GEHANDICAPT EN TOCH....!
Gehandicapt, dus ! Nee, dat staat er niet. Dat is wel een regel die veel gebruikt wordt. En achter dat woordje , , dus" wordt dan van alles ingevuld. De ene keer „zielig", dan weer , .minder gelukkig"; en ga zo maar door. We weten allemaal wel wat er zoal gezegd en gedacht wordt. Maar, boven ons artikel staat: Gehandicapt, en toch !; wat mosten we daar nu achter zetten? De meesten van ons zijn niet gehandicapt, of, of
Wat verstaan we eigenlijk onder gehandicapt zijn? Gehandicapt is een betrekkelijk nieuw woord. Vroeger sprak men van gebrekkig. Daarbij dacht men dan voornamelijk aan een zichtbare afwijking. Later werd het woord „gebrekkig" vervangen door invalide, wat veel meer omvat, n.1. het niet-valide zijn. Onder invaliden verstond men die mensen waaraan iets mankeerde, wat je wel of niet kon zien, dus ook mensen met b.v. een hartgebrek. Het woord „gehandicapten" wil echter zeggen dat iemand bepaalde belemmeringen heeft en zonder aanpassing niet helemaal als „volwaardig" mens kan functioneren.
Let wel, volwaardig tussen aanhalingstekens. Het komt niet altijd overeen met het gebrek dat iemand heeft. Iemand kan een duidelijk zichtbaar gebrek hebben, b.v. slechts één arm en kan toch een beroep uitoefenen, waarbij zijn gebrek geen belemmering is. Kunnen wij in zo'n geval spreken van gehandicapt zijn? Velen van ons hebben geen aanwijsbare gebreken en zijn toch gehandicapt. B.v. een 31 jarige jongeman in het bezit van een hoofdakte, die geen baan kan krijgen omdat hij de gave mist met mensen om te gaan en nu werkzaam is in W.S.W.-verband (Wet Sociale Werkvoorziening) afd. hoofdarbeiders, maar zich daar niet gelukkig voelt. Is deze man niet gehandicapt? De grens tussen wel en niet gehandicapt is dus moeilijk te trekken.
Er is een boek over gehandicapte kinderen, getiteld: „Anders dan anderen". Maar is die titel wel juist? Zijn we niet allemaal anders dan anderen? Wie van ons behoort bij de groep „gehandicapten", en wie niet?
Het is niet de bedoeling om in dit artikel te spreken over anderen, maar over ons allen en tot allen.
Er zijn er onder ons die een zichtbare handicap hebben; soms nog erg zichtbaar ook, maar die dit mogen aanvaarden als door God „geschonken" om ons terug te houden van allerlei kwaad, waar wij zo voor open liggen. Die in hun gebed weieens kunnen zeggen: „Dank u, Heere, dat U toornig op mij geweest bent en dat U mij niet overgeeft aan het goeddunken van mijn eigen hart." Als dat zo is, dan zijn we gelukkig, omdat onze handicap in het graf achterblijft.
Er zijn er onder ons ook die zichtbaar niet gehandicapt zijn, maar die een stenen hart hebben, wat aan de buitenkant wellicht niet zichtbaar is, omdat we netjes leven, trouw naar de kerk gaan, aktief in het verenigingsleven enz. enz. En toch ongelukkig!!
Er zijn er onder ons ook die, ondanks een lichamelijke handicap, nog zo veel presteren. De Iieere gaf ons een goed verstand en veel doorzettingsvermogen, waardoor we toch een heel goed belegde boterham kunnen verdienen.
Maar er zijn er ook, ogenschijnlijk zonder gebreken, die hun goede verstand niet goed gebruiken en hun weekgeld voor het grootste deel verspillen aan rookgerei, alcohol of lippenstift e.d. Niet gehandicapt en toch
Er was een jongen in de bus; 12 jaar? of 20? of 35? 't Was niet te schatten. De buschauffeur vloekte na een onhandige manoeuvre van een mede-weggebruiker. De jongen stond op, ging naar de chauffeur toe en sprak hem heel vriendelijk aan; zei hem dat hij aan de Heere moest vragen om een nieuw hart, want dat hij zó niet sterven kon. Wim (zo heette hij) was „verstandelijk" gehandicapt. Nu niet meer. Hij is nu volmaakt. Ook volmaakt gelukkig. Hij heeft geen verdriet meer over vloekende chauffeurs. We kunnen toch moeilijk deze jongen „geestelijk" gehandicapt noemen. Terecht werd er enige tijd geleden in het Contaktblad van de Vereniging „Philadelphia" gepubliceerd dat de meeste mensen geestelijk blind zijn, dus gehandicapt.
We zijn er inmiddels wel achter gekomen dat medelijden vaak misplaatst is, waar we als we gehandicapt zijn niet om verlegen zitten, niet mee geholpen zijn ook en er bovendien helemaal niet van gediend zijn.
Meeleven is totaal iets anders. Dat doet nooit pijn. Echt meeleven dan. Niet uit medelijden doen alsof. En, beter weinig „echt" dan veel „namaak" hoor!
Misschien vinden we het moeilijk om een gesprek aan te knopen, omdat wc bang zijn de ander pijn te doen. Alleen een glimlach kan al zo goed doen. Bovendien kan dat het begin zijn van een gesprek. De kans bestaat dat de ander, aangemoedigd door onze glimlach een gesprek begint.
Wanneer we als niet-gehandicapten kennis maken met onze medemensen die op één of andere wijze belemmerd zijn, hetzij geestelijk hetzij lichamelijk, dan gaat er een heel andere wereld voor ons open. We zullen ontdekken dat er vaak heel veel gepresteerd wordt.
Wat te denken van een vrouw, van wie op 64 jarige leeftijd, de rechterarm moest worden geamputeerd tot boven de elleboog, en die een gezin van 7 personen volledig wist te besturen? Heb je wel eens geprobeerd te naaien, te borduren, boontjes te haren of vaat te drogen, alleen met je linkerhand? Staan we er wel bij stil hoeveel doorzettingsvermogen er voor nodig is dit alles te proberen?
In die andere wereld zullen we echter ook ontdekken hoeveel verdriet er wordt geleden. Onnodig vaak, omdat er veel mensen zijn die zonder takt of wellicht ondoordacht pijn doen. Of verdriet omdat de handicap niet, of nog niet is aanvaard. Verdriet omdat er dingen zijn die men zich moet ontzeggen, of niet durft te doen.
Daar tegenover staat, dat we er ook blijdschap zullen vinden. Vreugde, echte vreugde, doordat het kruis dat door God werd opgelegd is aanvaard en vrolijk wordt gedragen, omdat de Heere juist deze handicap wilde gebruiken om het ware geluk te vinden. Wat kunnen we in de wereld van de ander veel, onnoemelijk veel leren!
Het tonen van meeleven behoeft niet te bestaan in het spreken over de handicap. We kunnen met elkaar over allerlei onderwerpen spreken zonder elkaar pijn te doen. Maar, pas op, het krampachtig vermijden van het onderwerp „handicap" maakt het gesprek stroef. Durf het aan erover te spreker-En tracht vooral niet de ander te troosten cloor te vertellen dat er nog veel erger dingen zijn. Dat helpt niet. Eerder het tegengestelde is het gevolg. Nee, we kunnen pas begrip voor de ander hebben als wij ons voorstellen in zijn of haar omstandigheden te verkeren. Dan pas kunnen we de ander helpen.
Een voorbeeld? Een vader was bij zijn zoon op bezoek, kort nadat bekend geworden was dat de jongeman kanker had en spoedig zou sterven. De vader was erg verdrietig en zat sprakeloos naast het bed. De jongeman, voor wie de dood gelukkig geen verschrikking was, begreep wat het voor zijn vader moest betekenen een zoon te verliezen en toonde zijn meeleven met de verdrietige man, waardoor hij het scheiden zoveel lichter wist te maken. De rollen waren omgekeerd. Als de vader erg ver-
drietig was ging hij naar zijn zoon, om er getroost vandaan te komen. Meeleven is ons openstellen voor de ander, niet over onszelf spreken, maar luisteren en ingaan hetgeen de ander te vertellen heeft.
Toon vooral geen antipathie tegen de handicap van de ander. En laten we eigen handicaps toch niet krampachtig trachten te verbergen. Laten we elkaar accepteren zoals we zijn. Met of zonder zichtbare handicap. Heeft onze buurjongen in de rolstoel moeite zich te geven? Is hij wat terughoudend? Lijkt hij wat stug? Ga eens een praatje maken! Nodig hem eens uit voor een potje schaak. Of neem hem eens mee naar de jeugdvereniging, als hij dat wil. Misschien durft hij niet. Vertel er eens wat over en tracht hem, met begrip voor zijn terughoudendheid, over te halen het eens te proberen: Toe joh, als het je niet bevalt laat je het bij één keer; je bent er niet aan gebonden! Best mogelijk dat hij er in werkelijkheid naar hunkert erbij te horen, maar bang is voor zijn eigen houding.
Misschien ben jij die jongen in die rolstoel en weet je dat je buurjongen op de Jévé is, en je nooit opzoekt, waar je wat verdrietig om bent. Wellicht is hij wat verlegen en durft je niet aan te spreken. Je moest eens weten hoe verlegen niet-gehandicapten vaak zijn, ondanks dat zij zich groot trachten te houden.
Toe bel hem eens op en vraag of hij eens aankomt; waarom wachten tot het van hem uitgaat? Vragen staat vrij hoor. Wie weet hoe 'n plezier je hem er mee doet. Wil je een ander niet tot last zijn? Is het voor die ander een last? Hoe weet je dat? Misschien doet hij het wel graag. Vertel hem eens hoe stuntelig jij je vaak voelt, zelfs nadat je iets gepresteerd hebt wat je geweldig veel moeite heeft gekost, omdat je altijd (net als ieder ander) de neiging hebt je met anderen te vergelijken. Anderen, die het in jouw ogen zo veel beter doen. Geef hem de kans jou te leren kennen. Hij kan er zijn voordeel mee doen. Wellicht geeft het hem een wat ruimere blik.
Wat kunnen we eigenlijk veel voor elkaar doen als we er maar erg in hebben. Staan wij er wel eens bij stil dat er zo veel mensen geïsoleerd leven. Vaak ontstaan door het feit dat zij zichzelf niet zo gemakkelijk in de maatschappij bewegen en versterkt door de houding van anderen die er hen niet in durven betrekken. Werken wij er, wellicht onbewust, ook aan mee dat onze medemensen geïsoleerd leven? En kunnen wij er aan meewerken dit isolement op te heffen? Ja!!! Daar kunnen we met z'n allen wat aan doen. Zoek kontakt! Blijf niet in je hoekje zitten. Durf eens een gesprek aan te knopen. Vlucht niet voor elkaar. Waar is dat goed voor? Tracht je te verplaatsen in de wereld van de ander. Denk niet alleen aan jezelf. Onbekend maakt onbemind. Luister naar de ander dan leer je hem of haar kennen. Probeer waardering te hebben voor de prestatie van de ander. Gun die ander datgene waarin hij of zij uitsteekt boven jezelf.
De Heere heeft ons talenten gegeven. De een meer dan de ander. Voor ons is de verantwoording: wat doen we er mee? Woekeren we er mee? Of stoppen we het weg?
Vraag je je af welke talenten jij hebt ontvangen? Wel, je kunt lezen of horen, of beiden, anders zou dit woord je niet bereiken. Dat zijn al twee talenten. Wat doen we er mee? Hoe werken we er mee? Wat lezen we? Waarom lezen we? Lezen we een ander, die dat talent niet heeft gekregen, wel eens wat voor? De Heere gaf het ons om er mee te werken tot Zijn eer. Denk er om! Ook aan de jongen of het meisje dat niet lezen kan moet Gods Woord bekend gemaakt worden. Nu kunnen wij met ons talent woekeren, door die ander voor te lezen. Eenvoudig hè?
Dat is nog maar één voorbeeld, zo zijn er nog heel veel te bedenken. maar
Heeft de Heere je wellicht een handicap toebedeeld, opdat je wat vrije tijd zou krijgen? En wat doe je met die tijd, gebruik je die goed? Woeker je er mee? Je bent nu in de gelegenheid Gods Woord te onderzoeken en vooral te overdenken! Doe je dat ook? Vraag dan of de Heere dat wil zegenen, of Hij hetgeen je leest door Zijn Geest wil werken. En ben je dan klaar? Nee, blijven woekeren hoor.
Ook anderen ervan vertellen! Ben je bang het niet goed te doen? Jezelf te bedoelen? Toch maar doen. Ook voor jou geldt het gebod: , , Gij zult Mijne getuigen zijn". Als je Gods eer op het oog hebt, en daar leef je voor, dan wil Hij ook het zondige daarin verzoenen.
Eens zal de Heere de talenten, die Hij ons heeft geschonken terugeisen. En als
we er veel hebben ontvangen, zal er ook veel van ons geëist worden.
Nu is het niet de bedoeling dat we anderen gaan helpen om er zelf beter van te worden hoor. Dan bedoelen we in wezen ontzelf. En het is beter te geven dan te ontvangen. Er dan maar helemaal niet aan beginnen, of er mee ophouden?
Nee, dat in elk geval niet! Er toch maar mee doorgaan, maar het is de bedoeling dat we in alles wat we doen de Heere nodig hebben. Zonder Hem kunnen we niets doen, zijn we totaal gehandicapt. Kunnen we niet anders dan onszelf bedoelen en hebben we geen aandacht voor een ander. Dan leven wij in ons eigen kleine kringetje met onszelf in het middelpunt. En we moeten als het goed is allemaal uit dat enge kringetje met het oog op de Ander en de ander. God lief hebben boven alles en onze naaste als onszelf.
En v/at kunnen we zoal voor onze naaste doen? Vooral als we zelf niet gehandicapt zijn en onze naaste wel.
Ga het eens vragen. Over het algemeen zal de gehandicapte zo veel mogelijk zelf willen doen. Neem dan niet onnodig taken uit handen. Doe voor hen alleen dat wat zij zelf niet kunnen. Vooral als je merkt dat men vlug de moed laat zakken is het goed hen wat te stimuleren tot zelfwerkzaamheid; maallaat wel blijken dat je dit doet om hen te helpen. Probeer er met hen over te denken of er wellicht manieren zijn waarop, of hulpstukken waarmee zij bepaalde handelingen toch zelf kunnen verrichten. Het kan zijn dat zij daarmee beter geholpen zijn dan wanneer het altijd voor hen gedaan wordt.
Er was een man, die na een ernstig auto-ongeluk zijn armen niet meer voldoende kon buigen om op de gewone manier te drinken, te roken of te telefoneren. Een kennis van hem vervaardigde van stevig ijzerdraad een paar hulpstukken voor hem zodat hij zelf weer zijn kopje naar zijn mond kon brengen, en een sigaar kon roken. Ook bevestigde hij een klem aan de wand naast de telefoon, waarin de hoorn kon worden bevestigd, zodat de gehandicapte zelf kon telefoneren. Eenvoudige hulpstukken, maar voor deze man van onschatbare waarde.
Kunnen we elkaar helpen tot het aanvaarden van een verworven handicap te komen?
Of is het een zuiver persoonlijke zaak? Om te helpen is het goed de achtergronden te kennen.
Het aanvaarden wordt bemoeilijkt door het feit dat er bij veel mensen een afkeer bestaat tegen de gehandicapte medemens. Het lichamelijk welzijn is in onze tijd zo enorm belangrijk dat andere waarden daardoor op de achtergrond raken. Dit werkt in de hand dat er door hen te veel over hun „ongelukkig zijn" wordt gedacht. Zij kunnen er niet van los komen. Het lukt hen niet de hogere waarden te ontdekken.
Er zijn rollen die moesten worden opgegeven, b.v. in het bedrijfsleven of in het gezin.
Hetgeen voorheen met vanzelfsprekendheid werd verricht moet nu blijven liggen of door anderen worden gedaan. De gehandicapte is afhankelijk geworden.
Hoe kan dit „anders zijn" nu worden verwerkt? Wordt er in berust? Legt men zich neer bij de situatie, of is er een bepaalde uitdaging? Het eerste is een passieve houding, terwijl het tweede aktiveert. Men gaat aan het werk om er nog wat van te maken. De opvoeding, het karakter maar ook de omgeving spelen daarbij een niet te verwaarlozen rol. En tot die omgeving behoren wij, ieder die met hen in aanraking komt of kan komen.
Stimuleren wij of remmen we af? En waartoe moeten we stimuleren of wat moeten we afremmen? Zowel achter de passieve als de aktieve uitingen kan er namelijk een bepaalde afweer verborgen zijn. Het verwerken gaat zó maar niet! De meer passieve is wellicht moedeloos, terwijl de ander vecht wat hij kan tegen het anders zijn. Dat heeft geen van beide met aanvaarding te maken.
Hoe kunnen we elkaar nu helpen tot die aanvaarding te komen? Probeer er eens samen over te denken, al pratend uit te vinden of er sprake is van moedeloosheid of van een „vechten tegen". Het weten wat we doen betekent weten waarbij we hulp nodig hebben. Want heus alleen er aan wérken is niet genoeg. De lijn naar boven, het gebed, mag niet ontbreken. Het is tevergeefs arbeiden, zo de Heere niet bouwt, maar
Hij geeft het Zijn beminden als in de slaap. Dan, gehandicapt, en toch gelukkig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1974
Daniel | 18 Pagina's