KERST-VAKANTIE IN CANADA
ONS VERVOLGVERHAAL
Oom Henk is vroeg.
Cp de autoweg ten noorden van Calgary rijdt een grote, donkerblauwe Chevrolet. De man achter het stuur heeft er flink de gang in. Af en toe kijkt hij naar de lucht waar dichte nevels het vrolijk zonlicht verduisteren. „Dat wordt sneeuw", mompelt hij zacht. „Fijn, dat de zaken zo vlot verliepen. Wat zullen ze thuis opkijken, als ik zo vroeg kom". Na een blik op het klokje in het dashbord, ziet hij, dat het bijna kwart over twee is. „Als er niets opdoet, ben ik voor drie uur nog thuis", zegt hij vergenoegd en steekt een sigaar op.
„Wat zullen Kees en Peter blij zijn". Rustig zoeven de banden van de grote wagen over de weg. Bij een zijweg houdt hij even wat vaart in. Er staat een wegwijzer. „Zie je wel", zegt hij binnensmonds, „Calgary 60 km. Nog een goed half uur". Het begint te sneeuwen, de ruitenwissers doen hun eentonig werk. Even denkt de man: „Zou ik de sneeuwkettingen om de banden doen? " Maar hij verwerpt de gedachte, , , 't Is de moeite niet, die paar vlokjes". Langzaam kruipt de kilometerteller naar de 140.
O, die sneeuw!
Met verdubbelde inspanning zoeken Kees en Peter hun weg door de losse, opstuivende sneeuw. Ze hebben maar één gedachte: „De hut bereiken!"
Ze krijgen hulp van de wind, die nu met volle kracht tegen hun rug blaast. Nog twintig meter, nog tien! Hijgend met bonkende slapen worstelen ze voort. Die sneeuw, die verraderlijke sneeuw! „Kees, help!" schreeuwt Peter plotseling, als z'n ene been wegzakt in een loze hoop sneeuw. Languit valt hij voorover. Een vlijmende pijn trekt door zijn voet. En achter hem en naast hem duiken de grauwe gestalten op van tussen de bomen. De coyotes zijn even stil blijven staan... Die open plek verraste hen zeker. Kees trekt zijn broertje op. „Kun je lopen? " hijgt hij. De ijskoude wind snijdt hem bijna de adem af. Vlug draait hij zich om, zijn arm om Peter heen, die huilend naast hem strompelt.
Nog vijf meter, nog drie nog een paar stappen. Daar stuift één van de prairiewolven — het is de aanvoerder — vooruit, in schuine lijn op de jongens af. Verstijfd van schrik kunnen die geen stap meer doen. Peter klampt zich wanhopig aan zijn broertje vast. Maar Kees, slechts even verlamd van angst, schopt naar het dier, dat achteruitspringt. En in dat ogenblikje, als de coyote aarzelt om toe te springen en zich bij zijn kameraden onder de bomen terugtrekt, krijgt Kees de kruk van de deur te pakken. Hij rukt en trekt om hem open te maken, maar er is zoveel sneeuw tegenaan gewaaid, dat hij hem maar een heel klein eindje kan openwringen.
„Heere, help!" roept de angstige jongen en begint handenvol sneeuw weg te scheppen. De wind huilt en loeit om de hut heen en jaagt de sneeuw voor zich uit. Sneeuw, zo fijn als zand, sneeuw, zo koud, dat de dikste jas er niet tegen bestand is. Peter heeft nu de kruk van de deur gepakt en de angst geeft hem reuzekracht. Hij trekt uit alle macht. Kees, gebukt in de stuivende sneeuw, schept wat hij kan. Wat lijkt hij klein zo. Klein ook in de ogen van de hongerige coyotes, die hun aarzeling overwonnen hebben en de aanval inzetten. Ze duiken ineen, loerend en gereed voor de sprong.
Machteloos.
In het huis van oom Henk en tante Ank heerst grote spanning. Zoéven is oom Henk thuisgekomen, nog voor de blizzard in al zijn hevigheid losbarstte. Verschrikt luistert hij naar moeder en tante, die vertellen, waar Kees en Peter naar toe zijn gegaan. Zijn blik gaat naar buiten, waar de storm voortraast en alles bedekt met een dikke laag sneeuw. Ze kunnen niets doen, ze staan machteloos. Eerst moet de storm voorbij zijn.
Gered.
Op de open plek in het bos, waar de loerende, hongerige coyotes tot de aan-
val overgaan, doet Peter een laatste verwoede poging de deur verder te openen. Een ruk! Ja! De kruk schiet hem bijna uit de handen. Hij geeft een schreeuw van blijdschap en duikt naar binnen. O, daar haakt zijn bezeerde voet achter de hoge drempel en hij tuimelt languit naar binnen. Kees is opgesprongen en schiet op de reddingbrengende opening af. Net op het moment, dat hij naar binnen springt stuiven de coyotes vooruit. Kees struikelt over z'n broertje en de hongerige troep stort zich op de opening.
„Hoeiii!" gilt de voortrazende sneeuwstorm en gooit met geweldige kracht de deur achter de beide jongens dicht! Huilend van woede, razend van teleurstelling springen de prairiewolven tegen de deur op. En in de hut krabbelen twee angstige jongens overeind en kijken, nog niet bevattend, dat ze gered zijn, in de schemerige ruimte rond. Buiten barst de blizzard in al zijn hevigheid los en moeten de coyotes aftrekken, om nog een goed heenkomen te zoeken tussen en achter de bomen, om niet begraven te worden onder de lawine van sneeuw, die voortkolkt en voortraast op de open plek rondom de hut.
En in de veilige ruimte, waar het steeds donkerder wordt, omdat de sneeuw tot boven de vensterbank opwaait, knielen twee kleine jongens en vertellen Hem, Wien zelfs de winden gehoorzaam zijn, hoe dankbaar ze zijn.
Hij is God, ja Hij alleen.
Het is 3 januari. Door een brede kier in de gordijnen kijkt een nieuwsgierig zonnetje een gezellige slaapkamer binnen. In het grote bed, dat middenin de kamer staat, liggen twee jongens heerlijk te slapen. Het is al laat in de morgen. Heel zachtjes gaat de deur open. Er komen vier mensen binnen, die stil op de beide jongens neerzien. Hun gezichten staan ernstig en toch blij.
„Wat is God goed", zegt één van hen. , , 't Had zo anders kunnen zijn". „Je hebt gelijk, Henk", klinkt vaders stem. „Hij doet duizend wonderheên, Hij is God, ja Hij alleen!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1974
Daniel | 20 Pagina's