EEN NIEUWE ONT WIKKELING EN EEN NIEUWE OPDRACHT
GEREFORMEERDE GEMEENTEN IN HISTORISCH PERSPEKTIEF (3)
De stillen in den lande.
Hoe is de maatschappelijke positie geweest van de leden van de Geref. Gemeenten zo'n zeventig jaar geleden? Behoorden zij ook tot w r at men beeldrijk „de kleine luyden" heeft genoemd? Die vraag moet bevestigend beantwoord worden. Wie b.v. de samenstelling nagaat van de kerkeraad van Goes in 1910, krijgt het volgende beeld. Naast oefenaar J. Fraanje tellen we twee landbouwers, een winkelier, een smid, een melkboer en een ambtenaar, die als scriba fungeert. Toch is er een verschil met de Gereformeerden, de volgelingen van Dr. A. Kuyper. Die kleine luyden zijn uiterst aktief op allerlei terrein. Dat element ontbreekt in de Gereformeerde Gemeenten van rond 1900 volkomen.
Een zekere passiviteit is kenmerkend. J. H. Landwehr schetst hen herhaaldelijk als „zeer stille en nette menschen", als „erg terugOPDRACHT getrokken" met een afkeer van weelde in de huizen en de kleding. Men gaat nauwelijks opgemerkt zijn gan£ in het maatschappelijk leven, waarin men een uitgesproken minderheidsgroep vormt. Wie naar een typering zoekt, kan onze kringen het best kenschetsen als de stillen in den lande.
Het overgrote deel van de gemeenten draagt een uitgesproken agrarisch karakter. Het zijn kleine boeren en landarbeiders, die zich zondag aan zondag scharer rond het geopende Woord. Het kerkelijk leven voltrekl zich voor het overgrote deel in kleine dorpsgemeenschappen met een gesloten karakter, waarin weinig invloeden van de buitenwereld doordringen. Maar ook het gemeentelijk leven in de steden vormt, wanneer ik goed zie, tot de tweede wereldoorlog zo'n gesloten geheel. Velen zijn afkomstig van de Zuidhollandse er Zeeuwse eilanden en houden in de stad aan hun eigen levenspatroon vast. Men woont en werkt er wel, maai gaat niet in het echte stedelijke leven op. Jongelui zoeken voor de oorlog als regel werk bij een kleine middenstander, een ambachtsman of een boekhouder die lid is van de eigen gemeenten. Er is niet alleen eer godsdienstig, maar ook een maatschappelijk isolement
Veranderende gelaagdheid. sociale
Het valt te begrijpen, dat de belangstelling voor studie en voor wetenschappelijke vorming uiterst gering is Meestal is er in plaats van belangstelling innerlijke afkeer te peilen. Heeft „de" wetenschap niet het verva in de Ned. Herv. Kerk bewerkstelligd? Scherp voel men aan, dat veel wetenschapsmensen gebroken hebben met de dienst van God. Maar wat dan te doen me' een jongen met bijzondere aanleg? Zo'n jongeman kar onderwijzer worden. „Hij leert voor meester", heet he' dan. Omstreeks 1912 komen de eerste onderwijzers me' hun studie gereed. Hun komst geeft in het kerkelijke leven geen problemen. Het werk van de onderwijzer is
immers dienend en gericht op de instandhouding van de eigen gemeente.
Met de komst van cle eerste leerkrachten' ontstaat het begin van een „middenlaag". Tot nu toe heeft die ontbroken. De gemeenten worden geleid door enkele predikanten, bijna steeds toegerust met bijzondere, singuliere gaven van hoofd en hart. Zij vormen de „top" van de driehoek, die we zouden kunnen tekenen om de sociale geleding voor te stellen. De basis wordt gevormd door boeren, landarbeiders en wat middenstanders. Verder ortbreekt alle „middenkader" om dat lelijke woord nu eens te gebruiken. Heel duidelijk komt dat uit, wanneer cle S.G.P. in 1922 zoekt naar een aanvaardbare kandidaat voor de Tweede Kamer. Die kandidaat wordt Ds. G. H. Kersten. Daarop is veel en felle kritiek. Maar er is eenvoudig niemand anders met kwaliteiten voor kamerlid en een zekere bekendheid in onze gemeenten aanwezig in die jaren. Oude ambtsdragers hebben mij dat herhaaldelijk verzekerd. Men' aanvaardt in meerderheid het kamerlidmaatschap van Ds. Kersten als gevolg van een noodtoestand, die zal wegvallen, wanneer er andere personen zullen „opkomen" om dit politieke werk — toen nog gemakkelijk als bijbaan uit te oefenen — over te nemen.
Na de tweede wereldoorlog is het maatschappelijk isolement van zo'n honderd jaren door allerlei krachten opengebroken. De landbouw wordt gemechaniseerd. Talloze kleine middenstanders moeten verdwijnen door de opkomst van het grootwinkelbedrijf. Honderden landarbeiders worden omgeschoold om een plaats in de industrie te kunnen innemen. Zij allen wijzen hun kinderen t.a.v. de beroepskeuze een andere weg: technische opleiding, vorming voor een hoger beroep, studeren. Zo zwermen ouderen en jongeren uit om een plaats te vinden in allerlei sectoren van het maatschappelijk leven, die men vroeger nauwelijks van horen zeggen' kende. Alles geraakt in beweging. De huidige toestroming van honderden jongens en meisjes naar mavo, havo, reformatorisch atheneum en de pedagogische akademie is frappant. Er komt een sociale mobiliteit, die voorheen ondenkbaar was.
Een nieuwe ontwikkelingen een nieuwe opdracht.
In de tweede helft van de dertiger jaren studeren enkele jongelui af aan een universiteit. Zij zijn en blijven echter witte raven. Eerst omstreeks 1955 wordt de gang naar hogeschool of universiteit wat meer gebruikelijk. Uit beschikbaar cijfermateriaal blijkt, dat sedert 1951 zo'n 325 jongelui een wetenschappelijke opleiding hebben ontvangen.
We stuiten hier op een ontwikkeling, die voor onze gemeenten totaal nieuw is. Hier dreigen dan ook grote gevaren, wanneer het kontakt met de eigen gemeenten in de knel komt. Een studie als van Dr. J. Hendriks over De emancipatie van de gereformeerden (1971) kan ons dat bewust maken, zo we het nog niet zijn! Tegenover het verschijnsel van de studerende jongeren mag nooit een passieve houding worden ingenomen. Zij komen in aanraking met afwijkende visies op Schrift en belijdenis, met vooronderstellingen van wetenschappen die soms dwars tegen de Schrift indruisen, met vragen van goed en kwaad. Dat kan in de studententijd strijd geven en in ernstige crises brengen. Zulke jongeren — en dat geldt óók voor andere groepen jongelui — moeten met hun vragen en noden terecht kunnen in de eigen gemeenten. Een open deur bij een predikant of één van de ouderlingen is van onschatbare waarde. Gesprekskringen en ontmoetingssamenkomsten, zoals die door Het Deputaatschap voor studerenden aan instellingen voor universitair onderwijs worden georganiseerd, zijn geen luxe, geen vorm van verwennerij van jongeren-die-watmeer-weten-dan-een-ander, maar absolute noodzaak. Het thuisfront moet zich echt willen geven om zich in de problemen van deze jongeren — en de anderen — in te leven.
Het mag niet meer voorkomen, dat een jongen die in aanraking is gekomen met de evolutieleer en daarover een vraagstelt op de catechisatie, te horen krijgt: „Jij bent erop uit om het Gods volk lastig te maken". Zo'n optreden stoot af en wordt ervaren als een goedkoop excuus om gebrek aan liefde, takt en kennis te camoufleren. De belangrijkste van
deze drie is de liefde. In de kontakten met jonge mensen gaat het gisteren, vandaag, morgen en altijd weer om het antwoorden-vanuit-de-liefde, door God in ons hart geschonken. Die liefde wil altijd opnieuw heenwijzen naar de rijkdom van Gods Woord, wil behouden voor de dienst des Heeren, wil zich verdiepen in de vraagstelling, waarmee geworsteld wordt. Niets bindt meer dan het samen als ouderen en' jongeren worstelen om door de verlichting van de Heilige Geest de Schriften te mogen verstaan, die licht werpen op de vragen van tijdelijk en eeuwig leven.
Noodzakelijk besef.
Het gaat niet uitsluitend om de inzet van de oudere generatie. Van de student wordt ook een en ander gevraagd. Ik wil wijzen op de noodzaak van het besef, dat in onze gemeenten in bepaalde zin historisch wordt gedacht.
Wij mogen ons verbonden weten met een verleden van eeuwen, met voorgeslachten, die zich hebben laten leiden door het Woord Gods. Ook zij hebben hun moeiten en vragen gekend en gezocht naar een bijbelse benadering. We behoeven dus niet opnieuw te beginnen. Het is dan ook een eerste opdracht om ons grondig te verdiepen in de erflating van de Reformatie en de Nadere Reformatie en de geschiedenis van onze gemeenten. Dan ontdekken we ook het eigene van de kerk, waarin de Heere Zelf ons door Zijn voorzienig beleid een plaats gegeven heeft, n.1. de bijzondere aandacht voor het innerlijke werk van de Heilige Geest in de harten van Zijn kinderen.
Verder dienen we scherp het gevaar te onderkennen van een eenzijdig rationele benadering van het kerkelijk leven' (of nog erger: van het geestelijk leven). In zo'n puur verstandelijke instelling ligt voor jonge studenten van bepaalde studierichtingen een aparte verzoeking, omdat de eigen studie volledig is gericht op het vinden en hogelijk waarderen van logische samenhangen. Wie zich vereenzelvigt met dat denkklimaat, komt gemakkelijk tot een eigenwijze opstelling en brokken maken. Dan willen we van de ene dag op cle andere alles opnieuw opzetten en alles honderd procent beter doen. Dat getuigt noch van wijsheid, noch van liefde.
Onze gemeenten zijn behoudend van aard. Dat wil niet zeggen, dat het kerkelijk leven bevroren is op een bepaald punt in de geschiedenis, maar wel dat veranderingen zich zeer geleidelijk plegen te voltrekken.
Die geleidelijke ontwikkeling wordt heel duidelijk, wanneer we ons afvragen wat zich in de loop van een eeuw zoal heeft gewijzigd.
Binnen de gemeenten is men gekomen
— van het afwijzen van studie voor predikanten tot de stichting van een Theologische School;
— van het overwegend prefereren van openbaar onderwijs tot het in het leven roepen van eigen christelijke scholen;
— van gemeentezang oncler leiding van een voorzanger tot het geleidelijk accepteren van een orgel voor de begeleiding in de jaren dertig;
— van een gemoedelijk, independentistisch gekleurd, willekeurig handelen in kerkelijke zaken tot een zich laten leiden door de geschreven richtlijnen van de Dordtse Kerkenorde;
—• van het absoluut stellen van de psalmberijming van Datheen tot een wederzijds verdragen en onderscheiden van hoofd-en bijzaken in deze;
— van het afwijzen van een jongelingsvereniging als „een dolerend instituut voor rijke jongelingen" tot het aanvaarden van een jeugdvereniging onder leiding of toezicht van de kerkeraad;
— van een allegorische verklaring van de tekst bij sommige kruisdominees tot een streng Schriftuurlijke prediking.
Het is niet moeilijk om deze lijst langer te maken, maar clit overzicht is voldoende om het gezichtspunt van de geleidelijke groei en ontwikkeling te bevestigen, wanneer we erbij aantekenen, dat de genoemde veranderingen zich steeds voltrokken hebben in tijdsbestekken van dertig tot zeventig jaar.
Binnen onze gemeenten is geen ruimte voor radicale tcndenzen. Daarentegen is er alle ruimte om te dienen met de gaven en talenten, die de Heere ons heeft geschonken.
Geen plus.
Heel helder moet ons voor de geest staan, dat een intellectueel geen enkel plus bezit boven anderen om in te gaan in het Koninkrijk der hemelen. Voor God zijn wij van nature allen, met of
zonder wetenschappelijke vorming, hoogmoedige zondaren, waarop Zijn toorn en vervloeking rust. Tenzij dat iemand wederomgeboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien! Een universitaire studie geeft als zodanig geen plus in 't kerkelijk leven. De kennis, verworven door studie en experiment, is wezenlijk anders dan de door de Heilige Geest gewerkte kennis des geloofs. In het rijk Gods gelden volledig andere maatstaven dan in de menselijke samenleving. Een klein winkeliertje of een eenvoudige werkster, bezet met de vreze des Heeren, zal ingaan in het hemelse Jeruzalem, terwijl de latinist, de historicus, de pedagoog, de fysicus of de bioloog zónder de liefde tot God eenmaal buiten zullen staan.
Voor ons allen' is het daarom zo noodzakelijk om door de verlichting van de Heilige Geest met ons hele hart en met heel ons verstand te leren bidden: Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord (Ps. 119). Wie dat léért, telkens opnieuw, verstaat ten diepste het geestelijk klimaat van onze gemeenten en krijgt die gemeenten lief als een openbaring van de kerk van Christus, waarin God Zijn werk verheerlijkt in het roepen' van zondaren.
Niet maar scheiden, verbinden.
Het begeleiden en volledig opnemen van de sterk groeiende groep studerende jongeren is onze volle aandacht waard. De basis voor die integratie is aanwezig in het gezamenlijk van harte instemmen met de leer die naar de godzaligheid is (1 Tim. 6 : 3). Niemand in onze kring mag zich een generatiekloof laten aanpraten. Dat is een list van de boze. Het wereldse denken scheidt jong en oud, probeert tegenstellingen te scheppen en te versterken, holt gezagsverhoudingen uit en prijst konflikt-modellen aan.
Vanuit het Woord des Heeren komt echter de opdracht tot ons allen om de generaties niet te scheiden, maar te verbinden (Ps. 78). Elke doopsbediening spreekt ook daarvan: de waarachtige en volkomen leer der zaligheid de voorzeide leer. Gods Woord houdt altijd stand en heeft altoos kracht om geslachten samen te binden. Bidt met een algemene stem om vrede voor Jeruzalem. Het ga hun wèl, die u beminnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1974
Daniel | 20 Pagina's