SEXUALITEIT IN DE BIJBEL
Deze titel trekt ongetwijfeld de aandacht.
En wel voornamelijk omdat hier twee begrippen, nl. sexualiteit en Bijbel, bij elkaar geplaatst worden, die in het dagelijks spraakgebruik wei heel ver van elkaar af staan. De wereld van de sexualiteit en het Woord van God zijn vaak als door een afgrond van elkaar gescheiden.
En toch, als we het woord sexualiteit in haar oorspronkelijke betekenis van: geslachtelijkheid, geslachtsleven, bezien, is het een zaak die in het Woord van God op velerlei wijzen en op vele plaatsen aan de orde wordt gesteld.
Deze zaak wordt aan de orde gesteld als een scheppingsgegeven, een gave van God, die tegelijk opgave is:
„Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt." Al wordt ons tevens op vele plaatsen de ontaarding ervan getekend, waarbij deze gave wordt misbruikt en zij niet in dienst wordt gesteld van de gegeven opdracht. Sexualiteit is nl. gave aan de mens, door de Heere geschonken met tegelijkertijd de opgave deze zó te besteden zoals de Heere het voor ons mensen bedoeld heeft en dus van ons vraagt.
In onze bezinning op de sexualiteit behoren wij ons te laten leiden door het: Er staat geschreven." En dan lezen we in Gen. 1 : 27, dat God de mens schiep naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze. En verder in Gen. 2 : 24: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aankleven en zij zullen tot één vlees zijn."
Bij de bestudering van Gen. 1 : 27 vallen ons twee zaken op: ) de schepping naar Gods beeld en b) dat God de mens mannelijk en vrouwelijk schiep, zoals letterlijk in de grondtekst staat. Over het eerste slechts enkele opmerkingen: od ziet Zijn beeld in de mens. In deze mens straalt iets van de heiligheid Gods uit. Deze mens kent God als zijn Schepper, maar ook als de volheerlijke God, met Wien hij gemeenzaam omgaat, omdat hij de volle gerechtigheid, die dat mogelijk maakt, in zichzelf heeft. En ook over en weer aanschouwen man en vrouw in elkaar het geschapen beeld Gods. Hun liefdesgemeenschap is de hoogste gemeenschap onder de schepselen.
Maar het beeld Gods in ons is door onze zonde verwoest en wordt alleen in ons hersteld door wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest. De geestelijke wedergeboorte is een herstelling naar Gods beeld, al zal de uitwerking van deze vernieuwing op aarde slechts ten dele zijn door de kracht van de inwonende zonden.
Dat de Heere in de tweede plaats de mens mannelijk en vrouwelijk schiep, dus als man en als vrouw vraagt in dit artikel meer onze aandacht. De beelddrager Gods wordt ons in de verscheidenheid van het geslacht getekend. Deze geslachtelijke verscheidenheid is door God gewild, met de schepping gegeven en ook na de val behouden.
Dat de Heere de dieren geslachtelijk schiep wordt ons bij de schepping niet vermeld. Wel dat Hij de mens geslachtelijk schiep, omdat de mens mannelijk en vrouwelijk, naar het huwelijk toe, geschapen is. Het huwelijk, dat in Gen. 2 rijker en voller aan de orde wordt gesteld.
Dit wordt ook op een andere plaats in de Bijbel op een duidelijke wijze geleerd, nl. in Maleachi 2 : 15. Deze tekst zegt ons dat maar één mens, dus maar één vrouw door God geschapen is en aan Adam toegevoegd, hoewel de Heere er meer had kunnen scheppen. Hier vinden we de Bijbelse fundering van het monogame huwelijk, het huwelijk tussen één man en één vrouw. Dachsel legt deze tekst als volgt uit: Heeft Hij, de Heere, niet maar één gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had, hoewel Zijn krachten niet waren uitgeput om meer mensen voort te brengen en waarom maar die één? Hij zocht een zaad Gods. Het oogmerk van God in het scheppen van de mens was dus geenszins, opdat zij zich aan wellustige driften zouden overgeven, maar opdat de mensen een zaad voor de Heere en voor Zijn dienst in Zijn vrees zouden voortplanten."
Gods Woord laat ons niet in het ongewisse over het feit, dat de geslachtelijke omgang tussen de beide geslachten slechts in het huwelijk behoort plaats te vinden. Maar tevens dat deze ten nauwste met de voortplanting verbonden is en daar ook op gericht is.
Bij de schepping gaf God de mens vruchtbaarheid. Adam is met zijn vrouw geschapen tot voortplanting, opdat de mensen geheel de aarde zouden vervullen. God wilde dat alles uit één bron zou voortkomen. Het vervullen van de aarde diende te geschieden uit een dooide Heere gegeven en geregelde voortplanting nl. via het huwelijk. Hij verbond de man aan één vrouw, opdat, zoals we bij Maleachi lezen, hij een zaad Gods, d.i. een' w T ettig zaad zou voortbrengen.
God zegende hen en God zeide tot hen: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde." Gods Woord is een scheppend Woord. Met Zijn spreken doet Hij tegelijkertijd het gesprokene tot stand komen. Toen de Heere sprak: „Er zij licht", was er ook licht. Zo gaf de Heere mét het spreken ook de gave van de vruchtbaarheid. God is de bron en fontein van alle leven en verheft de mens om het door Hem geschapen leven voort te brengen. Voor Adam en Eva was dit in het Paradijs al een wonder, laat staan voor ons, zondige mensen. Het is een geschenk aan de mens gegeven, al is het niet ieder gegeven. De kinderloos gebleven huwelijken, hoewel door God gewild en vaak op andere wijze gezegend, getuigen hiervan.
Maar het door God gegeven geschenk: Leven uit leven voort te planten is geen gave, die los van de Gever mag worden gezien. Alle gaven die de Heere ons geeft hebben het doel, dat ze ons aan Hem verbinden. Dat ze worden gebruikt in het besef van de alwetendheid Gods en de heiligheid des Heeren.
„Het huwelijk is eerlijk onder allen en het bed onbevlekt, maar hoereerders en overspelers zal God oordelen." De apostel wijst ook hier op het feit, dat de Heere de gemeenschap van man en vrouw verordend en gezegend heeft. Maar tevens wordt er hier op gewezen, dat: „elke gemeenschap, daarvan verscheiden, van Hem verdoemd en vervloekt is", zegt Calvijn,
Het is dus duidelijk dat in Gods Woord én de schepping als man en vrouw én de zegen van de vruchtbaarheid zo nauw met elkaar verbonden zijn.
In de loop der eeuwen is veel over deze verhouding nagedacht, 't Huwelijksformulier formuleert drie hoofdbedoelingen van het huwelijk: a) wederzijdse hulp in tijdelijke en geestelijke zaken; b) het krijgen en opvoeden van kinderen, en c) de vermijding van onkuisheid.
Over een uit elkaar halen van deze bedoelingen van het huwelijk of het één belangrijker achten dan het ander, is veel gesproken en geschreven. Er zou
niet alleen een duidelijke volgorde, maar ook een rangorde naar belangrijkheid in deze drie hoofdbedoelingen zijn uitgedrukt. Het wederzijds elkaar tot steun zijn en het één zijn in het huwelijk zou veel belangrijker zijn dan het verkrijgen van een nageslacht.
Toch geeft ons Gods Woord noch het huwelijksformulier enige grond om hier van een volgorde naar belangrijkheid te spreken. Beide zaken, én de gemeenschap èn het krijgen van kinderen zijn als twee gelijkwaardige zaken te waarderen, terwijl ook de derde er in belangrijkheid niet voor onder doet, omdat men zonder het middel van de huwelijke staat de ongeregelde lusten niet kan bedwingen (Calvijn).
Het is ook opvallend dat in de Reformatorische literatuur deze zaken niet gesplitst worden. Nergens treft men de scheiding van de gemeenschap en de voortplanting aan. Dit geeft ons toch ook een duidelijke aanwijzing, al zouden we overigens alle uitdrukkingen die Luther daarover gebezigd heeft, niet gaarne overnemen of aanvaarden.
Niet zonder reden besluit het huwelijksformulier dan ook met de belofte uit de 128ste Psalm, waarin o.a. staat: „Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel. Ziet alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den Heere vreest." De hoofdgedachte in het Oude Testament ten aanzien van de kinderzegen is zonder enige twijfel, dat kinderen een erfdeel des Heeren zijn. De vele reinigingsbepalingen leren ons evenwel hoe een zondig volk ook hierin de verzoening van de zonden behoeft. Het wandelen in de wegen des Heeren houdt de mens niet vrij van zonden, want wie zal voor een heilig God bestaan? Wie kan zeggen: „Ik ben rein van mijn zonden? " Toch neemt dit alles niet weg, dat de Heere Zijn zegen wil schenken aan het handelen naar Zijn Woord en daarbij Zijn hulp wil doen ervaren. Zo mogen ook de gehuwden zich verzekerd weten van de gewisse hulp van God in hun kruis, zoals het formulier uitdrukt.
Onwillekeurig zal bij het lezen van dit alles de vraag opkomen of het helemaal geen verschil maakt of we leven in onze Westerse maatschappij, dan wel in de Oosterse samenleving. Of het leven in flats, het ontbreken van huishoudelijke hulp, het opvoeden van de kinderen in onze verwereldlijkte omgeving geen enkele betekenis heeft.
Opgemerkt dient te worden dat in alles het: „Er staat geschreven" leidraad van ons leven behoort te zijn. In welke situatie we verkeren, steeds behoort het verlangen de wil des Heeren te mogen volbrengen ons te beheersen. Dit niet als vrucht uit onszelf maar als gave van. God.
Evenwel kunnen we de opdracht die de Heere ons geeft nooit losmaken van de situatie waarin we verkeren. De gezondheid van de moeder b.v. kan naar wegen doen vragen die de eenheid van het huwelijk niet in gevaar brengen, maar de uitbreiding van het gezin beperken. Dit uiteraard alleen als voor het aangezicht des Heeren.
Het huwelijk is ook niet gegeven om een zo groot mogelijk aantal kinderen voort te brengen. Diep respect verdienen ook die mannen, die „met verstand bij hun vrouwen wonen". Het „dient elkander door de liefde" blijft ook hier opdracht. Dat is die liefde, die niet zichzelf, maar het welzijn van de ander zoekc.
Van onszelf zijn we mensen die verlangen eigen idealen in ons leven te verwezenlijken. Maar veelal zijn we daar juist niet mee gebaat. Want onze verlangens richten zich op een leven, dat onafhankelijk van God is. Terwijl ons welzijn gelegen is in een leven waarin we afhankelijk van de Heere zijn.
De Heere heeft recht op ons als Schepper en blijft recht op ons houden. Hij gaf ons ook onze lichamen, gaf ons ook het huwelijk om daarmee en daarin tot eer van Hem te leven. Hij schenke ons allen de vernieuwende kracht van Woord en Geest, opdat wij ons eigen leven niet zouden leiden, maar uit Hem zouder. leren leven, die sprak tot Zijn Vader: „Ik heb U verheerlijkt op de aarde".
Want daar schort het veelal aan in ons redeneren, waarmee we ons aan de klem van het Woord van God trachten te ontworstelen. Het geloof ontbreekt ons om het alleen met de God van het Woord te wagen en met het Woord van die God, Die Zich aan dat Woord verbond.
Want staat ons het doel van de Heere met de vermeerdering van het menselijk geslacht, nl. de komst van Zijn Koninkrijk, wel voor ogen?
Laten we luisteren naar het gebed in
het huwelijksformulier: „Wil hen' dan ook zegenen, gelijk Gij de gelovige vaderen, Uw vrienden en trouwe dienaren, Abraham, Izaak en Jakob gezegend hebt, opdat zij als medeërfgenamen van het verbond, dat Gij met die vaderen opgericht hebt, de kinderen, die het U believen zal hen te geven, godzalig mogen opvoeden, ter ere van Uw heilige Naam, tot stichting van Uw gemeente en tot verbreiding van Uw heilig Evangelie."
Ook anno 1974 gaat de Heere door met de volmaking van Zijn rijk en geldt onverminderd Zijn Woord: „Zij zullen U vrezen, zolang de zon en de maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1974
Daniel | 16 Pagina's