JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HET BOEK DER RICHTEREN (11)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET BOEK DER RICHTEREN (11)

6 minuten leestijd

Wij gaan weer verder met de geschiedenis, zoals ons die beschreven is in het 9e hoofdstuk. De vorige maal zagen wij hoe Abimelech zichzelf tot koning had uitgeroepen, hoe het volk God had afgezworen en hoe Jotham, de enig overlevende zoon van Gideon Abimelech had vergeleken met die nutteloze doornstruik, die door domheid en hoogmoed verleid werd tot het koningsschap.

Jotham had voorzegd dat het volk door onderlinge twist tenender zou gaan.

Drie jaar heeft Abimelech inmiddels over Israël geheerst. Vermoedelijk als een despoot. Doch dan gaat God straffen. Zijn molens malen langzaam, maar zeker. God zendt een boze geest tussen Abimelech en de inwoners van Sichem. Die boze geest wordt door God uit de afgrond losgelaten.

God werkt de zonde niet. Maar Hij kan wel de mens aan zijn eigen verderf of aan de duivel overgeven. Dat is toch de partij die de mens in de zondeval koos?

Deze boze geest werkt nu verdeeldheid. Tweedracht zaaien is een duivels kwaad. Het begon in het paradijs: „is het ook dat God gezegd heeft? ”

Het is ook nu een ellendig kwaad met droeve gevolgen. De polarisatie, het op de spits drijven van tegenstellingen, wreekt zich in het maatschappelijke, kerkelijke en familieleven.

Daar richt men zichzelf en anderen mee te gronde. En zoals hier bij Abimelech duidelijk wordt, blijkt de tweedracht een rechtvaardige straf van God op de zonde te zijn.

Er komt een zekere Gaal (zijn naam moet zoiets van walgelijk betekenen). Die stookt de inwoners van Sichem tegen Abimelech op. Het volk is in die dagen met de druivenoogst aan de gang. In plaats dat er lofliederen klinken' tot Gods eer, maken zij liederen voor hun afgod Baal en gaan vol vreugde in die afgodstempel.

Het volk doet zich te goed en als de wijn hen verhit heeft, , gaan zij Abimelech vervloeken. Eerst hadden zij hem tot koning uitgeroepen, maar nu vervloeken zij deze tyran.

Die Gaal maakt van deze gelegenheid gebruik om het volk verder tegen Abimelech op te hitsen en zichzelf als hun aanvoerder tegen Abimelech aan te prijzen. Hij speculeert op hun eergevoel, want hij zegt: zoudt ge niet liever iemand uit het oude geslacht van Hemor dienen? (Kennelijk is bij de doodslag te Sichem door Jacobs zonen Simeon en Levi niet het ganse geslacht van Hemor uitgeroeid). De inwoners van Sichem accepteren dit aanbod. Zij willen zich wel van Abimelech ontdoen. Snoevend zegt Gaal: Abimelech, kom maar op! Vermeerder jouw aantal soldaten maar! Zo werkt hij op de hoogmoedgevcelens van de inwoners van Sichem. Hij is een demagoog.

Maar hij wordt door Abimelech verslagen.

De overlevende inwoners van Sichem denken dat Abimelech het na deze afstraffing het er wel bij zal laten zitten. Zij gaan weer rustig naar hun wijnbergen. Zorgeloos. Ach, de natuurlijke mens gaat rustig aan z'n werk, iedere dag, zonder te beseffen dat hij schuld bij God heeft en dat de Rechter voor de deur staat.

Abimelech overvalt hen plotseling en doodt hen. Ook de stad wordt geslagen. Hij maakt er een puinhoop van en overdekt die met een laag zout. Die stad zal voortaan onvruchtbaar zijn!

Vele burgers zoeken nog een toevlucht in de afgodstempel. Baal hun afgod zal hen wel beschermen!

Maar Abimelech legt met zijn mannen takken om de sterke tempel en verbrandt die met vuur. Met hun god gingen de afgodendienaars nu in de vlammen op. De HEERE zegt tot Israël en ons: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

Door zijn successen opgezweept belegt Abimelech nu het plaatsje Thebez. Kennelijk zijn daar ook oproerige lieden. Ook die stad neemt hij in .en' de mensen vluchten in een sterke vesting midden in de stad. In geval van nood moest die bescherming bieden. Er is zelfs rekening gehouden met een eventueel lang beleg, want boven in de toren is een loodzware korenmolen aanwezig. Tussen twee over elkaar draaiende zware stenen werden graankorrels tot meel vermalen. Meestal het werk der vrouwen. Abimelech doet een stormloop op die toren en denkt ook die te zullen innemen. Arme man, hij beseft niet dat dit het einde van zijn leven zal kunnen betekenen. Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan. Zelfs dan denkt hij nog niet aan het heil van zijn ziel, maar geeft zijn knecht opdracht hem dood te steken, opdat niemand later zou kunnen zeggen: een vrouw heeft hem gedood. Zelfs in deze dodelijke ogenblikken heeft de hoogmoed hem nog in de ban. Hier is een consciëntie, die als met een brandijzer is toegeschroeid.

Arme mens, die zichzelf tot zijn dood toe blijft handhaven. Arme mens, die het nooit voor God verliest.

Abimelech sterft. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. O jonge vrienden, wat kunnen wij toch in de weer zijn met onze eer, onze zaken en belangen. Wat kan de vraag vergeten worden: mijn ziel doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

Wanneer deze vraag niet ernstig in ons hart gaat leven, dan worden wij met de dag zorgelozer. Wanneer wij onze bekering uitstellen, worden wij met de dag harder en ongevoeliger.

Helaas, hoe langer wij de Zaligmaker tegenstaan, hoe meer Zijn vermaning ons eens zal beschuldigen: Hoe menigmaal heb Ik u bijeen willen vergaderen, maar gij hebt niet gewild

De Heere heeft geen lust in de dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekere en leve. Smeekt Hem dan om die bekering. Smeekt Hem om Zijn werk door de Heilige Geest in je hart. Smeek toch: bekeer mij Heere, zo zal ik bekeerd zijn.

Na Abimelechs dood keren zijn mannen terug naar huis. Teleurgesteld in hun koning. Het is de desillusie dezer wereld. O wat zal de men's die God verlaat en zijn vertrouwen stelt op de afgoden van deze wereld teleurgesteld uitkomen. Alzo deed God wederkeren Abimelechs kwaad, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende zijn zeventig broeders; desgelijks, al het kwaad der lieden van Sichem deed God wederkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaal, kwam over hen (v. 56, 57).

Al hun kwaad keerde weder op hun hoofd. Het kwaad van het verlaten van de Heere. Het kwaad van die broedermoord en het kiezen van die eerzuchtige Abimelech tot hun koning. Het kwaad van het dienen der afgoden'. Zo strafte God, ook al duurde het dan enige jaren.

Zo zijn zij dan naar Jothams woord, dat als een profetie geklonken had, door wederzijds vuur, door onderlinge twist ten onder gegaan.

Zal dit ook het einde zijn van het mensdom, dat nu het aardrijk bevolkt?

Discussie

1. Bespreek met elkaar het begrip polarisatie en wordt dit als een kwaad beschouwd?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1974

Daniel | 20 Pagina's

HET BOEK DER RICHTEREN (11)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1974

Daniel | 20 Pagina's