DE DICHTER EN DE BIJBEL
Gedichten maken is een kunst. Een dichter die in zijn kunst afhankelijk is van Geel, is een uitzondering onder de dichters. Maar omdat God juist de Schepper is van de kunst, kunnen we iets moois verwachten als de dichter niet kan leven zonder God. Zo'n dichter zal ook niet zonder de Bijbel als levenskompas de reis door deze wereld kunnen maken: Hij heeft God nodig en Gods Woord.
Een dichter die veel uit de goudmijn van Gods Woord putte, is Jan Luyken. Hij leefde in de 17e eeuw. Zijn taal is hier en daar wel wat verouderd, maar de inhoud van zijn gedichten is er niet minder om. De Bijbel is voor hem een bron van inspiratie geweest, een bron waaruit kristalhelder water naar boven komt.
Dat de Heere deze dichter met Zijn genade begiftigde kunnen we zien uit de volgende citaten. Hij wil de lezer laten nadenken over zijn leven.
„Wat brengt des werelds liefde voort? Een korte vreugd, een lange ellende. Ontsluitende een nare poort Wanneer men komt aan 's levens ende.”
Jan Luyken kent de strijd tegen cle wereld in eigen hart en wekt zichzelf en ons op om God te gaan dienen:
„Laat varen alle beuzelingen Van 'I aardsgezinde hart bemind, Wij moeten hoger tonen zingen.”
De Heere Jezus stelt zichzelf in de gelijkenis voor als de Goede Herder, Die dwalende mensen opzoekt in Zijn Liefde en ze op de weg des levens doet lopen. Dit beeld werkt Jan Luyken als volgt uit:
„Wie was het schaapje dat ging dwalen En dolen, buiten spoor en palen, Door 't woeste veld, en wilde woud Zo ver van huis, in vreemde oorden, In prykel (— gevaar) van een wreed vermoorden Wijl zich den Eter (= Satan) daar onthoudt? Ik was het zelf, en ging al verder”.
Dit is het beeld van ieder mens zoals hij geboren is. Door eigen schuld is hij op het pad der zonde terechtgekomen, en als God het niet verhindert, zal hij er eeuwig op verdwalen. Maar God laat een wonder gebeuren:
„Maar Gij, o allergoedste Herder, Hebt mij zo trouwlijk opgezocht En eindelijk met vreugd gevonden, Eer mij de wolf nog haa verslonden, En op Uw schouders thuisgebrocht.”
Nu is zijn leven veranderd. Hij heeft de stem van de Herder in zijn leven gehoord. Nu is het zijn lust en zijn leven clie stem opnieuw te horen. Die goddelijke stem is te horen in Zijn Woord. En daarom vindt het gevonden schaap (jij ook? ) het zo'n wonder dat God nog tot hem spreken wil.
„Nu lust ons naar Uw stem te horen, En na te volgen Uwe sporen”.
De Heere geeft allen clie Hem navolgen voldoende voedsel:
„Opdat wij 't zielverkwikkend gras In Uwe groene beemden eten”.
In Psalm 23 staat: „Hij doet mij nederliggerï aan grazige weiden". De dichter heeft ervaren dat in het dienen van God vreugde is. Zijn hart wordt verkwikt door het lezen van Gods Woord. Hoe heerlijk smaakt water, als we ontzettende dorst hebben! Maar hoeveel heerlijker is de smaak die gelegen is in het liefhebben van God, in het lezen in Zijn Woord, in het wandelen in Gods wegen: het spoor der gerechtigheid noemt de Bijbel dat. De blinden zullen zelfs niet kunnen dwalen, want God Zelf is de leidsman. De dichter wil dan ook, nadat God hem getrokken heeft uit de macht van de wolf (satan), zo dicht mogelijk bij de Herder blijven'. Aan Hem immers heeft hij te danken dat hij gered is. Buiten Hem is het nergens veilig. Buiten Hem is dood en verderf, eeuwige ondergang. Maar in Hem is vreugde en zaligheid, in dit leven al:
„Ach goede Herder onzer ziele, Wij willen volgen op Uw hielen. Uw stem is honing, brood en wijn, En olie, melk en alle zegen; Bewaar ons dicht op uwe wegen, Dan zullen wij gelukkig zijn”.
Waar is het echte geluk te vinden? Bij God. Hoe verder iemand van God afleeft, hoe verder hij van zijn geluk afleeft. Onbewust is hij een prooi van de Satan.
„Gelukkig mag het schaapje heten, Dat onder Uwe staf mag eten en drinken uit de koele beek van klare liefde uit Gods herte”.
En de toekomst? Moeten we clie niet zwaar inzien? Wie voelt zich nog veilig in onze tijd met moordaanslagen, roofovervallen, gijzelingsdrama's, bedreiging door kernbommen? Laat de bede
van Jan Luyken die van ons mogen zijn, als hij bidt om Gods leiding in zijn leven:
„Dat Uwe staf ons verder leide”.
Alleen onder Gods bestuur zijn we veilig op deze wereld. Dat gold voor de tijd waarin hij leefde, een tijd vol oorlogen. Dat geldt nog even sterk voor onze tijd. Wie zijn hart aan God geeft en zich overgeeft aan Zijn bestuur over zijn leven, zal daarvan de vreugde ervaren. Gods leiding is de beste leiding. Wie weet beter wat goed voor het schepsel is dan onze eigen Schepper? De uitkomst van die leiding zal de aanbidding zijn in de eeuwige zaligheid. Jan Luyken kan geen woorden genoeg vinden om uit te drukken hoe dat zal zijn. Vele regels heeft hij daaraan gewijd, en hij komt tot de slotsom dat de taal te arm is om te zeggen hoe heerlijk de erfenis is die God weggelegd heeft voor alle schapen die Hem mogen volgen. Weliswaar ook door smart. Maar in zulke omstandigheden geeft God genoeg kracht en geduld en liefde om te dragen. Alles zal uitlopen tot eer van Zijn heerlijke naam:
„Totdat wij in de groene weiden Van 't heilig zalig Paradijs In wijdte en eindeloze breedte Niet uit te spreken noch te meten U eeuwig geven lof en prijs”.
Twee mooie bundels gedichten van Jan Luyken zijn:
Jezus en de ziel. Voncken der liefde Jezus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1974
Daniel | 24 Pagina's