JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Ds. LEDEBOER ZIJN STRIJD, EN ZIJN KERKELIJK STANDPUNT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds. LEDEBOER ZIJN STRIJD, EN ZIJN KERKELIJK STANDPUNT

GEREFORMEERDE GEMEENTEN IN HISTORISCH PERSPEKTIEF (I)

11 minuten leestijd

Kerk en Ver1ichting.

Laat je niet bevoogden door traditie, gewoonte, een bijbel of een kerk. Gebruik alleen het gezonde verstand. En de beste aller werelden zal spoedig tot stand komen.

Dat is de uiterst optimistische leus van de Verlichting, de stroming die in de achttiende eeuw beslag legt op de harten van duizenden. Die visie houdt niet minder dan een absolute breuk in met het Woord van God, al wordt dat niet direct hardop gezegd. Niet Gods Woord, maar het menselijk verstand, bij voorkeur de Rede genoemd, vormt het kompas, waarop een mens zou moeten varen voor tijdelijk en eeuwig leven. Alles wat met de Rede niet kan worden verklaard — ook in de Schrift ! — moet terzijde worden gelegd. Het is hooguit een uiting van achterlijkheid, bijgeloof of vooroordeel. Wie zich leiden laat door het licht van zijn — onbedorven — rede gaat vanzelf de deugd betrachten en wordt daarmee een deugdzaam mens, die in het hiernamaals door God zal worden beloond. Deze volstrekt onschriftuurlijke gedachtengangen gaan tussen 1750 en 1800 grote delen van de Nederlands Herv. Kerk STANDPUNT beheersen. „Verlicht" denken is de grote mode bij hogere standen en gezeten burgerij, waaruit het overgrote deel van de kerkeraden wordt gekozen. Steeds meer predikanten geven hun gemeenten stenen voor brood, omdat zij de-goede-mens prediken, die redelijk handelt volgens een „natuurlijke" oftewel redelijke religie. Tallozen vluchten in noodonderkomens — de gezelschappen — omdat zij in de officiële kerk geen antwoord ontvangen op hun vragen over zonde en schuld, voldoening en verzoening.

Na 1800 lijkt de overwinning van de Verlichting in de kerk volkomen te zijn. In 1807 worden de Evangelische Gezangen ingevoerd, die de gemeenten op verlichte wijze laten zingen over Opperwezen, deugd en onsterfelijkheid. In 1816 wordt door de regering bij koninklijk besluit aan de kerk een Algemeen Reglement opgelegd, waarin alles organisatorisch heel rede-lijk is opgezet met de synode als het topbestuur van een vereniging. Van de vrijheid van de plaatselijke gemeente als openbaring van het lichaam van Christus blijft niets over.

Tenslotte zet de Hervormde Kerk in datzelfde jaar de deur open voor vrijheid van leer door het aanvaarden van een dubbelzinnig te lezen eedsformule voor a.s. predikanten. In feite heeft de kerk met deze ontwikkeling in leer en tucht, in lied en kerkorde — wezenlijke punten — de leer van de Hervorming verlaten.

De Heere waakt echter over de kerk in cleze lagen landen. Het Réveil van Da Costa en de zijnen is de eerste reaktie op het verval. De Afscheiding van 1834 vormt een tweede antwoord op de overheersing van de Verlichting in de kerk. Deze achtergronden moeten ons goed voor ogen staan, wanneer we ons bezinnen op de strijd van Ds. Ledeboer en zijn kerkelijk standpunt.

Ledeboer en de Algemene Reglementen.

Ledeboer stamt uit een vooraanstaande, zeer gegoede Rotterdamse koopmansfamilie. Hij kenmerkt zich van jongsaf door grote levensernst. Tijdens zijn theologiestudie in Leiden verkeert hij vaak in gezelschapskringen. In 1838 wordt hij predikant in het landelijke

Benthuizen. Daar komt hij na een lange gebedsworsteling van drie dagen en nachten tot volle ruimte: „Ik was een nieuw mens geworden de duisternis was weg. Het was al licht om, in en boven mij. Een Vrede gevoelde ik, die alle verstand te boven gaat. De Satan week; Christus kwam in mij Met Christus ontwaakte ik, stond ik op, sliep ik in, ging ik ter ruste dag en nacht".

De volgen.de zondag preekt Ledeboer over de tekst: Dit weet ik, dat ik eerst blind was en nu zie. Het doorbrekende werk van de Heilige Geest in het eigen leven stempelt zijn prediking, die door haar grote ernst en bevindelijke inslagspoedig onderwerp van gesprek worclt in grote kring. Van wijd en zijd rollen 's zondags de koetsen met hoorders het dorp binnen. De zuivere prediking van het Evangelie is schaars in deze tijd! Spoedig geraakt Ds. Ledeboer in ernstige moeilijkheden. In Benthuizen bestaat een oude gewoonte, die erop neerkomt dat er steeds iemand uit de buurtschappen Benthorn en Hoogeveen — er wonen 13 gezinnen — zitting moet hebben in de kerkeraad. Bij de kandidaatstelling breekt Ledeboer met deze min of meer vergeten gewoonte. Het gaat hem niet om de vertegenwoordiging van een of ander buurtschap, maar om kandidaten, gesteld naar de eis van Gods Woord. Een buurtbewoner tekent protest aan bij het classicaal bestuur, dat het besluit van de kerkeraad vernietigt. Het is in strijd met het Algemeen Reglement. Die uitspraak dwingt Ledeboer tot studie van deze reglementenbundel, die dergelijke gewoonten wettigt. Hij geraakt opnieuw in zware strijd. In één rijk kunnen geen twéé soorten wetten bestaan. In de kerk des Heeren is geen ruimte voor goddelijke én menselijke wetten!

Aan afscheiding denkt Ds. Ledeboer niet. Daartegen heeft hij menig keer gepreekt: „Tegen scheiding was ik ingenomen, soms in eene hoge mate". Drie keer heeft hij trouwens bedankt voor een beroep van een Afgescheiden gemeente. Zijn begeerte lag er wel heen, schrijft hij, maar hij kon „geen opening" vinden. Hij spreekt, schrijft, bidt en worstelt tegen de gedachte van afscheiding.

Boekenbe grafenis.

De strijd spitst zich nu snel toe. Het is zaterdag 7 november 1840. Ds. Ledeboer is opnieuw bezig met de kwestie. Hij schetst in zijn brokkelige stijl in „Van 's Heeren wegen" de weg naar de beslissing als volgt: „Ik moest den bundel menschelijke halen, ze vergelijken met Gods Woord. Dit geschiedde. Het eene licht kwam boven het andere. Er ging kracht uit van den Heere Heere, Zijn Woord moest ik kiezen en het. menschen woord afzweren, daar ik bij mijne toetreding tot het leeraarsambt trouw aan gezworen had met onderteekening, zonder ze ooit te voren te hebben ingezien. In blindheid had ik ze onderteekend, ziende moest ik ze afzweren en ik openlijk getuigenis afleggen van het licht en het gezigt, dat de Heere mij in deze had gegeven. De vreugde die ik in God gevoelde bij dien stap en keuze was groot. Het pak daar ik negen maanden mede geloopen had, ontviel mij".

De volgende zondagmorgen deelt hij de gemeente zijn keus mede: Vóór Gods Woord, tégen de Algemene Reglementen. Hij spreekt openlijk zijn schuld uit over het blindelings accepteren van de reglementenbundel. De gemeente voelt de bijzondere ernst van zijn woorden. Midden in de preek werpt hij in hevige verontwaardiging het gezangenboek en de reglementen van de kansel. Een vrouw, die toeschiet om de boeken op te rapen, weerhoudt hij met de woorden: „Laat het liggen, laat het liggen. Straks zullen wij het begraven". Na de dienst verzoekt hij de gemeente hem te volgen naar de tuin van de leegstaande

burgemeesterswoning, die hij enkele weken geleden gekocht heeft met de vage bedoeling er een school van te maken.

Spoedig is een gat gedolven. De boeken worden erin geworpen'. „Daar liggen moeder en kind bij elkaar", zegt Ledeboer. Een paar schoppen grond erop. De aarde wordt aangetrapt. Dan zingt de gemeente: De Heer zal opstaan tot den strijd Maar 't vrome volk in U verheugd Vraagt naar de Heer en Zijne sterkte. Er is beslist een meer ordelijke wijze denkbaar om bezwaren tegen het verval van de kerk kenbaar te maken. Dat stellen we voorop. Wie hier echter zucht naar sensatie vermoedt óf een spontane ondoordachte daad signaleert, die samenhangt met de inderdaad sterk gevoelsmatige instellingvan Ledeboer, vergist zich.

Ledeboer handelt weloverwogen en in heilige ernst. Vijf dagen later zal hij tegenover het classicale bestuur verklaren tot deze stap gekomen te zijn „met voorbedachten rade, ten zeerste mij daartoe gedrongen gevoelende door Gods Woord en Geest, zoo ik mij niet bedrieg".

Het gehele gebeuren is vol symboliek. Alles verwijst naar de innerlijke strijd die gestreden is. Maandenlang heeft hij geworsteld om licht in verband met de toestand van de kerk in het algemeen en de druk van de reglementen als zuiver menselijke geboden in 't bijzonder. Nu God licht gegeven heeft, is de kracht van gezangenverordening en reglementenbundel volkómen gebroken. Zij hebben afgedaan! Zij zijn dóód en behoren begraven te worden.

Onvoorwaardelijk kiest hij voor Gods Woord en inzettingen. Daarom zingt hij bij deze boekenbegrafenis met de gemeente zijn hernieuwd en krachtig geloofsvertrouwen uit. De Heere zal strijden en sterkte geven.

Het optreden van Ds. Lede-Schematisch overzicht van hot ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten

boer is de zeer persoonlijke vormgeving van een na veel strijd ontvangen inzicht. Dat inzicht brengt tot een putiliek getuigenis tegen de geest van de Verlichting, die de kerk heeft geruïneerd.

Uitgestoten.

Binnen een week spreekt het classicaal bestuur de schorsing van de predikant van Benthuizen uit, nadat hij met enkele ouderlingen is gehoord. Uit de officiële stukken blijkt, dat er bij Ds. Ledeboer vier hoofdbezwaren bestaan:

— de invoering van de Algemene Reglementen; — het zingen van de Evangelische Gezangen; — het niet toekennen van bindend gezag aan de Formulieren van Enigheid; — het niet meer toepassen van de kerkelijke tucht.

Hij verklaart geen vrijmoedigheid te hebben om zelf tot afscheiding over te gaan. Zijn enige begeerte is zich in zijn ambtswerk te houden aan de leer, de eredienst en de tucht, zoals die sinds twee eeuwen in de kerk van Nederland zijn voorgestaan. Het vonnis over Ledeboer wordt vlot geveld. Hij wordt begin '41 uit zijn ambt ontzet wegens „een openbare, even hoonende als dwaze handeling, met de Kerkelijke Reglementen en Evangelische Gezangen". Ook het feit dat hij na zijn schorsing nog gepreekt heeft en in bijeenkomsten van Afgescheidenen zelfs de sacramenten heeft bediend, wordt gretig aangegrepen. Over de principiële bezwaren van Ds. Ledeboer zwijgt het officiële stuk in alle talen! Dat is alles-zeggend.

Zo is Ledeboer uit de Hervormde Kerk geworpen. Hij beschouwt zich dan ook niet als een scheurmaker. In „Een ABC door een abéling" — een innig vroom, godvruchtig boekje — spreekt hij uit dat er in zijn hart geen bitterheid is over de gang van zaken. Dan richt hij zich tegen de kerkbesturen die zijn zaak behandeld hebben: „Verwerp niet den raad, cle vermaning van hem die uitgestooten is van ulieden, omdat hij (ocfc mogt hij geene nieuwe gekozen hebben en volgen!) met uwe goddelooze wetten en inzettingen zich niet langer mogt of kon vereenigen. O ik zie niet laag op ulieden. Wat onderscheidt mij clat ik niet in het onderste der helle leg te branden? GENADE ALLEEN".

Zijn kerkelijk standpunt.

Ds. Ledeboer wil uitsluitend terugkeer tot de leer en de kerkregering, zoals die zijn vastgesteld door cle synode van Dordrecht in 1618-1619. Daarom vergelijkt hij de onwettig tot stand gekomen kerkbesturen van cle Herv. Kerk met dieven. Deze dieven zijn het huis binnengedrongen en hebben de oorspronkelijke bewoners vastgebonden en van al hun goederen beroofd. Doch al zijn de dieven nu in het bezit van de naam, de rechten en de goederen van de Ned. Hervormde Kerk, daarmee zijn zij nog geen wéttige bezitters. In dit licht moet de bekende uitspraak gelezen worden, die voorkomt in zijn boekje „Van 's Heeren wegen": Het (n.1. het gehéél van de Herv. Kerk, G.) is het onze, en God zal het ons wedergeven op zijn tijd en de vijanden verdrijven".

In het reeds genoemde „ABC" werpt hij cle vraag op welke uitwendige kerkgemeenschap het meeste overeenkomstig Gods heilige wil en welbehagen is. Dan luidt zijn antwoord even bescheiden als beslist: „Wij voor ons gelooven zij, die zonder zich te hebben gebogen voor het beeld en beest (van de reglementen? G.), der Gereformeerde belijdenis wenschen getrouw gemaakt te worden, zoo wij wel zien".

De binding aan cle belijdenis is voor Ds. Ledeboer het beslissende punt. Die band is in de Herv. Kerk losgelaten.

Daarom kan daar onze plaats niet zijn, zolang God geen wederkeer schenkt. Vlak voor zijn sterven, tijdens een predikatie te Veenendaal op 29 juli 1863 over Jeremia 10 : 17-21 spreekt hij nog uitvoerig en met volle overtuiging over zijn kerkelijk standpunt, „betuigende in aller tegenwoordigheid, dat alles wat van de belijdenis onzer godvruchtige vaderen afweek eenmaal als kramerij zal worden weggeraapt". Zo overtuigend is zijn getuigenis, we citeren zijn vriend G. de Braai Jr., dat velen na de preek „zich geneigd en overgeboogen betoonden, om door belijdenis tot de kerkelijke gemeenschap van ZEW. over te gaan, welke dan ook den volgende Zondag te Leersum, in cle provincie Utrecht, als ledematen zijn bevestigd geworden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1974

Daniel | 20 Pagina's

Ds. LEDEBOER ZIJN STRIJD, EN ZIJN KERKELIJK STANDPUNT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1974

Daniel | 20 Pagina's