WAAROM NOG BELIJDENIS- GESCHRIFTEN ?
Op het terrein van het kerkelijk leven, voor zover het wordt beïnvloed door de moderne theologie, die we ook wel de theologie van de veranderingen kunnen noemen, behoeft ons niets te verbazen. Wanneer het verleden, zelfs hier en daar het heden, wordt losgelaten, ontstaat een leegte, die opgevuld moet worden. En daar zorgen de vele ideologieën wel voor, die vandaag opgeld doen, met name de marxistisch getinte „heilsleer".
De sociologie — leer van het maatschappelijk leven' — gaat steeds meer de toon aangeven. En het kenmerkende van deze wetenschap is, dat zij zich bezighoudt met de maatschappelijke verschijnselen, die de samenleving nü vertoont; zij tracht daarin richtlijnen te vinden voor de toekomst. Om „wat is geschreven" (Gods Woord b.v.), en om „wat is geschied" (de geschiedenis van ons land en volk vertelt daar iets van), daarover bekommert de socioloog zich niet.
Welnu, in dat voetspoor wil ook de modern theoloog (èn pedagoog, èn psycholoog, èn filosoof) wandelen. En dat ligt de zakelijke, nuchtere mens van vandaag wel. Zijn vernuftig, technisch denken, waarmee hij het al zo ver heeft gebracht, durft het wel aan het „er is geschreven" en „wat is geschied" los te laten.
Wij zien, horen en lezen in en over het kerkelijk leven van vandaag veel opzienbarende dingen; het „gesnoei" aan Waarheden van de Schrift, clie tot voor kort vaststonden, het „onderploegen" van Bijbelse normen, die onaantastbaar schenen, is aan dit alles niet vreemd.
En toch bel ij denis geschriften?
Zo is het ook wèl te verstaan, dat aan, of zelfs door de lezers en lezeressen van „Daniël" de vraag gesteld wordt: „Waarom nog belijdenisgeschriften? " Om het even, of de klemtoon valt op „waaróm", of op „nóg", of op beide. Behalve de enorme invloed, die van het moderne denken en vanuit de moderne theologie uitgaat, kan er nóg een aanleiding zijn, deze vraag te stellen. Wat immers niet meer funktioneert, niet meer leeft in de gemeente, verliest aan waarde, tenzij het als antiquiteit, of uit piëteit tegenover de vaderen wordt opgeborgen. Alle schijn ten spijt, hebben de belijdenisgeschriften, waaronder we hier dan willen verstaan de Catechismus, de Nederlandse geloofsbelijdenis, en de Dordtse leerregels, dan nog wel zin en kan ook dan worden gevraagd naar de betekenis daarvan voor het leven
van de Gemeente des Heeren en voor ons persoonlijk leven. Ook al gaan we er dan niet aan snoeien, zoals thans gebeurt, b.v. in nieuwe „proeven" van belijden, is het dan tóch droevig gesteld met ons christelijk-gereformeerd kerkelijk leven, althans, wanneer deze belijdenisgeschriften zinvol èn onmisbaar zijn voor het belijden en het beleven der Gemeente. Om dit laatste gaat het hier, zoals je zult begrijpen.
Wanneer het met ons kerk-gaan niet zo best gesteld is en we het in ons persoonlijk leven niet zo nauw nemen met Christus' opdracht: „Onderzoekt de Schriften, want die zijn het, die van Mij getuigen", is de vraag, die ons bezighoudt al gauw
beantwoord: wanneer het Woord der prediking ons niet raakt en we thuis de Bijbel laten voor wat ze is, hebben zeker ook de belijdenisgeschriften voor ons geen betekenis.
Zeker, er zijn ook wel mensen, die waarheden, die ze zich eigen hebben gemaakt vanuit de belijdenisgeschriften gebruiken, om er over te disputeren en ze te hanteren als maatstaf voor anderen. Ze vergeten, dat we een kennis der waarheid nodig hebben, die naar de Godzaligheid is (Tit. 1 : 1) en dat we niet zalig zijn in het kennen alléén, maar in het kennen én in het doen. (Joh. 13 : 17).
De prediking én Zijn Woord.
Do belijdenisgeschriften — we kunnen hier niet op hun ontstaan ingaan, hoe belangrijk ook voor wat ons thans bezighoudt — kunnen en mogen nóóit losgemaakt worden van de bediening van Gods Woord aan de Gemeente des Heeren. Van daaruit hebben zij ook hun bestaan te danken. Dat heeft de Dordtse synode (1618-'19) ook goed begrepen; de zittingen stonden in het teken van het lezen en van de uitleg van de Heilige Schrift, van het overdenken van het gehoorde en van het gebed tot cle Heere. Luther antwoordt in zijn kleine Catechismus op de vraag: Wat is dat, de sabbatdag heiligen? „Wij zullen God vrezen en liefhebben, door de prediking en Zijn Woord niet te verachten, maar deze heilig te houden, gaarne te horen én te leven".
De Heere spreekt tot de Gemeente, wanneer het Woord wordt uitgelegd. De gemeente „leert", wanneer zij „gaarne hoort".
Uitwendig — en dan zijn we bij de catechismus! — wanneer zij zich er in oefent, te onthouden, wat werd uitgelegd. Daartoe dient de catechismus. We gaan van de preek naar de catechismus en van de catechismus naar de preek.
Paulus en Silas bidden en zingen Gods lof in de gevangenis te Filippi: Hoe is het mogelijk, zulk een troost in leven en sterven! (Zondag 1). Dan moeten wij, hoofd voor hoofd weten, wat zij zouden antwoorden; én — en dat is het inwendig leren, dat de Heere in de weg van wedergeboorte, geloof en bekering ook óns moge schenken, ben je jaloers gemaakt op het volk van God? — wat wij nodig hebben op weg en reis naar de eeuwigheid óók te leren antwoorden.
Neen, de catechismus hebben wij héél erg nodig om het Gods volk, moge het zijn biddend, te kunnen nazeggen, hoe zij door 's Heeren genade tot die enige troost in leven en sterven zijn gekomen; met andere woorden, hoe zij door het „onderzoekt de Schriften" (Joh. 5 : 39), door Woord en Geest tot Christus zijn gekomen. („Gij wilt tot Mij niet komen", zegt de Heere Jezus in vers 40 tegen de Schriftgeleerden, omdat het hen niet er om te doen was als ellendige zondaren uit genade tot kinderen Gods aangenomen te worden; zij misbruikten de Schriften tot hun verderf).
B1ijven be1ij den.
De Remonstranten uit het begin van de 17e eeuw wilden ook van de catechismus af. Ze zeiden: „We hebben aan Gods Woord genoeg".
Het was duidelijk, dat zij hierin beoogden, de Gemeente de nodige kennis, zoals de catechismus deze biedt, te ontnemen en zodoende hun dwalingen gemakkelijker ingang te doen vinden. Zoals de Heere door de bijzondere leiding van Zijn Geest Zijn Gemeente de catechismus schonk om de bediening van Gods Woord te verwerken en vast te houden, zo heeft de Heere óók Zijn Gemeente, die geroepen is om de leer der Waarheid te verdedigen tegen dwalingen van binnen en van buiten, door Zijn Woord en Geest onderwezen en haar gebracht tot het belijden met mond en hart. Eén voorbeeld: Toen in 1530, op 20 juni, keizer Karei V aan de afgevaardigden vroeg „ieder voor zichzelf zijn overtuiging, opinie en mening omtrent de door hem voor waarachtig gehouden religie in het latijn en in het duits op papier te zetten en voor te lezen voor de rijksdag te Augsburg", konden cle volgelingen van Luther zeggen: „hierbij bieden we U onze belijdenis aan, opgesteld en ondertekend door onze
Gemeenten". Verbeeld je, dat toen ieder voor zichzelf aan het werk had moeten gaan! Welnu, in gesprekken, in literatuur, via allerlei kommunicatiemiddelen komen we dagelijks in aanraking met zóvele dwalingen, oude, gestoken in een nieuw kleed, dat we Gods Geest zouden bedroeven en zijn werk zouden verachten, wanneer we dan, puttend uit de kennis van (ook) onze Nederlandse Geloofsbelijdenis en van de Dordtse leerregels, onze tegenstander geen antwoord zouden kunnen geven naar en vanuit de Schrift, beleden in de geschriften die de kerken der reformatie ons als een niet te waarderen schat hebben nagelaten.
Welk een dure roeping hebben ouders, onderwijzers, ambtsdragers in Gods kerk om de opkomende generatie te brengen tot het kennen en belijden van deze belijdenisgeschriften, zoals de Israëlitische vader zijn kinderen, staande voor de steenhopen in de Jordaan en bij Gilgal, had te vertellen, welke grote daden de Heere had verricht! Mocht iemand afkerig staan tegenover vreemde uitdrukkingen, moeilijke theologische begrippen, die de mensen van deze tijd niet meer aanspreken, dan blijft tóch de opdracht van de ouders en ambtsdragers, de nieuwe generatie terug te brengen tot het verstaan van deze bronnen, die zo helder en krachtig de weg wijzen naar de Bron; bronnen, waarop wij allen ons met vertrouwen kunnen verlaten. Haar zuiver water werd immers gekleurd door het bloed der martelaren. In en door deze belijdenisgeschriften hebben Gods kinderen elkaar herkend en hebben zij heirlegers der vreemden op de vlucht gebracht.
Waarom nog belijdenisgeschriften?
Het is met onze gemeenten spoedig gedaan, wanneer niet het antwoord luidt: „Ja, juist nü de belijdenisgeschriften!"
Maar dan funktionerend in ons persoonlijk en in ons kerkelijk leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1974
Daniel | 20 Pagina's