstaanbare behoefte om naar de pen te grijpen en te vertellen hoe het was in zijn land toen er nog geen invloed uit het westen' was. Maar ook hoe het was toen die invloed zich liet gelden in de landen van de derde wereld. Ook nu jaren later zijn wij vanuit het westen middels zending en ontwikkelingshulp nog steeds bezig om de onderontwikkelde volken in aanraking te brengen met onze kuituur en onze gewoonten. We richten ons daarbij vaak in de eerste plaats tot de jongeren in deze landen. Wie immers de jeugd heeft, heeft de toekomst! En het is onloochenbaar dat het juist de jongeren zijn die het gemakkelijkst te winnen zijn voor nieuwe gewoonten, voor een ander leefpatroon.

Ook in de bijbel lezen we over het vertellen van onbekende dingen, van verborgenheden aan de kinderen en aan het navolgende geslacht. In onze wereld leven zeer veel kinderen. Meer dan 25% van de wereldbevolking behoort tot de jongere jeugd, terwijl de totale jeugd bijna 50°/« van de wereldbevolking uitmaakt. Deze jeugd behoort tot het navolgende geslacht. En wij hebben de opdracht „de loffelijkheden des Heeren, en Zijn sterkheid en Zijn wonderen die Hij gedaan heeft, te vertellen" (Ps. 78). Het schijnt soms dat christenen op dit punt niet veel meer te vertellen hebben. Agoha maakt ons duidelijk dat het vertellen over onze leefgewoonten en gebruiken de jongeren in de ontwikkelingslanden niet veel helpt.

veel helpt. Onze westerse wereld van nu maakt duidelijk dat onze gewoonten en gebruiken slechts gekenmerkt worden als slechte voorbeelden. Over de Heere en Zijn dienst wordt nauwelijks meer gespreken. Iedere sex-shop getuigt aan het volgende geslacht dat onze wereld in de duisternis leeft. Let op het hart van de mens, en we zullen zien dat het met ketenen ge-bonen is aan de zonde.

En wij ?

Zijn ook wij als jongeren niet vaak gebonden? Gebonden aan de macht van het geld; onze bandrecorder, onze brommer, onze auto. Gebonden aan de macht van de carrière: als we die baan maar hebben, dat diploma hebben gehaald of in het bezit zijn van die akte? Gebonden aan de macht van ons lichaam; nü eens deze jongen en clan dat meisje. Zo zouden we nog veel meer kunnen invullen.

Allen zullen we echter verantwoording moeten afleggen van onze daden en woorden. Laten wij het volgende geslacht — onze leeftijdsgenoten — zien dat de daden in ens leven uit de vorst der duisternis zijn? Er is echter nog uitzicht. Wie naar Gods Woorden leeft zal in de duisternis niet dwalen'. Dan is ons leven te kort om de geweldige daden van de Heere te vertellen.

Aan welke jongeren?

De jongeren in de derde wereld leven a.h.w. tussen twee werelden: tussen de wereld van de oude traditionele samenleving en haar vaste regels en gewoonten, waarbinnen de stam een hechte gemeenschap is; - en anderzijds de wereld van het „nieuwe", waar door het binnendringen van de westerse maatschappij, het onderwijs, de communicatiemiddelen en niet in de laatste plaats

de verkondiging van het Evangelie, in woord en daad, totaal nieuwe waarden en andere wijzen van leven zijn ontstaan.

In Irian-Jaya is dan wel het oude traditionele nog sterk bepalend, omdat de westerse leefgewoonten nog nauwelijks zijn binnengedrongen.

In Midden-en Oost Afrika daarentegen is er door de industrialisatie en de verstedelijking al een „nieuwe" wereld ontstaan. De jongeren bevinden zich hier vaak tussen een verleden dat zij, vanwege haar gewoonten en heidense taboes wantrouwen, en een heden waar zij vreemd tegenover staan, dikwijls niet wetend hoe de waarden en invloeden op een juiste wijze te beoordelen. Het is daarom niet verwonderlijk, gezien de hierboven geschetste situatie dat heel veel jongeren op zoek zijn naar wat hen werkelijk steun en houvast kan geven, naar iets dat werkelijk antwoorden geeft op hun vragen. Nu wordt het hun in dit zoeken naar vastigheid niet gemakkelijk gemaakt, vooral als we zien' hoeveel sekten en geestelijke stromingen een aanval op hen doen.

Gelukkig die jongeren die in aanraking komen met zendings-en ontwikkelingswerk waar gewerkt wordt vanuit de eenvoud en de waarheid van het Woord van God.

Terdege dient beseft te worden dat niet alleen het Woord van God gebracht kan worden zonder aandacht te besteden aan de sociale en lichamelijke noden.

Daar waar echter aan armen het Evangelie wordt verkondigd, de hcngerigen worden gevoed, de zieken genezen en aan onderdrukten recht wordt verschaft, daar gaan jongeren vragen stellen: „Wat zegt het Woord van God over het dagelijks leven? " Wat zegt de bijbel over de arbeid, over de verhouding man-vrouw, jongen-meisje? " Boven alles wordt er ook de vraag gevonden van de pinksterlingen: „Wat zullen wij doen om zalig te worden? ”

Graag wil ik ter illustratie hiervan enkele gesprekken weergeven van onze zendingswerk(st)ers met jongeren waarmee zij in aanraking komen.

Zr. M. v. Moolenbroek, werkzaam op de post Landikma op Irian Jaya in gesprek met Amos, een bijbelschooljongen in Landikma. Amos is getrouwd, zit in de vierde klas van de lagere school, is ongeveer twintig jaar, werkt als huisjongen bij Zr. v. Moolenbroek. Dat betekent door de weeks wat kleine karweitjes doen en 's zaterdags het huis een goede beurt geven.

Zr. v. M.: Amos, ben je blij dat het Evangelie nu in Landikma is? Amos: 'k Ben heel blij dat we nu Allah-Wene (Gods Woord) hebben en niet meer leven als orang-kafir (heidenen).

Zr. v. M.: Wat doe je 's zondags, preek je ook in de kerk? Amos: Vrijdagsmorgens wordt er op de Bijbelschool besproken wie er naar welke kampong gaat. Soms ben ik hier in de kerk bij de strip, soms ben ik in een buitenkampong. Er zijn rond Landikma vijf buiten-kampongs.

Zr. v. M.: Spreek je ook 's avonds nog met de mensen over Gods Woord?

Amos: Als de mensen er zijn wel. We zingen een paar liederen en een bijbelschooljongen bespreekt een kort stukje.

Zr. v. M.: Is er altijd veel belangstelling voor?

Amos: Als de mensen niet ver weg zijn wel. Soms zijn ze naar verre tuinen, daar blijven ze dan ook slapen.

Zr. v. M.: Lees je 's morgens ook in de Bijbel?

Amos: 's Morgens hebben we bijbelschool, dan wordt er een stukje besproken. Daarna ga ik naar de lagere school. Onze strip is nog niet zolang open', daarom is de vierde klas de hoogste klas in Landikma.

Zr. v. M.: Amos, wat is de verste plaats waar je geweest bent?

Amos: Met de nieuwe pendita (dominee) ben ik geweest naar Sentani. De winkels en de auto's vond ik prachtig, maar ik was blij hier weer te zijn. (Amos was de eerste uit Landikma, die mee mocht naar de kust. Jullie begrijpen dat hij veel te vertellen had.)

Zr. v. M.: Wat doe je buiten de school graag?

Amos: Soms als er een wild varken is er achter jagen, voetballen doe ik ook wel. (Als we weten dat er een wild varken is, houden we ons hart vast, we hebben al zo vaak lelijke wonden ervan gehad op de poli).

Zr. v. M.: Binnenkort heb je vakantie Amos (de decembermaand is vakantiemaand) wat ga je dan doen?

Amos: Ik ga een tuin maken en' misschien een keertje naar Apahapsili, familie bezoeken. We moeten zelf voor onze tuinen zorgen omdat we anders

geen eten zouden hebben. Een bezoek aan Apahapsili kost wel veel tijd. Het is ongeveer drieenhalf uur lopen.

Zr. v. M.: Wat ga je straks kopen als weer toko is? (toko = winkeltje). het

Amos: Ik wil graag een lange broek, een vest en dolgraag een zonnebril.

Zr. v. M.: Heb je daar geld voor?

Amos: Nu nog niet, maar straks als de maand voorbij is wel. Ik heb pas van mijn geld nog kleren gekocht voor m'n broer. (Ik leg zelf iedere maand het geld voor hem weg, het gevaar is anders groot dat alles wordt opgemaakt aan goederen).

Zr. v. M.: Amos, denk je straks naar de hemel te gaan?

Amos: (Hij denkt na voordat hij antwoord geeft. Wat een moeilijke vraag cok).

Amos: Ik weet het niet, ik hoop het, als mijn hart recht is.

En dat hopen wij ook, dat hun en ons hart recht is voor de Heere. Dit wensen we alle jongeren toe, dat ze iets van die Liefde in hun hart voelen. Zijn dien'st is immers een liefdedienst!

Hartelijke groeten van Amos en mij.

Dr. R. S.: David, kun je me wat vertellen over je achtergrond en je jeugd?

David: Ik ben geboren 14 oktober 1954 in Ibillia, Igede uit een polygaam huwelijk; mijn vader had vier vrouwen, en behalve mij had hij nog 12 kinderen; ik zelf ben het enige kind van mijn moeder en ik ben de oudste van alle kinderen. Ik ging naar de lagere school in 1961 en na zeven jaar kwam ik klaar, dus in 1967. In datzelfde jaar 1967 werd ik gedoopt in de Methodisten kerk, waarvan ik nu lid ben. Ik besefte voor het eerst Gods goedheid jegens mij, toen ik wat ouder was, n.1. in 1964. Hoewel ik daarvoor altijd al de lessen van de zendingsschool volgde, wist ik voor 1964 nog niet veel van God af, hoewel die lessen natuurlijk niet vruchteloos zijn geweest.

In 1968 begon ik te werken als tuinjongen van zendeling J. Commelin, maar behalve dat ik in de tuin werkte, deed ik veel ander werk in de Bethesda kliniek. Dit jaar deed ik toelatingsexamen voor de „secondary school" (te vergelijken met onze Mavo-Havo), in Oturkpo, in de Westley High School, die onder beheer staat van de Methodisten kerk. Hoewel ik voor dit toelatingsexamen slaagde kon ik niet meteen naar school omdat mijn familieleden niet voldoende hielpen. Mijn vader besloot zijn best te doen en in 1969 kon ik gaan. Aan het eind van deze opleiding in 1973 behaalde ik graad 1 tijdens het examen (wij zouden zeggen: slaagde met lof). Daarna ging ik naar een andere school in Gindiri (vlak bij Jod, d.i. ongeveer 400 km. van Igede af!) voor een cursus van twee jaar; dit deed ik tegen de zin van mijn vader in, hij wilde dat ik al begon te werken.

Na veel gebed, ben ik tot de konklusie gekomen dat ik, als ik dokter zou worden, mijn eigen mensen tot hulp zou kunnen zijn.

Ik ben nu belijdend lid en mocht in 1972 voor het eerst aan het Heilig Avondmaal deel nemen.

Dr. R. S.: Hoe bezie je de toekomst van de zending zoals die gebracht wordt vanuit de Ger. Gemeenten in Nederland en N.-Amerika?

David: Voor zover ik weet en er over oordelen kan, weidt deze zending in Igede op hoge prijs gesteld, omdat het de enige organisatie is die een kliniek en een weeshuis heeft in Igede. Ik weet niet precies hoe de regering er over denkt, maar ik

geloof dat Uw zending tot grote zegen van onze stam zal strekken. Daarom zal de zending door het volk der Igedes altijd op prijs gesteld worden.

Dr. R. S.: Kan de Christelijke boodschap een werkelijke betekenis hebben voor iemand uit jouw stam; kun je daar een voorbeeld van geven?

David: Ik gevoel heel sterk dat de christelijke boodschap een werkelijke betekenis voor iemand kan hebben. Een' ervaring van Gods liefde en leiding in mijn leven is b.v. als Hij antwoordt op mijn gebeden. Ook het feit dat ik het voorrecht heb om verder te studeren zodat ik later mijn volk kan helpen, toont Gods liefde en zorg voor mij.

Dr. R. S.: De jeugd in Nederland heeft andere problemen dan de jeugd hier omdat de omstandigheden zo verschillend zijn; wat zijn de grootste problemen hier voor jonge mensen? Kan de kerk hun daarbij helpen?

David: Een belangrijk probleem in Igede (zowel voor hen die naar school geweest zijn als voor hen die geen enkele school bezocht hebben) is dat ze te veel alcoholische dranken drinken. Een ander probleem is dat velen van hen Gods Woord verwerpen, sommigen eenvoudig weg omdat ze het niet goed begrijpen, anderen omdat ze „geleerd" zijn, boeken gelezen hebben en van „grote leraren" gehoord hebben dat God niet bestaat. De enige manier waarin de kerk hen kan helpen is het Woord van God uit te dragen aan hen en veel voor hen te bidden.

Ook moeten christenen het goede voorbeeld geven: ik zelf rook of drink b.v. ook nooit.

Graag wil ik bij dit vrij unieke vraaggesprek, in die zin dat natuurlijk niet veel Igede-jongeren een universitaire studie volgen, al was het alleen al vanwege de financiële moeilijkheden, enkele opmerkingen maken.

Weinig Igede-jongeren zijn zo serieus als David. Serieus is hij in alle opzichten; hij heeft b.v. zijn zomervakantie geheel in Igede doorgebracht en op de kliniek geholpen met de administratie, waarbij hij dan werkelijk van alles doet: typen, stencillen, helpen met vertalen etc. Ook is hij heel trouw in zijn kerkgaan; hij leidde ook een van onze bijbelstudies tijdens zijn vakantie. Er zijn wel meer Igedes die gestudeerd hebben, maar als ze klaar zijn vinden de meesten Igede toch een te achtergebleven gebied om er te wonen en te werken. Wat deze David Amara betreft hebben we goede hoop dat hij als hij eenmaal klaar zal komen, inderdaad zal teruggaan „om zijn eigen volk te helpen", zoals hij zelf zegt, hetzij als enige dokter hier in mijn plaats, hetzij dat we samen onze schouders onder het werk hier zouden zetten.

Dr. R. Schoonhoven.

Vele andere jongeren uit Kenya, Zambia, India enz., zouden we aan het woord kunnen laten in dit artikel over jongeren in ontwikkelingslanden.

Steeds meer zouden we er van overtuigd worden dat het daar en hier nodig is om het Woord van God door te geven. Mensen mogen dan in de dienst van Gods Koninkrijk een instrument zijn in Zijn hand tot uitbreiding van Zijn Gemeente.

Naast het doorgeven van Gods Woord dient dit Woord ook in praktijk te worden gebracht. Het gaat er in de Bijbel niet alleen om om de waarheid te hebben, maar ook om de waarheid te doen, er in te wandelen. Dan kan het voorbeeld van jongeren in een zendings situatie voor ons beschamend zijn. Wij jongeren die Gods Woord iedere zondag mogen horen en iedere dag in vrijheid mogen lezen, zijn wij niet alleen hoorders maar ook daders des Woords?

J. H. Mauritz.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1974

Daniel | 20 Pagina's

JONGEREN IN ONTWIKKELINGSLANDEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1974

Daniel | 20 Pagina's