LICHT EN SCHADUW
Totdat die dag aankomt, en de schaduwen vlieden. (Hooglied 2 : 17.)
Wanneer de blijde middagzon Uit onbewolkten boog Ons toelacht van omhoog, En vol van glans in de oogen blinkt; Dan krimpt de schaduw weg en slinkt, Beschaamd of 't wezen mocht, En of zij schuilplaats zocht.
Maar daalt die gloênde wereldbol In 't spoor, en wandelt hij Het middagpunt voorbij, Dan rekt dezelfde schaduw weer Zich uit, en groeit steeds meer en meer, En maakt zich, stond aan stond, Tot meester van den grond.
Zo is 't, waar 't hoger Hemellicht Zich instort in 't gemoed. 't Ontblakert in den gloed, En 't schijnt, de zelfheid gaat te niet In 't hart waarin 't zijn stralen schiet, 't Is hemel, wat men voelt, Wc, t oog en hart bedoelt.
Dan ach! die blijde middag houdt Bij d' aardse mens geen stand, Te nauw aan 't stof verwant. Zijn zwakheid draagt geen hemel, neen In 't dal van onmacht en geween, Maar zijgt weldra, vermast *) In geest — en lichaamslast.
Dank echter, dank, o grote God, Voor d' aanblik in 't gezicht Ook zelfs van 't vluchtigst licht! 't Houdt troost, verkwikking in, en kracht, Voor die in lijdzaamheid verwacht Op 't uur dat hem Uw hand In beter oord verplant.
*) vermast = afgemat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1974
Daniel | 20 Pagina's