JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een bijbels componist

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bijbels componist

7 minuten leestijd

Johann Sebastian Bach werd op 21 maart 1685 te Eisenach geboren. Hij stamde uit een oude Thüringse familie van musici. Zijn vader, Johann Ambrosius, was werkzaam als hof-en stedelijk musicus. Reeds op tienjarige leeftijd werd Johann Sebastian wees; zijn broer, Johann Christoph, een zeer goed organist, voedde hem op. Na leerling te zijn geweest aan de muziekschool in Lüneberg werd hij in 1703 violist in de kapel van Hertog Ernst van Weimar en ontving tevens de benoeming tot organist van de St. Bonifaciuskerk te Arnstadt. Enige jaren later was Bach door allerlei moeilijkheden genoodzaakt Weimar vaarwel te zeggen en het ambt van organist aan de kerk „Divi Blasii" te Mühlhausen te aanvaarden. Acht maanden na zijn ambtsaanvaarding nam hij echter weer ontslag omdat hij zich tegen wil en dank betrokken zag in een strijd tussen orthodoxen en piëtisten. Het was niet mogelijk in een dergelijk els componist klimaat te werken en daarom beschouwde hij een benoeming tot „Kamer-und Hoforganist" aan het hof van Weimar als een beschikking des hemels. (1708). Negen jaar na deze benoeming werd Bach aangesteld als kamermuziek-direktcur aan het hof van Anhalt-Cöthen. In de tijd dat Bach in Cöthen heeft gewerk r, wijdde hij zich uitsluitend aan instrumentale muziek. Toen in 1722 Johann Kuhnau (cantor van de Thomask.irche in Leipzig) stierf, dong Bach om de studie van zijn kinderen naar het ambt van cantor aan de Thomaskirche te Leipzig. Hij werd daar aangesteld omdat beroemder kunstenaars als Telemann e.a. de post hadden afgeslagen. Het ambt van cantor heeft Bach tot aan zijn dood in 1750 vervuld.

De liturgie der Evangelische (Lutherse( kerk was in de tijd van Bach zeer omvangrijk en de muziek had er een belangrijk aandeel in. Luthers hervor-

ming had in beginsel het karakter van evolutie in tegenstelling tot het revolutionair Calvinisme. Calvijn heeft een zeer groot deel — om niet te zeggen alles — van de Rooms-Katholieke liturgie over boord gegooid, terwijl Luther niet weinig van deze eredienst heeft overgenomen. Natuurlijk was er wel een groot verschil tussen de Rooms-Katholieke en Evangelische liturgie. Bij laatstgenoemde liturgie werd het zwaartepunt verplaatst naar de preek. Een andere niet minder belangrijke vernieuwing was het betrekken van de gemeente in de eredienst door gemeentezang als bestanddeel van de liturgie. Calvijn duldde alleen hot psalmgezang in de kerk, terwijl Luther alles handhaafde wat naar zijn innigste overtuiging niet in strijd was met de Bijbel. Hij nam veel liederen, waarmee zijn tijdgenoten van jongsaf vertrouwd waren, over als gemeentezang. De liederen met een latijnse tekst werden dan in de volkstaal herdicht. Zo werd van de Miszangen het Gloria, „Allein Gott in der Höh' sei Ehr', " het Credo: „Wir glauben all' an einen Gott", het „Te Dcum": Herr Gott, dich loben wir", het „Veni redemptor gentium": „Nun komm' der Heiden Heiland". Maar ook psalmen nam Luther in het evangelisch kerklied op: „Ein feste Burg ist unser Gott" is een bewerking van psalm 46; „Aus tiefer Not schrei ich zu dir" van psalm 130. Wat de melodieën betreft maakten zowel Luther als Calvijn gebruik van bestaande volksliederen. En Luther kon voor zijn nieuwe liederen ook gebruik maken van cle melodieënschat van het Gregoriaans (de officiële muziek van de r.k. liturgieën). En verder was hij ten aanzien van het gebruik van volksliederen de mening toegedaan dat „de duivel niet alle mooie wijzen voor zich alleen behoefde te bezitten”.

De liederenschat van de Evangelische kerk breidde zich in de loop der jaren behoorlijk uit en zo kon Bach omstreeks 1720 in zijn werken gebruik maken van een groot aantal gezangen. Wanneer we de kerkelijke werken van Bach bekijken, valt ons onmiddellijk op dat het kerklied een zeer belangrijke plaats inneemt. De evangelische gezangen moeten hem wel na aan het hart gelegen hebben. Van de omstreeks honderdnegentig bewaard gebleven liturgische kantates zijn er slechts achttien zonder koraal.

De kerkkantate nam in de tijd van Bach in het geheel der liturgie een zeer voorname plaats in. Een dergelijk stuk, dat bestaat uit gedeelten voor koor en/of solisten, begeleid door een instrumentaal ensemble, werd meestal na de predikatie gezongen en had een beschouwend karakter. De tekst van de kantate had dus betrekking op het gepredikte Woord. Bij het samenstellen van de tekst werd zowel gebruik gemaakt van gedeelten uit de Bijbel als van gedichten die aansloten bij de preek van die zondag. In de kantates van Bach komen veel symbolische of allegorische gedichten voor, men vindt daarin bijvoorbeeld samenspraken tussen Jezus en de ziel.

Hoe kan ik U voor altijd toebehoren Ge moet U zelf verloochenen en alles verlaten .... Hoe zal ik het Eeuwige Licht aanschouwen .... Ge moet me gelovig aanvaarden en u niet ergeren Och, leer mij toch, Heiland, deze wereld te versmaden.... Kom, ziel, door het lijden heen bereikt u de vrede Ach, trek mij toch• Liefste, dan zal ik U volgen U schenk ik de kroon na veel lijden en verdriet....

De oneindig geschakeerde gevoelens en gedachten van de menselijke geloofswereld worden in de kantates van Bach van alle kanten belicht. Angst voor Satans verleidingsmacht, voor eigen tekortkomingen, schuldbewustzijn, rotsvast vertrouwen, deemoedigheid, alle innigheid van de liefde voor en van Christus, verwachting van de heerlijkheid der verbinding met Christus na de dood zijn enkele van de affecten die Bach ten diepste in zijn kantates laat beleven. Hij verklankt niet alleen al deze gevoelens, maar verduidelijkt tevens door middel van zijn muziek allerlei beelden en gebeurtenissen uit de Bijbel. Men „ziet" als het ware de slang zich kronkelen, men „ziet" iemand Jezus volgen, men „ziet" Jezus medelijdend het hoofd schudden als zijn discipelen slapen in de hof van Gethscmane, men hoort inderdaad Petrus liegen als hij Jezus verloochent (een technische fout in de compositie). Iedereen die in aanraking komt met cieze kerkmuziek zal zich verbazen over de zeggingskracht ervan. Deze muziek is niet gemaakt door iemand, die de Bijbel alleen maar ziet als een bock

waarin teksten staan, die geschikt zijn om ze op muziek te zetten. Er is hier sprake van een persoonlijke betrokkenheid bij het woord van de Bijbel. Heel zijn leven is doortrokken geweest van zijn geloof in God. Typerend is dat hij in zijn werken geen scheiding aanbrengt tussen het wereldlijke en het geestelijke. Het inleidingskoor van de kantate „Sie werden aus Saba alle kommen" heeft het karakter van een feestelijke mars; de golvende ritmiek van een siciliano (oude Italiaanse dans) verbeeldt de wiegende gang van de kamelen waarop de wijzen uit het Oosten rijden. Er zijn kantates waarvan het inleidingskoor de vorm heeft van een Franse opera-ouverture (Bach moest niets van de opera hebben). Zo zijn er vele gevallen van dien aard te noemen. Waarschijnlijk ging Bach van hetzelfde principe uit als Luther: „Al het mooie is niet alleen voor de wereld, maar komt in wezen God toe". Alle dingen zijn uit God en moeten tot God terugkeren. Veelzeggend in dit opzicht is de titel van het voor de oudste zoon Wilhelm Friedemann samengestelde „Orgelbüchlein". Na een inleidend praatje besluit Bach: „Dem Höchsten Gott allein zu ehren, den Nechsten, draus sich zu belehren". Het oefenboekje moet in de eerste plaats gebruikt worden tot eer van God. En aan het hoofd van een eveneens voor Wilhelm Friedemann geschreven leerboek staan de letters I.N.I. hetgeen wil zeggen „In Nomine Jesu". (In Jezus Naam). Boven de grote kerkelijke werken (kantates e.d.) vinden wij vaak de afkorting J.J. (Jesu Juva): Jezus help mij.

Zo vloeit voor Bach geestelijk en wereldlijk ineen, alles is uit God, zowel ernst als vrolijkheid. God moet boven ons hele leven staan. Hij is niet alleen een God voor de zondag, maar ook voor door de week. Kort voor zijn dood, dicteerde de blind geworden componist zijn schoonzoon Altnikol een koraalvoorspel over „Wenn wir in höchsten Nöthen seyn", maar hij moest het afbreken. Bach wilde echter de tekst gewijzigd zien. Hij noemde een ander lied op dezelfde melodie.

Vor deinen Thron tret ich hiermit, o Gott, und dich demütig bitt. Wend dein genädig Angesicht Von mir betrübtem Sünder nicht.

Ein selig Ende mir bescher Am jüngsten Tag erwecke mich Herr, dass ich dich schaue ewiglich Amen, amen, erhöre mich.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1974

Daniel | 24 Pagina's

Een bijbels componist

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1974

Daniel | 24 Pagina's