ONS VERVOLGVERHAAL (6) slot
Maar er is ook een andere gedachte op de achtergrond. Je hebt haar in 't bijzijn van de klas tegen de grond geslagen, nu moet je ook 't lef hebben je verontschuldigingen aan te bieden, waar de anderen bij zijn. Dan zal Ingrid niet durven weigeren, anders zou de klas haar links laten liggen. Als de les afgelopen is, zegt hij tegen Henk: „Vooruit dan maar, Henk. Vanavond dan maar gelijk? "
Ring Het schelle geluid van de bel doorbreekt de stilte.
„De bel, mam", zegt Ingrid.
Mevrouw De Jong gaat naar de deur. De dokter misschien? Maar op de stoep staan een paar jongelui met een' grote fruitmand.
„Jullie komen zeker bij Ingrid op bezoek, " zegt ze vriendelijk. „Kom maar binnen."
Dan pas ziet mevrouw De Jong dat ook Maarten van Kampen er bij is. Ze kijkt hem snibbig aan. Maarten voelt haar blik en kijkt kleurend een andere kant op.
„Zo, ga maar naar boven. De eerste kamer rechts is het, " zegt ze kort. Zelf blijft ze beneden. Die jongen van de dominee — hij durft zeg Hij komt 't zeker goed maken. Nou, 't is zijn plicht. Hij had dat arme kind wel ongelukkig kunnen slaan. Eigenlijk jammer, dat die agent het hun zo sterk afgeraden had om naar de pastorie te gaan. Ze zou best wel eens een hartig woordje met die dominee willen wisselen
Op Ingrids kamertje zijn de gordijnen toegeschoven. Er brandt alleen een klein bedlampje. Ingrid ligt plat achterover. Op haar voorhoofd is een grote witte pleister geplakt. Ze schrikt als ze ziet wie er binnenkomen. Gerda, Henk en Piet leuk zeg. Maar, Maarten
Ingrid heeft tijdens haar gedwongen bedrust veel nagedacht. Tot nu toe heeft ze steeds het arme slachtoffer gespeeld. Maar in haar hart is toch twijfel gaan knagen. Heeft ze er wel goed aan gedaan hem zo te sarren?
„Ha, die Ingrid!" Natuurlijk is het weer Henk, die het verlossende woord spreekt. „Hoe gaat het met je? " Hij geeft haar een hand. Ook de anderen groeten haar.
Maarten is de laatste. Het is nog veel moeilijker dan hij gedacht heeft. Hoe moet hij nu beginnen? Waar zijn de mooie woorden gebleven, die hij bedacht had?
„Ingrid, ik ben ook meegekomen, ik "
Ze kijkt hem afwachtend aan.
„Want ik... ik had 't niet moeten doen, Ingrid, ik ben te driftig geweest, ik heb er spijt van!" stoot hij er opeens haastig uit. Hij struikelt over z'n eigen woorden. „Nu... nu ben ik hier om om excuses... om vergeving te vragen "
Ingrid heeft nog steeds niets gezegd. Haar handen plukken aan de dekens. Ze ziet dat de anderen haar aankijken. Wat verwachten ze van haar?
Het wordt stil. Maarten zoekt naar woorden, bedenkt zinnetjes en verwerpt ze weer. Ingrid verlegt onrustig haar hoofd. Misschien had ze toch niet zo moeten plagen, 't Was toch ook wel een beetje gemeen Opeens schiet haar een nieuwe gedachte te binnen. Wat zal de klas van haar zeggen, als ze dit horen? En dat geeft voor Ingrid de doorslag. Ze heeft niet zoveel liefde gekend in haar leven. En ze wil toch zo graag bij iemand horen, gewaardeerd worden.
„Nou goed dan, " zegt ze moeilijk. „Laten we d'r niet meer over praten dan "
Er ontsnapt Maarten een zucht van verlichting. Gelukkig!
Omdat eigenlijk niemand weet wat er nu gezegd moet worden, bieden ze Ingrid de fruitmand maar aan. „Kijk Ingrid, van de klas "
Het doet Ingrid goed. Zie je wel, ze geven toch om haar.
Ze hebben voor haar geld opgehaald en wat gekocht.
Nu is het ijs gebroken en ze praten opeens allemaal door elkaar heen. Henk vertelt wat schoolbelevenissen en Gerda maakt voor Ingrid een sinaasappel schoon. Tussen hun gebabbel door snerpt opeens weer het geluid van de bel. Hé, nog iemand?
Langzame, onregelmatige voetstappen komen de trap op. De deur gaat open. Ingrid houdt van schrik haar adem in. Dominee Van Kampen! Oei! Zal ze nu een preek krijgen?
Maarten is niet minder geschrokken. Vader wist toch niet dat hij hier heen ging. Ook toevallig, denkt hij. Maar direkt daarover heen: Nee, toeval bestaat niet. En behalve dominee Van Kampen komt, hijgend van het traplopen, ook oma Van Kampen binnen.
Als iedereen aan elkaar voorgesteld is, zegt Henk: „Zullen we weggaan, Ingrid? " „Néé, " zegt ze benauwd. „Geeft niks. Blijf maar gerust." Ze denkt: Dan maar een beetje te druk. Als ze maar niet alleen met die dominee overblijft. Oma diept uit haar tas een blik vruchten op. „Hierzo, m'n kind, kan je lekker opeten, " babbelt ze. „Ja, we konden het niet laten, even bij je te komen kijken, m'n zoon en ik."
Henk biedt haar z'n stoel aan en gaat zelf op de grond zitten. Terwijl dominee Van Kampen naar Ingrids welstand informeert, kijkt oma het kringetje rond. Ze schuift het hengsel van haar tas tussen haar handen heen en weer. Dat die kinderen' hier nu ook zijn, vreemd is dat. Of toch niet?
Het wordt plotseling onrustig in haar. Ze ziet Henk z'n slordige spijkerpak en Piet, wiens haren tot op z'n schouders reiken. Dit zijn de kinderen die geen biddag nodig hebben
De enige die deze verandering in haar opmerkt is dominee Van Kampen. O, hij kent haar zo goed! Hij ziet haar het kringetje rond kijken. Hij weet: ze ziet niet alleen hun moderne uiterlijk, maar ook hun hart. En hij weet ook: ze zal niet kunnen zwijgen.
Hij heeft gelijk. Want als er een minuut of tien over koetjes en kalfjes gesproken is en Henk opnieuw aanstalten maakt om weg te gaan, moet ze plotseling spreken. Wat moet ze zeggen? Ze weet 't niet. Maar 't gaat om deze kinderen. Zwijgen mag ze ook niet
„Kinders " begint ze.
De jongelui kijken haar aan. Ze vinden haar een grappig vrouwtje. En wat staat die klederdracht haar mooi!
„Kinders, nu ik hier zo bij jullie zit, voel ik opeens dat ik jullie iets moet zeggen " En dan praat ze verder. Zomaar, vanuit de volheid van haar gemoed. „We zitten hier nu gezellig bij elkaar, maar zo meteen is het tijd om afscheid te nemen. Dan gaan we naar huis. Zo komt er ook in dit léven een afscheid — voorgoed. En dan is het voor ons allemaal de vraag: Gaan we dan ook naar huis? "
Ze aarzelt even en bedenkt plotseling dat deze jongelui haar misschien helemaal niet zullen begrijpen.
„Bedoelt u de dood? " vraagt Henk, met de vrijmoedigheid van zijn jeugd. „Ja, maar dat niet alleen. Na de dood zullen we de Heere rekenschap af moeten leggen van al onze daden "
Nu mengt ook Piet zich in het gesprek. „Hoe weet u dat zo? Ik geloof zelf namelijk niet in het bestaan van God." „Kind " schrikt oma. Ze kan geen woord uitbrengen. Hier zit iemand, die O, ze durft het in gedachten haast niet te herhalen.
De dominee helpt haar. „Je gelooft dus niet in een hemel of hel, een hiernamaals? "
Piet aarzelt. Deze mensen zijn toch wel erg zeker van hun zaak. En de warmte waarmee die oude vrouw hem aansprak heeft hem toch wel getroffen. , , E'n - nee. Ik heb er geen bewijs voor."
„Maar jongen, " zegt oma. „Je wilt toch niet alles bewijzen? Dan is er geen geloof meer nodig."
„Gelooft u dat dan wel? Hebt u dat geloof? "
Er valt een stilte. Oma kijkt haar zoon aan, maar die zegt niets. Langzaam vouwt ze haar handen in haar schoot. Hier wordt haar gevraagd of ze geloof heeft
„Kinders, ik durf haast niet te zeggen: ja. Dat klinkt te bezitterig. Maar toch mag ik de Heere hier niet verloochenen. Want cloor Gods genade mag ik geloven dat Hij grote dingen aan m'n ziel gedaan heeft."
Haar smalle, gerimpelde gezichtje wordt warm-rood in de omlijsting van het witte mutsje. Henk denkt aan z'n eigen oma, die alles aanwendt om toch maar jong te blijven. Wat is het dat dit oude vrouwtje zo lief en aantrekkelijk maakt? „Ja ik mag geloven dat Hij voor
mijn zonden' betaald heeft " vervolgt ze.
„Zonden? " vraagt Henk. Dat begrijpt hij niet. Dit lieve omaatje zondig?
„Ja, zónden, jongen. Er staat in de bijbel: Er is niemand die goed doet, tot niet één toen. Ik niet en jullie niet. En daar wilde ik juist met jullie over praten. Misschien denk je dat het er best mee door kan en dat je heus wel gelukkig bent. Maar blijft in deze wereld niet altijd een leegte over? "
Piet denkt aan die ene keer dat hij stiekum hasj gerookt had. 't Was op een zomeravond en hij had zich vreemd eenzaam gevoeld, Maar 't had niet geholpen. Ziek was hij geworden en ja, nóg leger.
„O kinderen, en als je nu wérkelijk aan de weet komt dat je een zondaar bent en dat je niet anders doet dan Hem bedroeven, dan is er redding. Als je het nu helemaal niet meer weet, dan zegt Christus: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven Ik kan Hem jullie zo aanbevelen. M'n stem is te nietig om te vertellen hóe barmhartig Hij is, m'n woorden zijn te kort "
Ze zwijgt, vermoeid opeens. Ze kijkt om zich heen naar de jonge gezichten, die geboeid naar haar luisteren, en moet opeens vechten tegen haar ontroering. Dominee Van Kampen ziet het en onwillekeurig moet hij denken aan de Schriftwoorden: „En Jezus, de schare ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen "
Maar ze moeten gaan. Henk rijst op van de grond en zegt tegen Gerda en Piet:
„Kom jongens, we gaan. We zijn al veel te lang gebleven."
Hij geeft iedereen een hand. Als hij oma Van Kampen groeten wil, zegt ze; „Jammer, dat je al weg moet. M'n zoon had nog een stukje willen lezen en nog een gebed willen doen."
Maar Henk wil toch weggaan. Hij is vreemd getroffen door dit gesprek en daar weet hij geen raad mee. Daarom zegt hij maar: „We hebben zelf ook nog een bijbel, hoor mevrouw."
't Gezicht van oma klaart op. „O, gelukkig. Zul je d'r veel in lezen? "
Henk knikt. Wat moet hij anders doen? Ze geven ook Maarten een hand, die met z'n vader mee terug rijdt. En dat is iets wat anders geheel tegen hun jongensmanieren indruist.
„Tot morgen dan, " zegt Maarten. Er gaat veel in hem om in dit korte ogenblik. Alles is nu weer goed gemaakt. Alles is in orde. En toch er knaagt nog iets: „Zoek eerst het Koninkrijk Gods "
Bij de deur steken ze nog even' hand op. hun
„Dag kinderen — 't allerbeste met jullie", zegt oma eenvoudig. Maar haar woorden doen denken aan de plechtig uitgesproken zegen in een stampvolle kerk: „De Heere zegene u, Hij behoede u, de Heere doe Zijn aanschijn over u lichten "
Dan valt de deur achter hen dicht.
Mevr. T. Korpershoek-de Joode Dordrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1974
Daniel | 18 Pagina's