JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE VAKBOND NU

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VAKBOND NU

10 minuten leestijd

Het is niet de bedoeling van dit artikel informatie te verstrekken over achtergronden, geschiedenis en ontstaan van de vakbeweging. Het gaat er slechts cm onze blik te werpen op de vakbond, zoals wij die NU tegenkomen in de samenleving. Toch lijkt het mij goed heel kort enkele dingen uit het verleden met betrekking tot dit onderwerp op een rijtje te zeten. Bepaalde ontwikkelingen en verbanden' worden clan beter gezLen.

Opkomst van de arbeidersorganisaties organisaties

Het is genoegzaam bekend dat door de Industriële Revolutie het maatschappelijk leefpatroon ingrijpend gewijzigd is. Voordien was er veel huisnijverheid en kwamen hooguit kleine bedrijfjes voor. De werkman (al of niet voor zichzelf werkzaam) voelde zich zeer nauw bij het werk betrokken. Door de industrialisatie — vooral in de eerste helft van de vorige eeuw — verdwijnt deze band. In het grootbedrijf is de loonarbeider de gehele dag bezig met een klein deel van het productieproces. Bovendien zorgde de ongereglementeerde concurrentiestrijd voor lage lonen en lange werkdagen. Om redelijk in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien moesten vaak vrouwen en kinderen helpen bij het verdienen van de kost. Het duurde tot 1874 eer op dit terrein bepaalde beschermende overheidsmaatregelen genomen werden („kinderwetje" van Van Houten). Daar komt nog bij dat bij ziekte of werkeloosheid geen uitkeringen plaatsvonden. De gevolgen bleven niet uit: slechte woontoestanden, messetrekkerij, drankmisbruik, prostitutie enz.

Tegen deze achtergrond moet de opkomst van de arbeidersorganisaties gezien worden. De eigenlijke ontwikkeling kwam in ons land eerst na de opheffing van het coalitieverbod (1872) op gang: Algemeen Nederlands Werkliedenverbond, Nationaal Arbeidssecretariaat enz. Vermeldenswaard is dat in het christelijke Nederlands Werkliedenverbond Patrimonium zowel werknemers als werkgevers verenigd waren. In de eerste jaren na de eeuwwisseling ontstonden de grote vakorganisaties, zoals wij die nu nog kennen: NVV, NKV (voorheen Katholieke Arbeidersbeweging) en CNV.

De eerste jaren na ’45

De economische politiek van de Nederlandse regering direct na de Tweede Wereldoorlog was gericht op het zo snel mogelijk opbouwen van een stabiele en (in behoorlijke mate) welvaartverschaffende economie. Aan dit beleid hebben de vakorganisaties hun steun toegezegd en ook daadwerkelijk gegeven. Bijgevolg moesten zij de looneisen wel matigen. De loonrondes in de vijftiger jaren zorgden dan ook voor niet meer dan een tegemoetkoming voor de prijsstijgingen en een geldelijke waardering voor de stijging van de arbeidsproduktiviteit. Het laatste in de beginjaren nog maar zeer ten dele.

De ontwikkeling vanaf 1960

De verandering van regeringscoalitie in 1959 (PvdA eruit; VVD erin) had ook gevolgen voor het loonbeleid. Ten eerste wordt clan de tendens duidelijker cle loonstijging (meer) afhankelijk te willen maken van de stijging van de arbeidsproduktiviteit. Bovendien wilde de regering het loonbeleid meer in handen geven van de betrokken partijen clan voorheen het geval was geweest. Niet het door de overheid in het leven geroepen College van Rijksbemiddelaars kreeg langer het laatste woord, maar de door werkgevers en werknemers samengestelde Stichting van de Arbeid. Dan is de weg van de geleide loonontwikkeling verlaten en gaat men op de toer van de vrije loonvorming. Dit

proces heeft haar (voorlopig? ) eindpunt gevonden in de Loonwet van oud-minister Roolvink (1970). Loonvorming is een zaak van betrokken partijen, alleen' in het uiterste geval mag de minister nog (tijdelijk) ingrijpen. Zelfs deze soepele clausule schoot NVV en NKV dusdanig in het verkeerde keelgat, dat zij weigerden langer aan het loonoverleg (in SER-verband) deel te nemen. Eerst nadat art. 8 (dat de minister bevoegdheid gaf een — deel van een — CAO onverbindend te verklaren) was ingetrokken, is aan deze weigering een' einde gekomen. De minister behoudt nu alleen de bevoegdheid de lonen voor een bepaalde tijd te bevriezen.

Oorspronkelijke opstelling

Enerzijds moeten wij de opkomst van de vakorganisaties plaatsen tegen de achtergrond van de boven kort aangeduide allerberoerdste levensomstandigheden, waarin de arbeiders in het algemeen verkeerden. Anderzijds moeten we ook oog hebben voor het feit dat de opkomst van de arbeidersbeweging samenvalt en mede een gevolg is van de invloeden van Marx en zijn socialistische ideeën. De klasse-idee lijkt dan ook nauw verbonden met de vakbeweging. Het proletariaat, de arbeidersmassa moet zich mobiliseren en een macht vormen tegenover de ondernemers-kapitalisten. Voor de volgeling van Marx moet er gestreefd worden naar overname van de macht en de produktiemiddelen door de arbeiders. De communist, beter de orthodoxe marxist, wil tot deze machtsovername komen door de revolutie. De democratische socialist zoekt dit te bereiken langs lijnen van geleidelijkheid. Voor de christelijke vakbond gold als doelstelling de verbetering van positie van en klimaat voor de arbeider. Dit onderscheid tussen de algemene en de christelijke tak van de vakbond moet wel gemaakt worden, hoewel men in het algemeen sprak van „verenigingen tot het organiseren van werkstakingen" (aldus Prof. Dr. W. Albeda).

Tweemaal: gewijzigde houding

Droeg de vakbeweging in de begintijd het stempel van de klassestrijd, de harde lijn van de stakingen' volgend; na de tweede Wereld Oorlog verandert dit beeld. Zowel CNV als NVV volgt welwillend de weg van het overleg. Zoals boven aangeduid hebben de vakorganisaties in de eerste jaren na '45 bereidwillige medewerking verleend aan het streven van de regering zo spoedig mogelijk de wederopbouw van de economie te bewerkstelligen. Het stakingsmiddel lijkt in de ijskast te zijn gezet, de klasse-idee is schier vergeten.

In de tweede helft van de zestiger jaren is er echter weer een verandering merkbaar. Er wordt sneller naar het conflictmodel gegrepen dan na de oorlog de gewoonte was. De lijn wordt harder. De klasse-idee komt zelfs weer naar voren. Enkele uitspraken van vooraanstaande vakbondsmensen mogen deze beweringen' tot waarheid maken. „De vakbeweging moet zich meer losmaken van de bestaande instellingen en kritischer gaan staan tegenover de gevestigde orde", zei voorzitter Brussel van de Metaalbedrijfsbond van het NKV reeds in 1933. Nog scherper was Arie Groeneveld: „Het gaat nu niet meer om de belangen van de arbeider, maar cm verandering van de structuur der samenleving”.

Wel moeten we in dit verband weer een uitzondering maken voor het CNV. Voorzitter Lanser zei nog onlangs: „Het kan zijn dat je bepaalde verhoudingen moet doorbreken door middel van een conflict, maar dat middel willen wij in laatste instantie gebruiken". Het niet meegaan met de federatieve samenwerking met NVV en NKV spreekt in dit verband duidelijke taal.

Verbreding werkterrein

De laatste tijd lezen we telkens dat de vakbonden bepaalde wensen kenbaar maken op andere terreinen dan loonvorming en arbeidsverhoudingen. Zo heeft men zeer duidelijke meningen over ontwikkelingshulp, onderv/ijs (niet alleen ten aanzien van het vormingswerk en de werkende jongeren maar ook met betrekking tot de middenschool, de integratie van kleuter-en 1 ^sisonderwijs enz.).

Deze verbreding van het werkterrein door de vakbeweging is enerzijds potentieel altijd aanwezig geweest. Anderzijds is ze een gevolg van de verscherpte opstelling. De uitspraken van Brussel en Groeneveld laten duidelijk zien dat het niet alleen gaat om de behartiging van de belangen van de arbeiders. De hele maatschappelijke orde moet veranderd worden. Het eman-

cipatieproces en de democratisering moeten nu volledige doorwerking vinden. Het streven naar meer inspraak voor de factor arbeid is o.a. hiervan een symptoom. (Ondernemingsraden, die alweer achterhaald schijnen, omdat ze bij een harmoniemodel zouden passen; de werknemerscommissaris).

Radicalisering van standpunten

Het terugkomen van de overleg-houding van de eerste jaren na de laatste Wereld Oorlog en het terugkeren tot de conflicthouding van de beginjaren leidde tot verbreding van het werkterrein van de vakbeweging zagen' we. Anderzijds volgde ook een verscherping, een „verdieping" van het vakbondsstandpunt. Het arbeidsconflict in het voorjaar van 1973 droeg duidelijk het stempel van deze radicalere houding. Termen als inkomensnivellering, maximering in de prijscompensatie, centen in plaats van procenten, rechtvaardiger verdeling van de inkomensattributen vragen in dit verband enige nadere kennismaking.

Centen in plaats van procenten houdt in dat men cle loonsverhoging niet in procenten van het oude loon wilde uitdrukken, maar in een voor ieder gelijk guldensbedrag. Naar verhouding zouden de laagstbetaalden er dan meer op vooruitgaan dan de hogere inkomenstrekkers.

Maximering in de prijscompensatie houdt in (vereenvoudigd gezegd) dat de vergoeding voor de prijsstijging niet in procenten van het totale loon wordt uitkeerd, maar slechts in procenten van (globaal genomen) de eerste ƒ 35.000, —. Iemand die meer verdient dan genoemd bedrag wordt dus benadeeld door de prijsstijgingen.

Dit zijn twee middelen om een inkomensnivellering tct stand te brengen. Aan deze nivelleringstendens zitten ongetwijfeld rechtvaardige kanten (ook vanuit bijbels standpunt gezien), maar ook gevaarlijke zijden (zowel vanuit economisch standpunt als principieel bezien: er zit een linkse tendens achter). Hier verder op ingaan is op deze plaats niet mogelijk. *)

Wel moet nog even gelet worden op het streven naar rechtvaardige verdeling van de inkomensattributen. Men bedeelt hiermee, dat de mogelijkheden die de mensen bezitten om zich een inkomen te verwerven rechtvaardiger verdeeld moeten worden. Als mogelijkheden om inkomen te verwerven kunnen genoemd worden: vaardigheden, kennis, opleiding, ervaring, ijver, vermogen, enz. Om deze mogelijkheden tot betere ontplooiing te doen komen, wil men nog betere opleidingsmogelijkheden. Op zichzelf een goed iets, dacht ik. Alleen men moet echter niet menen dat zodoende alle verschillen weggewerkt kunnen worden, want de een is begaafder en/of ijveriger dan de ander. Dat zijn gegevenheden (genadegaven van God). Men schijnt zich daar echter niet bij te willen neerleggen.

Er is nog zo'n punt. Vermogensverkrijging uit erfenis vormt een steen des aanstoots en moet zoveel mogelijk worden wegbelast. Mijns inziens is de rijkdom van de ouders een gegeven, of liever door God bepaald.

Standpuntbepaling

Samenvattend moeten we zeggen dat de vakbond goede dingen heeft en gedaan heeft, maar de geest van waaruit gewerkt wordt is de onze niet. De Bijbel kent niet dat denken vanuit menselijke machtsverhoudingen en het rechthebben-op. Wel wijst de Bijbel ons op plichten en verantwoordelijkheden tegenover Gcd en medemens.

Het CNV is in het bovenstaande verschillende malen als positieve uitzondering genoemd: andere doelstelling — niet zo gericht op andere maatschappijstructuren, maar op positieverbetering; meer werkend volgens het overleg-model dan met het conflict-model; niet meegegaan met de federatieve samenwerking met NVV en NKV. Ik ben van mening dat deze ontwikkeling — het duidelijk kiezen van een eigen' positie — positief gewaardeerd moet worden. Het is zo gemakkelijk een afwijzend standpunt in te nemen zolang je er buiten staat, maar wanneer je met beide benen in de werkelijkheid staat, bepaalt niet alleen cle theorie je beslissing. Zo weet ik van vooraanstaande mensen uit Gereformeerde Gemeente en Oud-Gereformeerde kring, die beide rayonleider voor het CNV zijn. Misschien is het niet meegaan met de federatie wel te danken aan de inbreng van zulke mensen (denk ook aan de anti-federatie aktie te Urk).

Anderzijds leert de Bijbel ons dat ieder mens (dus werkgever en werknemer) tevreden moet zijn met de plaats die God hem geeft. Ieder mens moet zijn

plaats weten. Elke vorm van werkstaking bijvoorbeeld is daarom onmogelijk. De arbeider is niet alleen medewerker, zoals men tegenwoordig wil. De gezagsverhouding is er ook. De bijbelse notie van gehoorzaamheid mag daarom niet vergeten worden.

Dit sluit overleg echter niet uit maar juist in. Want de Schrift veroordeelt zowel de (in het kleinste) ongehoorzame werknemer, als ook de (in het kleinste) tot toorn verwekkende werkgever.


*) Voor een nadere bestudering van deze vragen zij verwezen naar de nrs. 4 en 5 van de 14e jaargang van OK (m.n. het artikel van Arendshorst over Tweeslachtigheid van de ongelijkheid).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1974

Daniel | 20 Pagina's

DE VAKBOND NU

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1974

Daniel | 20 Pagina's