JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

GA JE MEE EEN EINDJE OM. . . . . .

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GA JE MEE EEN EINDJE OM. . . . . .

7 minuten leestijd

„Er was eens een man van drie en tachtig jaar die zijn vrouw begroef. Ze was twee en tachtig jaar geworden. Toen hij achttien jaar was ontmoette hij haar. Zij was toen dus zeventien. Toen ze de eerste wandeling maakten, zei één van beiden: zullen wij samen de Heere gaan zoeken? Dat is gebeurd ook. Ze gingen allebei na een leven van veel strijd en ook veel geluk in de eeuwige rust in. Zo komen er hier ook wel eens jongens een meisje tegen. Is dit ook wel eens onderwerp van gesprek, jongens en meisjes: zullen we samen de Heere gaan zoeken? Och er is niemand die God zoekt, zegt u. Jazeker, dat klopt. Maar cle Heere werft ze, ook nu. Wat zou het groot zijn wanneer God een cirkel om die meisjes trok en om die jongens!

Sara was onaantastbaar voor de Farao en voor Abimélech. Wat is het groot als rondom alleenstaanden of om mensen die in gebrokenheid van het leven staan, ook jongens en meisjes, een cirkel getrokken wordt. De meisjes hier moeten er goed aan denken dat ze zich pas aan een jongen mogen geven als ze wettig getrouwd zijn. Je moet pas wettig trouwen als je er heel zeker van bent: hij houdt zo veel van me, dat ook als ik verschrompel, hij er nog is. Ja, zeg je, maar hoe weet je dat allemaal van te voren? Dat kunnen wij niet zien, maar dat moet wel diep in je hart zitten. Niet dat fladderen en dat vlinderen, maar dat op elkaar aan kunnen. Dat is alleen in Gods genade mogelijk." (blz. 49).

„HET ZAAI) ZAL MIJ DIENEN".

„In een gezonde gemeente worden kindertjes geboren, in een verziekende gemeente worden kindertjes in de moederschoot gedood, worcU alles gedaan om maar zo weinig mogelijk kinderen te krijgen. Een nageslacht en soms een talrijk nageslacht kan voor een gemeente, mits in de vreze Gods, let daar goed op, een grote zegen zijn. Weet u wat nog groter zegen is? Als men een talrijk geestelijk nageslacht heeft. Het ligt in cle rede, dat zodra iemand er voor zichzelf houvast aan krijgt, hij of zij gelijktijdig werkzaam wordt met zijn of haar kind. O, dat mijn kinderen daar deel aan mogen ontvangen, want de liefde trekt. Dan zou je ze allemaal mee willen nemen naar de troon der genade. Nu, dat mag. Je mag ze allemaal opdragen." (blz. 51).

JAN OF GERUIT, BEN JIJ DAT ? LET OP DAN

„Nu hoeft U niet te denken, dat het voor Jan of Gerrit wel niet zal zijn. Dat is Gods zaak. U mag ze opdragen, één voor één, want niemand kan het missen. Niemand. Niet één. Ook dat weerbarstige kind van u niet. Ook dat verdwaalde en verdwaasde kind niet. Ook dat farizeïstische kind niet, dat nog wel aan het lijntje loopt maar hij zelf en z'n hart zit zaterdagsavonds op de dansvloer. Je zult ze ook uit onze gemeente de kost geven, die er zitten, en ze komen soms midden in de nacht thuis. Het is een toestand. Is dat een voorbereiding, jongens en meisjes, op de zondag? Gemeente, dan krijgen we te doen met ons nageslacht. Dan kunnen we het niet laten cm die kinderen op te dragen en ze daarin voor te gaan. In liefde mee te trekken. Is hier geen moeder die daar zo vol van is dat ze haar kind mee trekt en zegt: kind, kom! En zo kunnen we doorgaan. De welstand van de gemeente hangt van haar geestelijk nageslacht af. God bouwt Zijn kerk „door middel van". Augustinus' moeder heeft zo veel voor haar jongen gebeden dat Ambrosius zei: een kind van zoveel gebeden kan niet verloren gaan. Daar moeten wij wel voorzichtig mee zijn. Maar

Ambrosius zei het van Augustinus en het was waar. En in de diepste grond is het vandaag nog waar. Als onze kinderen besprenkeld zijn met de gebeden die uit de Geest afdalen in onze ziel." (blz. 52).

GAST EN VREEMDELING OF DEZE AARDE

„Abraham, Izaak en Jakob zijn vreemdelingen geweest, in het eigen beloofde land. Abraham zegt het, Jakob zegt het, Izaak zegt het. Wat is dat een geweldige zaak. Zij nestelden zich er niet. Ik dacht dat dit één van de dingen was, waar wij vandaag meer dan ooit op moeten letten. De onthechting. Want zeker, we zitten muurvast op deze wereld. Jon, ge mensen, die laten we zeggen vijftien, twintig jaar zijn, die zeggen misschien, ja ik heb mijn hele leven nog voor me. Maar nu moet je je eens indenken, jongens en meisjes: je bent hier even te gast. Misschien ben je uit geweest, misschien ben je bij familie geweest, of ergens anders, waar je gast was. Dat betekent, je komt en je gaat. En nu kunnen jullie je niet voorstellen, dat brengt ook je leeftijd mee, dat je hier maar zo'n dagje jongen of meisje bent op de aarde. Je vindt natuurlijk tachtig jaar een enorm eind. Als je er voor staat wel. Maar goed, laat tachtig jaar een heel eind zijn, in verhouding met de eeuwigheid is het maar een ogenblik. Houden jullie er rekening mee kinderen, jonge mensen dat jullie te gast zijn op deze aarde." (blz. 62).

LEVEN WE GERICHT ?

„Je mag hard werken; het is zelfs je dure roeping, maar houdt er goed rekeningmee: je bent op deze wereld om wedergeboren te worden. Bekeerd te worden. Tot geloof te komen. Het waarachtig geloof in jullie hart te kennen. Dat staat dwars op jullie eigen schema's en voorstellingen, en op de leerprogramma's en alles wat er vandaag is. Maar het is er niet minder waar om. Ze hebben beleden dat ze gasten en vreemdelingen waren. Dat wil zeggen, ze rommelden maar niet wat aan. Maar ze hadden een gericht leven. Gemeente, is dat bij ons ook zo? Want waar komt het verval in de huwelijken en gezinnen vandaan? Dat er niet gericht geleefd wordt. Dat vader en moeder niet doordrongen zijn, of niet voldoende doordrongen van de noodzaak om het aan de kinderen over te dragen, en de kinderen ook zelf er niet van doordrongen zijn, dat ze leven voor het Koninkrijk Gods. En anders niet."

„Ja zegt iemand, we hebben toch een taak? Zeker, dat heeft God bij wijze van spreken ingecalculeerd, dat heeft Hij opgenomen in Zijn program. Er werd iemand begraven, zijn zoon zei op zijn graf: zijn leven was werken. En zijn werk was zijn leven. Cmdat dit kennelijk alles was, werd ik er koud van, toen ik het hoorde. Is dan zijn werk niet een grote zegen? Jawel, maar als iemand zich dood werkt en hij kent God niet, dat is toch vreselijk? Als iemand wat mij betreft boerderij bij boerderij trekt, gesteld dat het nog zou kunnen, huis aan huis trekt, zijn bezit uitbreidt, en hij kent God niet, wat is zo'n man clan arm. Bedelarm, straatarm! Wanneer iemand in eer en aanzien toeneemt, burgerlijk of kerkelijk, maar hij kent God niet, wat is zo'n man clan diep te beklagen. En bovenal te veroordelen. Want Gód roept ons op! Waar uw schat is, daar is uw hart. Nu moet ge dat zelf vandaag maar eens eerlijk voor God, tussen Gocl en uw ziel uitzoeken: waar zit nu mijn schat? Want dat kunt u te weten komen, als u uw hart nagaat. Waar gaat uw hart naar uit? " (blz. 62.63).

WAAR GAAT ONS HART NAAR UIT?

In deze rubriek hebben we deze keer een aantal indringende fragmenten overgenomen, ter verdere doordenking, die ontleend zijn aan een boek met preken over Hebreeën 11: „Door het geloof " van wijlen ds. G. Boer uit Zoetermeer. Lees je de rest van het boek ook? Laten we de oproep tot bekering en tot het dienen van de Heere ter harte nemen. „Hij die roept, is getrouw!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1974

Daniel | 20 Pagina's

GA JE MEE EEN EINDJE OM. . . . . .

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1974

Daniel | 20 Pagina's