ONS VERVOLGVERHAAL 1()
„Dus je denkt er wel even aan, hè Maarten? "
Het blijft even stil. Van beneden komen vage geluiden van deuren, die open en dicht gaan. Maarten tekent met de punt van zijn schoen de figuurtjes na in het pluchen vloerkleed. „Goed " zegt hij dan stroef en werpt even een schuine blik op z'n vader, die tegenover hem zit.
„Hier heb je het briefje dan. En ga nu maar gauw, want je hebt je tijd echt wel nodig!" „Dank u. Tot vanavond dan. pa!"
„Dag Maarten, tot vanavond".
Nog geen vijf minuten later zit Maarten op de fiets en trapt met gebogen rug de kilometers weg. Een klein figuurtje op een lange winderige dijk. Soms is er om de hoek van een huis een onverwachte rukwind.
Dan klemt hij zijn stuur steviger in z'n handen, zodat de knokkels haast wit worden, 't Is heel wat om iedere dag tien kilometer naar school te moeten fietsen. Maar hij is er al aan gewend. Hij heeft slechter weer meegemaakt dan 't nu is. Hij kijkt even achterom. In de verte fietsen twee meisjes hem achterop. Ingrid en Gerda, begrijpt hij. Zou hij op hen wachten? Het zijn twee meisjes uit zijn klas, die in hetzelfde dorp wonen als hij. Nee hoor, hij doet het niet. Die Ingrid — hij mag haar niet zo erg. Trouwens, hij wil nog éven alleen zijn en denken.
In de zak van zijn jack zit vaders briefje. Boven op de gang heeft hij het nog gauw even doorgelezen. In vaders wat onregelmatige handschrift staat er:
I.v.m. onze te houden biddag op 13 maart a.s. wil ik hierbij voor mijn zoon vrij vragen voor de middaglessen, zodat hij dan de kerkdienst kan bijwonen.
Na nog een beleefdheidszinnetje volgt de handtekening. Maarten zucht eens. Wat is het allemaal moeilijk, nu hij MAARTEN op cle Mavo zit. Vroeger op de lagere school was het „vrij vragen" geen enkel probleem, maar nu... Hij weet zeker dat niemand uit de klas het begrijpen zal, behalve Ingrid en Gerda dan.
„Moet jij in de week ook naar de kerk? " zullen ze vragen. „Gunst, ik wist niet eens dat jij naar een kerk ging, zeg".
Maarten kleurt even. Dat had hij tegen vader ook gezegd: „Maar ze weten niet eens dat ik naar een kerk ga , pa!" Toen had zijn vader hem even aangekeken. „Nee, Maarten? " had hij toen zacht gevraagd. Maartens kleur wordt dieper. O, hij wéét wel hoe het moet, maar het is zo moeilijk
Maarten nadert de stad. I-Jij is laat. Gert zal er al wel staan. Het laatste stukje fietst hij altijd samen met Gert Bos. Ze ontmoeten elkaar dan op de hoek van de Emmastraat.
Maarten remt al af. Hé, Gert is er nog niet. Hij stapt af en kijkt de Emmastraat in. Niets te zien. Vreemd, hij had er al lang moeten zijn, want het is al vijf over acht. Uit verveling draait hij een paar rondjes over de straat. Waar blijft hij nu toch? Zou hij door gegaan zijn? Maar dat heeft hij nog nooit gedaan.
Tien over acht. Hij móét nu gaan, anders komt hij te laat. Langzaam wendt hij zijn stuur om en fietst verder. Af en toe kijkt hij om, maar Gert is nergens te zien.
Het is middag geworden. In klas lb is het stil. De leerlingen wachten tot meneer Derks het sein geeft: één van hen moet een spreekbeurt voor Nederlands houden. Dat is altijd leuk, die spreekbeurten. Tenminste, als je het zelf niet hoeft te doen.
„Henk Timmers - jij was aan de beurt, hè. Kom maar voor de klas".
Iedereen neemt een afwachtende houding aan. Henk - „vader Henk" wordt hij genoemd omdat hij altijd opkomende ruzietjes en plagerijtjes sust - komt naar voren.
Nee, hij is nu niet vader Henk, maar een zenuwachtige schooljongen, clie zijn papier om en om in z'n vingers draait. Hij schraapt zijn keel. Nu kijkt hij de klas rond. Dat móét van meneer Derks. „Kijk cle mensen tegen wie je praat altijd aan!" Maar Henk ziet nu alleen wat schimmige grijze vlekken - de gezichten, die hem één voor één aankijken.
„Begin maar", moedigt meneer Derks aan.
„Zoet-en zoutwatervissen", gaat Henk van start. „Vissen zwemmen in het water ". Algemeen gelach. Henk is al weer van zijn stuk gebracht. Maar op een wenk van meneer Derks zwijgt de klas en Henk gaat verder.
Achteraan bij het raam zit Maarten. Hij stut z'n hoofd in z'n hand en kijkt naar Henk. Maar hij ziet hem niet. Hij denkt aan iets heel anders. Volgende week om deze tijd, denkt hij — dan zit ik in de kerk. Hij heeft vaders briefje nog niet afgegeven. Dat moet drie dagen van tevoren, dus kan hij het ook nog morgen doen. Of zal hij ?
Henk is klaar. Hij heeft het er tóch niet slecht afgebracht; een zeven!
Meneer Derks kijkt in z'n agenda. „Volgende week is aan de beurt... eh ..". Hij kijkt op, ziet de gespannen gezichten en glimlacht. „Nou, ik denk van..." Hij kan 't niet laten om de spanning nog even te rekken. Steeds weer moet hij dit goedmoedige plagerijtje uithalen. Hij bestudeert uitgebreid zijn agenda. Dan pakt hij z'n pen en stipt plotseling een naam aan. „Gert Bos!" Maar nu glimlacht de klas. „Die is er niet, meneer!"
„Nee? Is hij ziek? " Niemand geeft antwoord. Ze halen de schouders op en kijken elkaar aan. „Weet niemand het? Jij ook niet, Maarten? Jullie komen toch altijd samen? " , , 'k Weet ook niet, meneer. Vanmorgen stond hij er niet ".
Meneer Derks tuit even nadenkend z'n lippen. „Nou, weet je wat, dan doe jij het zelf!"
Langzaam kruipt een gloeiend-rode kleur over Maartens gezicht. Meneer Derks glimlacht. „Ja, je zult er ook aan moeten geloven, jongen".
Maarten buigt het hoofd. Dat is het niet, die spreekbeurt. Ja, dat is ook erg. maar dat andere — dat briefje van vader! Hij is er volgende week immers niet! Razendsnel tollen zijn gedachten rond. Moet hij dat nu zeggen? Eigenlijk wel. Twee stemmen proberen elkaar te overtreffen in zijn hart. Toe Maarten, wees flink, zeg het! Niet doen hoor, dan maar géén spreekbeurt! Tenslotte stottert hij: „Ja„ maar, meneer... ik...".
De klas kijkt nieuwsgierig om. Is er tegenspraak? Is er wat te beleven 7 „Je bent toch echt aan de beurt, Maarten", zegt meneer Derks. „Ja, maar " Maarten vecht met zichzelf. Hij móét 't wel zeggen. Of kan hij niet gauw een uitvlucht bedenken? En dan opeens zégt hij het tóch. „Dan ben ik er niet, meneer".
„Nee? Ben je verhinderd? " De stem van meneer Derks klinkt nu wat ongeduldig. „Ja... ik heb 'n briefje bij me, meneer!" „Zo: Dat moet je maar aan je mentor geven. Heb je een bruiloft? "
Maarten beseft dat hij er niet meer onder uit kan en dat hij op deze manier een bespottelijk figuur slaat. Hij gaat rechtop zitten. Opeens is hij wonderlijk kalm. Wordt hem rekenschap gevraagd? Goed, hij zal het zeggen.
„Nee meneer, ik moet dan naar de kerk, 't is biddag ". Meneer Derks kijkt hem een tikje nieuwsgierig aan. „Geef dat briefje maar even, Maarten". Op de voorste bank zit Ingrid. Ze draait zich half om naar Maarten, als hij voorbij loopt. Ze lacht geheimzinnig - wétend.
„Biddag", zegt meneer Derks als hij het briefje gelezen heeft. Is dat niet alleen 's avonds? Hij kijkt Maarten aan of hij hem voor het eerst ziet. Een slungelige donkere jongen met kortgeknipt haar. Een wat ernstig gezicht met pientere ogen, die nu duidelijk afwijzend staan. Nu schudt hij het hoofd, , , 's Middags ook!"
„Wie is jullie dominee dan? Bij welke kerk ben je aangesloten? " Nu schrikt Maarten. Hij kan zo gauw geen antwoord geven. Zijn ogen dwalen door de klas — tot hij Ingrid ziet. Ze wipt op en neer op haar stoel van sensatie. Ze kan het niet meer uithouden... „Meneer!" roept ze. „Meneer! Die dominee — dat is zijn vader!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1974
Daniel | 20 Pagina's