DEBORA-1
BIJ BELSTUDIE
Israël en de onderdrukkers.
In voorafgaande hoofdstukken zagen wij het optreden van Ehud in het midden en oosten van het land en van Samgar in het westen. Het 4e hoofdstuk brengt ons nu in het noorden en noord-oosten.
Ondanks de verlossing die de Heere d.m.v. Ehud gegeven had, gaat het volk na diens dood toch weer voort in een zondig leven. Daarom verkoopt Hij hen in de hand van Jabin, koning der Kanaanieten. Weerloos zijn zij aan hem overgeleverd.
Jabin is evenals Farao geen eigennaam, maar een ambtsnaam. In Jozua 11 lezen wij, dat de Israëlieten de stad Hazor verslagen hebben'. De overgebleven Kanaanieten hebben die plaats herbouwd. Inmiddels is het een eeuw later. Deze Jabin onderdrukt nu de Israëlieten met ijzeren vuist. Hij zal de smaad van zijn volk uit het verleden wegnemen.
Zijn legeraanvoerder is Sisera. Deze opereert vanuit Haroseth der heidenen, een centrum van militaire macht.
Twintig jaren duurt deze onderdrukking. Uit het lied van Debora blijkt hoe zwaar het land getroffen werd. Dorpen werden geplunderd, steden' tot puinhopen gemaakt, de handel lag plat enz. Een spies of schild was er nauwelijks meer te vinden; Israël was ontwapend en machteloos.
Met een grote overmacht van 900 ijzeren wagens (strijdwagens, misschien te vergelijken met tanks) trok Sisera door het land.
Eindelijk na twintig jaren dreigt het volk te bezwijken onder Gods tuchtroede. Eerst nu alle hoop op eigen behoudenis hen ontvalt, beginnen zij tot Hem te roepen. Zou het niet gepaard zijn gegaan rnet belijdenis van eigen schuld en onwaardigheid?
Israël en Debora.
Israël wordt niet alleen onderdrukt, maar is ook in groot verval. Er is onderlinge verdeeldheid en er zijn stammen die onverschillig tegenover elkaar staan.
Wanneer straks het volk tot de strijd wordt opgeroepen, zijn er stammen die achterblijven. Er was geen held meer in Israël; niemand streed de strijd des Heeren.
Er is zelfs geen man meer, die Israël zou kunnen richten.
Daarom roept de HEERE een vrouw!
Er zijn er die de vrouw in het ambt willen verdedigen met het voorbeeld van Debora. Maar in de roeping van Debora ligt juist een veroordeling van het volk, dat innerlijk verzwakt en ontrouw aan de Heere was.
Bovendien is hier het ambt zoals dat wordt uitgeoefend in de N.-Testamentische gemeente niet ter sprake. Het ambt van richter is veel meer een staatsambt dan een kerkelijk ambt. De Levieten verrichtten de arbeid in de tempeldienst; de richters bleven daar buiten.
En wanneer de richters dan het volk terugriepen tot de dienst des Heeren, was dat ten diepste tot beschaming der kerkelijke ambtsdragers, die de wet des Heeren vergaten.
Debora nu was een profetes en richtte het volk. Zij onderwees in de inzettingen Gods en vermaande het volk Hem te dienen. Zij sprak het woord Gods en legde het uit. Zij gaf de wil Gods aan het volk te kennen. Zij had een vaste plaats waar het volk tot haar kwam en waar zij hen ontving. Het was onder de palmboom van Debora (naar haar vernoemd in de volksmond) tussen Rama en Beth-El.
In hoofdstuk 5 wordt zij , , een moeder in Israël" genoemd. De taak van een moeder is o.a. terecht wijzen, leiding geven, opvoeden ert troosten. Een kind komt met zijn tranen, zorgen, pijn, verdriet en moeite tot moeder. Zo kwam Israël tot Debora.
Niet alle Israëlieten; het merendeel vroeg niet meer naar de Heere. Maar toch waren er, die haar kwamen raadplegen. Die geloofden dat Debora door God gezonden was en die wilden nog in 's Heeren' wegen onderwezen worden. Die kwamen dan met de zorgen van het volk en hun eigen zorgen en vragen.
En als een moeder hielp zij dan. De geestelijke tobbers waren bij haar welkom. God heeft altijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Zal zij het volk niet gewezen hebben op Gods trouw voor Zijn ontrouw volk als zij zich tot Hem zouden bekeren?
Behalve dat men met geestelijke zorgen bij haar komen kon, richtte zij ook in rechtzaken, die niet gemakkelijk waren op te lossen. De Heere had haar veel wijsheid geschonken.
Door Gods genade mocht deze huisvrouw van Lappidoth velen ten zegen zijn.
De bora Barak
Debora en Barak. Door haar deze plaats onder Israël te geven, heeft de Heere het zo geleid, dat het
volk haar nu ook als richteres zal aanvaarden. Onder leiding van de Heilige Geest laat zij Barak komen. Vermoedelijk heeft hij bekendheid als dapper strijder in het verleden tegen de vijand in het eigen stamgebied.
Hij woont in Kedes-Nafthali; dat is vlak bij de residentie van Jabin. Zij geeft hem een goddelijke opdracht: „Heeft de HEERE, de God Israëls, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tienduizend man, van de kinderen van Nafthali en van de kinderen van Zebulon? " Deze twee stammen hadden het meest te lijden van de onderdrukking. Op de berg Thabor moest Barak hen
bijeenroepen. De HEERE zal Zelf Sisera, Jabins krijgsoverste met zijn wagens en menigte doen komen en Hij zal hem in Baraks hand geven! Dit woord moet wel alle twijfel bij
Barak uitsluiten. Maar dan openbaart zich de zwakheid van het geloof bij Barak. Geloof heeft hij, want zijn naam is vermeld in Hebreën 11 onder de geloofshelden. Hij aanvaardt de opdracht des Heeren uit de mond van Debora, voorwaar geen kleine zaak!, maar hij is niet zonder aarzeling. Twijfeling en klein-geloof spreken duchtig mee. O, wat kunnen Gods kinderen daar toch een last van hebben en onder gebukt gaan.
Vervolg op pag. 223.
VERVOLG BIJBELSTUDIE:
Barak stelt Debora een' voorwaarde: „indien gij met mij trekken zult, zo zal ik heentrekken; maar indien gij niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken". Hij wilde clie godvrezende vrouw dicht bij zich hebben. Zij kon raad geven, moed inspreken en tot de Heere bidden! Hce begrijpelijk toch! Maar had hij niet hoger moeten zien?
Barak is hier niet op z'n plaats. De Heere ondersteunt Zijn zwakke kinderen, maar als zij gaan eisen en voorwaarden' stellen (denk aan Thomas), dan worden zij bestraft. Barak wordt dan ook om zijn handelwijze en ongehoorzaamheid aan het woord des Heeren bestraft.
Debora gaat moe, maar de eer van het doden van Sisera zal niet Barak maar een vrouw ten deel vallen. Dat is vernederend voor Barak. Maar ook verdrietig. De vijanden spotten met de God van Israël. Het had Barak tot blijdschap kunnen zijn, indien hij tot eer des Heeren die veldheer had kunnen doden. Die vreugde moet hij nu om eigen schuld missen.
Discussivragen.
1. Is het een voorrecht om „een moeder in Israël" in de gemeente te hebben? Zou er nog behoefte aan geestelijk onderwijs zijn? Bij jonge mensen?
2. Is kleingeloof ook geloof? Waarom bestraft de Heere het clan als toch het geloof Gods gave is?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1974
Daniel | 20 Pagina's