ONS VERVOLGVERHAAL (5)
Maarten ligt die avond al om zeven uur op bed. Zijn moeder trekt de gordijnen dicht en stopt hem onder als een kleine jongen. Maarten laat alles over zich heen komen, te vermoeid om ergens nog aandacht aan te schenken.
Wat is er ook allemaal niet gebeurd vandaag! En dat alles op één dag. Eerst het verhoor van de politie-agent en dan dat van Ingrid
Er was daar op het schoolplein opeens een heleboel tegelijk gebeurd. De direkteur nam Maarten mee naar binnen. Agent Pietersen knielde neer bij Ingrid, die bewusteloos was. Even later draafde een ziekenwagen het plein op. En niet lang daarna reed nog een auto voor: dominee Van Kampen, die Maarten op kwam halen.
Maarten drukt met z'n vuisten tegen z'n ogen. Wat heeft hij toch gedaan? Hij had wel een moord kunnen begaan! Ja, achteraf was 't wel meegevallen met Ingrid — een hersenschudding en een ondiepe hoofdwond. Ze mocht — na in het ziekenhuis te zijn verbonden — direkt naar huis gebracht worden. Maar 't was zijn schuld.
Hij had 't gedaan... En 't was ook zijn schuld dat Gert...
Eindelijk gaat zijn gepieker over in een rusteloze droom.
De volgende dag haalt Maarten zijn ouders over om Gert een poosje te logeren te vragen. Vooral dominee Van Kampen is er eerst niet zo voor te vinden'. De zoon van een dief — is dat nu een goede omgang voor zijn jongen?
Maar omdat hij Maarten nu graag een plezier wil doen, geeft hij tenslotte toe.
't Doet hem gewoon pijn om te zien hoe ontredderd hij is.
Na het middageten rijdt hij met Maarten, die een dag thuis mocht blijven, naar de Rozenstraat. Onderweg tobt de dominee nog. Doet hij er nu wel goed aan, die jongen in huis te halen? Zal Maarten
Ze rijden de Violenstraat in. De dominee wordt opmerkzamer. Nee, Maarten heeft niet overdreven. Naargeestig is het hier. En wat nemen die hoge huizen veel daglicht weg.
Hij rijdt langzamer nu. Aan de kant van de weg staat een jong, slordig vrouwtje, bijna nog een kind. Ze draagt een baby op haar arm en aan haar hand waggelt een smoezelige kleuter. Plotseling wendt ze haar gezicht naar de auto. De dominee kijkt in een paar lege, troosteloze ogen, die niet jong en opgewekt zijn, maar oud, nameloos oud.
Een diep gevoel van medelijden' welt opeens in hem op. En als hij om zich heen kijkt ziet hij nog meer. Verwaarloosde, magere kinderen, spelend met afval, schril geklede jonge meisjes. Voor de deur van een groot gebouw groept een aantal mannen samen. Werkeloos?
Het lijkt of een golf van bewogenheid over hem heen spoelt. Hier wilde hij niet heen, hier was hij te netjes voor. Voor deze geestelijke armoede, voor deze troosteloosheid. Hier stond hij boven. „Ga heen en wordt warm "
Hij kreunt. O God, wat heb u aan mij? Een onnutte dienstknecht
Gert is alleen thuis. Hij is er direkt voor te vinden om mee te gaan. Alles is beter dan hier te zitten. De muren kijken hem aan en fluisteren: Dief dief.
Agent Pietersen had hem gisteravond alles verteld. Hij was nog een poosje bij hem gebleven, toen ze vader hadden meegenomen. En nu — nu is hier iemand die zich om hem gelegen laat liggen. Samen met Maarten pakt hij wat spullen bij elkaar. Dominee Van Kampen telefoneert bij de buren met de dokter, omdat Gert nog steeds niet beter is. Gelukkig krijgt hij toestemming om mee te gaan.
Onderweg komt Gert opeens los. En na nog
wat belangstellende vragen van dominee Van Kampen vertelt hij hun het hele verhaal. Een verhaal van verdriet op verdriet, teleurstelling op teleurstelling. Toen Gerts moeder nog leefde was alles anders. Maar met haar sterven was ook de gezelligheid uit huis verdwenen. Gerst vader begon uithuizig te worden, kreeg verkeerde vrienden en deed onder clruk mee aan een klein inbraakje. Nu zat hij in het schip. Want anderen, die ook van deze inbraak wisten, chanteerden hem. Als hij niet zorgde dat dit en dat Zo kwam het tot cleze diefstal. Maar bij het verhoren van de personeelsleden was de dodelijk-vermoeide man te zenuwachtig om krachtig te antwoorden. Hij was op van dit martelende leven — zinken en toch niet terug kunnen De politie kreeg argwaan en mét de aanwijzing van Maarten kwam het al vlug tot een bekentenis. „En jij? " kan dominee Van Kampen niet nalaten te vragen. „Wist jij dat je vader aan zoiets mee deed? "
„Nou, ik vermoedde het, dominee. Maar dat was nog erger. Want ik giste en speurde ik werd wantrouwig. Nu weet ik het — ik ben de zoon van een dief Waarom nemen jullie me toch mee? Ik hoor niet in een pastorie "
„Misschien juist wel, Gert, " zegt de dominee. „Christus ging ook eten in het huis van de tollenaars. En er is nog iets", gaat hij verder. „We willen je hiermee bewijzen, dat Maarten je niet verraden heeft. Eerlijkheid gaat vóór alles "
Maarten kijkt snel opzij. Een warm gevoel doorstroomt hem. Wat fijn, dat vader hem zo precies begrijpt
In de pastorie ontfermt oma zich onmiddellijk over Gert. Ondanks alle narigheid moet Maarten toch lachen, als Gert een uur later al een streng katoen voor haar zit op te houden. Als hij klaar is met z'n taak, knipt oma haar zwarte tas epen en stopt hem een pepermuntballetje toe.
Ja, en dan moet Maarten toch weer naar school. De volgende morgen fietst hij op 't laatste nippertje weg. Kan hij tenminste direkt naar binnen als hij aankomt. Het lijkt wel of er een steen op z'n hart ligt. Hoe moet het ooit weer goed w r orden?
Bij de fietsenstalling loopt hij Henk tegen het lijf. „Hai, " zegt die. Alsof er niets gebeurd is. En bij het naar binnengaan knikt Gerda hem toe. Maarten neemt dat alles scherp waar. Gelukkig, misschien valt het nog mee. En het valt mee. Meneer Derks had cle vorige dag met de klas gepraat.
„Hier hebben twee schuld, " had hij gezegd. „Maarten had er niet op mogen slaan en Ingrid had hem niet zo mogen plagen. In het direktiekamertje had hij namelijk net iets heel schokkends gehoord. En het is heel gemakkelijk iemand die zo gespannen is tot het uiterste te drijven."
De klas had het begrepen. Ze hadden immers evenveel medelijden gehad met Ingrid, die daar bewusteloos neerlag als met de dodelijk verschrikte Maarten, die geen moeite meer kon doen de tranen terug te dringen.
Maarten weet dit alles niet, maar wel voelt hij in de dagen daarop dat ze hem niet links laten liggen. Toch is hij hier niet mee klaar. Ogenschijnlijk gaat alles weer z'n gewone gang en met Ingrid gaat het goed vooruit. Een paar meisjes uit de klas bezoeken haar. En Maarten voelt: ik meet dat ook
Ik moet 't goed maken, m'n excuses aanbieden. Excuses? Ach, wat een arm woord is dat. Ik heb schuld, ik moet de minste zijn Maart wat is dat moeilijk!
En dan praat hij daar tussen twee lessen opeens met Henk en Piet over. Hij móet het kwijt. Tja, Iienk ziet het ook wel in. „Geen' gemakkelijk klusje, Maarten", zegt hij fronsend. „Laten we ; t eens aan Gerda vragen."
Ook zij kijkt bedenkelijk. „Misschien neemt ze je excuses niet eens aan, " zegt ze, Ingricl kennend.
„Ja, maar 't is toch mijn plicht 't moet "
De anderen begrijpen ook, dat het in orde moet zijn vóór Ingrid terugkomt. „Als wij eens mee gingen", aarzelt Gerda.
Maarten schrikt. Anderen er bij, als hij zich vernederen moet? Dat nooit
De les begint. Maarten' hoort er niet veel van. Hij worstelt met zichzelf. Niet doen, denkt hij dan weer, ik hoef me toch zó diep niet te buigen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1974
Daniel | 20 Pagina's