TWEEHONDERD JAAR PSALMBERIJMING
In dit thema-nummer mag een korte schets over de geschiedenis der psalmberijmingen niet ontbreken. Omdat in een vroeger nummer van „Daniël" de berijming van 1773 uitvoerig besproken werd, zal nu iets gezegd worden over de berijmingen daarna, waarbij aan het nieuwe „Liedboek voor de Kerken" de meeste aandacht zal worden geschonken. Geen enkele psalmberijming na 1773 heeft immers een officiële erkenning door de kerken weten te verkrijgen, iets wat wel aan de samenstellers van het „Liedboek" is gelukt.
Moeilijkheden.
Vóór we hiertoe overgaan, moeten we ons realiseren dat het berijmen van de psalmen een uiterst moeilijke zaak is. In de psalmen hebben we met Hebreeuwse poëzie te doen van ongeveer 3000 jaar geleden, ontstaan in een zo geheel andere wereld als de onze. De berijming zal zich bij de grondtekst nauw moeten aansluiten, terwijl het toch ook weer geen kreupelrijm moet worden. Bovendien zijn de bcrijmers gebonden aan de melodieën, ontstaan in de tijd van de Reformatie.
Normaal is, dat een melodie gevonden of gemaakt wordt bij een gedicht; de melodie past zich dan aan het ritme van het gedicht aan. Hier is het dus precies andersom!
Het gedicht, hier: het psalmvers moet „kloppend" gemaakt worden met de melodie. Het wordt namelijk v/el heel erg vervelend als we onbeklemtoonde lettergrepen in het vers steeds in de melodie moeten' beklemtonen. Dan wringt het tussen tekst en melodie wel heel erg.
Deze en nog veel meer moeilijkheden moeten overwonnen worden wanneer de berijmer aan het werk gaat.
De 19e eeuw.
Ondanks deze bezwaren, heeft het ook na 1773 niet aan dichters ontbroken die geheel of gedeeltelijk de psalmen hebben herdicht. In het begin van de 19e eeuw is dat Bilderdijk geweest, terwijl ook de bekende predikant-dichter Nicolaas Beets en Ten Kate hun krachten erop hebben beproefd.
De laatste heeft zelfs een volledige psalmberijming uitgegeven.
De oogst van berijmingen' is in de 19e eeuw niet zo groot. Dit is waarschijnlijk te danken aan de berijming van 1773, waar men over 't algemeen tevreden over was.
De 20e eeuw.
Zo weinig de 19e eeuw te bieden had, zo rijk is de 20e eeuw. We zullen hier slechts een greep kunnen cloen.
Als eerste noemen we dan het bundeltje van Willem de Mérode: „XXX Psalmen". De Mércde mag zeker tot één der grootste protestantse dichters van de 20e eeuw gerekend worden. Maar juist zijn dichterschap stond hem in de weg om een eenvoudige berijming te geven, die door de gemeente gewaardeerd wordt. Wat te denken b.v. van het volgende vers uit Psalm 25:
„O God, mijn. heil, van 't morgengloren Ttot het droefgeestig avondrooden Verwacht ik U, gedenk mijn nooden, Uw eed van eeuwigheid gezworen”.
Heel mooi, maar eigenlijk „te mooi”!
I)c berijming Hasper.
De volledige berijming die Hasper daarentegen gaf, was veelbelovend. In 1936 verscheen de bundel anoniem, terwijl in 1949 deze geheel gereviseerd verscheen, niet meer anoniem. De Gereformeerde Kerken hadden aanvankelijk grote belangstelling voor deze bundel. Toch is de berijming Hasper nooit officieel aanvaard, ook niet door de Gereformeerde Kerken. De gereformeerden werden al spoedig minder enthousiast, toen bleek dat andere kerken, en met name de Hervormde Kerk, deze bundel niet zou accepteren. De deskundige Dr. K. Heeroma heeft t.a.v. deze Hervormde beslissing wel een belangrijke rol gespeeld. Typerend mag wel genoemd worden dat Haspers berijming te piëtistisch werd gevonden (aldus Rijnsdorp). Het feit echter, dat Hasper tegelijkertijd met zijn berijming de oorspronkelijke melodieën wilde ingevoerd zien van Bourgeois en Maistre Pierre, deecl zijn werk geen goed. Van het proefzingen uit „Hasper" is in de Gereformeerde Kerken dan ook niet veel terechtgekomen.
Tragisch is dat Hasper door de later afwijzende houding van de Gereformeerde Kerken, in een diepgaand konflikt mét deze kerken is terechtgekomen. Het heeft een zware schaduw op zijn levenswerk gelegd. Haspers baanbrekende werk én zijn arbeid t.a.v. de geestelijke liederen uit de schat van de kerk der eeuwen mag beslist niet vergeten worden.
Enkele andere berijmingen.
Na Hasper hebben ook L. W. Muns en Joh. Luijkenaar Francken zich met de berijming der psalmen bezig gehouden. Hoewel er veel interessants over hun werk te zeggen zou zijn, kunnen we ze hier slechts noemen en niet bespreken. Ik geloof wel, dat de bundel van Luijkenaar Francken ons zou aanspreken, alleen al door zijn accentueren van een „gemiddelde Psalmtaai" in plaats van een vrije dichterlijke zegging én ook door zijn bewuste aansluiting bij de berijming van 1773. Dit laatste wordt wel geïllustreerd door Psalm 42 : 3:
O mijn ziel, wat buigt u neder? Waartoe jaagt ge' onrustig voort?
Vind het vast vertrouwen weder in Gods nooit verbroken Woord! Gunstig wendt Hij eens mijn lot, mijn Verlosser en mijn God! Hoop op Hem! Sla 't oog naar boven! Ik zal zeker God nog loven!
Het Liedboek.
In 1973 is het „Liedboek voor de Kerken" uitgekomen. We willen daar tot slot iets van zeggen, al willen we direct opmerken dat onze indrukken slechts zeer onvolledig en zeer globaal zijn. Bovendien beperken we ons tot de Psalmen in het Liedboek (er zijn ook 491 Gezangen in opgenomen). De geschiedenis van het Liedboek begint al een 30 jaar geleden. In 1944 wordt een Hervormde Kommissie aan het werk gezet om de mogelijkheden tot een nieuwe berijming na te gaan; een berijming welke een meer eigentijds karakter zou dragen. Deze kommissie kwam pas echt op gang, nadat in 1951 kontakt werd opgenomen met de dichter Martinus Nijhoff. Deze wist vijf andere jongere dichters te bewegen de herdichting mét hem ter hand te nemen. Een eerste proefbundel van 110 berijmingen verscheen in 1958. Ook de Gereformeerde Kerken toonden nu hun interesse. De Hervormde kommissie ging nu een interkerkelijk karakter dragen. Deze gaf in 1961 de „Proeve van een nieuwe berijming" uit. In 1968 werd de definitieve uitgave van het „rijmpsalter" door de Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming in het licht gegeven. Toen ook de Gezangenbundel gereed gekomen was, kon het Liedboek in 1973 verschijnen.
Principe.
Eén van de leidende principes bij deze berijming is het gebruik maken van een aantal dichters. Martinus Nijhoff, W. Barnard (pseud. Guillaume van der Graft), Ad den Besten, W. J. van der Molen, J. W. Schulte Nordholt en Jan Wit vormden tesamen met K. Heeroma (pseud. Muus Jacobse) een soort dichtgenootschap.
Regelmatig kwamen zij bij elkaar om hun „proeven" elkaar voor te leggen. Dit brengt konsekwenties mee. De moderne dichter voelt zich n.1. schepper, geen bewerker. Het gevaar lijkt dan ook groot dat, evenals bij Willem de Mérodc, de eenvoudige gemeente weer te „dichterlijk" gaat zingen. Nu is er echter tussen een dichter als De Mérode én de genoemde medewerkers aan het Liedboek dit verschil dat de laatsten veel
meer het gewone woord willen gebruiken, juist veel minder „literair" zich willen uitdrukken. Het is echter de vraag of dit laatste bij het hebreeuwse karakter van de Psalmen past. In ieder geval, in het nieuwe Liedboek kun je steeds weer even verbaasd opkijken, dat een bepaalde volksaardige uitdrukking voorkomt, b.v.:
Ps. 17 : 6 Totdat zij er genoeg van krijgon Ps. 22 : 11 O, haal uw hart op aan zijn gunstbewijzen Ps. 62 : 7 God stelde eens vooral zijn woord Ps. 65 : 3 Gij treedt voor ons in't krijt Ps. 69 : 1 Voortdurend heb ik naar U uitgekeken
Beoordeling.
Als we de Psalmen in het Liedboek dichterlijk willen beoordelen mag erkend worden dat er op zichzelf mooie, eigentijds-dichterlijke verzen in voorkomen. De namen van de dichters staan daar ook wel borg voor. Toch zullen we ook dit aspekt kritisch moeten bekijken. We komen dan, en dat is heel begrijpelijk bij zo'n immens werk, zinnen tegen die bepaald zwak genoemd moeten worden. Wat te denken b.v. van de beeldspraak in Ps. 7:5:
„En op de boog der wrake legt de Heer de vlammen van zijn recht.
Lichtelijk vreemd is b.v. ook een regel als uil Ps. 22 : 3: .meesmuilend gaan zij tegen mij te keer”.
Dit lijkt me nogal tegenstrijdig? En een strofe als Ps. 45 : 6 kan ook niet zo begrijpelijk genoemd worden als is ze eigentijds:
„Zie niet meer om, de bedeling der geslacten heelt z: ch verlegd volg nu met uw gedachten de toekomst in de stroom van 's Konings bloed tot waar uw Geest uw kinderen ontmoet”.
Een principiële beoordeling mag tenslotte niet ontbreken. Met grote zorg mag dan gevraagd worden of de berijming wel even Schriftgebonden is. Psalm 47 : 3 b.v. lijkt erg vrij te zijn:
„Maak het dan bekend Godes regiment houdt de volken saam geeft hun rang en naam. Eed'len treden aan om op wacht te staan Abrahams geslacht het betrekt de wacht Hem, die 't aards geweld paal en perken stelt, Hem zij lof en eer, den verheven Heer.”
Nog slechts één voorbeeld wat dit betreft: e laatste regel van Ps. 119 : 4 luidt in het Liedboek: Leidt mij niet af ter zijde en ten kwade", terwijl de oude berijming Schriftgetrouvv luidt:
Laat mij van 't spoor in Uw gebocn vervat niet dwalen, Heer, laat mij niet hulploos varen".
Dat is andere taal! Helaas moet ten aanzien van de verhouding tussen God en mens vele malen gesignaleerd worden, dat de mens nog niet zo slecht is. De stoere, reformatorische geloofskracht die het, ondanks alle gebreken, de berijming van Datheen meer dan twee eeuwen deed uithouden, wordt in deze nieuwste berijming maar al te zeer gemist. Ik beroep mij ten dezen op het standpunt van Dr. C. Rijnsdorp. Het optimistische denken in het Liedboek is onmiskenbaar. Symptomatisch is een regel in Ps. 32 : 3: Ik zal mijn weg lichtvoetig verder gaat". En terwijl Ps. 130 : 2 in de ons bekende berijming luidt:
„Zo Gij in ’t recht wilt treden, o Heer, en gadeslaan onz' ongerechtigheden....”
Komt het Liedboek niet verder dan:
„Zoudt Gij indachtig wesen al wat een mens misdeed....
Tekenend is ook Ps. 87 : 3. Dit vers is zonder één enkele verandering overgenomen, en is in de berijming van 1773 het 4e vers.
„God zal het Zelf bevestigen en schragen”.
Nu luidt in de door ons gezonden berijming de laatste regel van de 3e strofe: dees en die is daar geboren. Een regel die duidelijk op Gods verkiezing wijst. Niets hiervan in de nieuwe berijming:
„O moederschoot, uit u is elk geboren!”
Daarna volgt:
„God za! hen zelf bevestigen en schragen”.
Zo wordt de zaak uit het verband gelicht, dacht ik. Al met al blijkt van verkiezing geen spoor meer in deze berijming van de 87e psalm.
Onze konklusie moet helaas een negatief karakter hebben. Principieel is deze berijming als totaal niet aanvaardbaar. Dat betekent niet dat er geen mooie en ook geen verantwoorde verzen in te vinden zijn. Al met al is het echter een verdrietige zaak dat verschillende kerken in Nederland, waaronder de Ned. Hervormde én de Gereformeerde, zich achter dit Liedboek hebben gesteld. De kleinere reformatorische kerken zullen óók op 't punt van de psalmberijming en het psalmzingen wel een geïsoleerde positie moeten blijven innemen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1974
Daniel | 24 Pagina's