KERST-VAKANTIE IN CANADA
ONS VERVOLGVERHAAL
Het berichtje in de krant.
Het is woensdag 2 januari. Vader is naar Lethbridge en hoopt donderdagmiddag terug te zijn. Oom Henk is vanmorgen al heel vroeg weggereden en kan pas om acht uur vanavond thuis zijn.
Stralend is de zon opgegaan en het belooft weer een schitterende dag te worden. In het noordoosten zitten wat windvanen aan de lucht en het vriest zeker 20 graden. Warm ingepakt, hun eskimomutsen over hun oren, zijn Kees en Peter vanmorgen met moeder en tante de stad in geweest. Vrijdagmorgen om tien uur vertrekt hun vliegtuig en moeder wilde nog wat inkopen doen. Na heel lang zoeken hebben Peter en Kees iets gekocht voor de meester. Een sleutelétui van echt leer. In een cirkel staan bergen en naaldbomen gegrift. „De Rocky Mountains" lees je in kleine fijne gouden lettertjes. Wat zal hij daar blij mee zijn!
Nu zitten ze met hun viertjes aan tafel. „Mogen we dalijk naar cle brug over de Bow River en dan nog even naar die schuilhut? " vraagt Peter.
Moeder en tante Ank kijken elkaar aan. „Het is nu 12 uur", denkt tante Ank hardop. „Als jullie direct na het eten weggaan clan kun je er om half twee zijn. Een uurtje spelen daar en dan nog een uurtje terug. Jullie hebben een horloge hè?
Nu, dan spreken we af, dat je om vier uur weer thuis moet zijn. Vind je het goed Dini? " vraagt ze aan moeder. Die knikt. „Ja hoor, maar geen rare dingen uithalen. En op tijd terug".
Peter en Kees knikken heftig. „Natuurlijk letten we op de tijd". Ze popelen om weg te komen. Als ze hun laarzen aantrekken in de gang, wordt net de krant gebracht. Tante kijkt even naar het weerbericht. „Er worden vannacht en morgenvroeg sneeuwstormen verwacht", zegt ze. „Je kunt vandaag nog genieten jongens". Ze vouwt de krant op en legt hem in cle lektuurbak. Samen met moeder kijkt ze de tweeling na. Bij het hek zwaaien de jongens nog even, dan lopen ze zonder nog eens om te kijken in de richting van cle Baw River.
Moeder en tante gaan de keuken in en de krant ligt slordig opgevouwen in de grote lektuurbak. Op de linkerzijde, bijna onderaan staat een berichtje. De kop heeft wat grotere letters dan de rest van het stukje.
„Coyotes brutaal in de omgeving van Calgary".
Ton noorden van Calgarj^ hebben groepen coyotes door de grote honger gedreven, enkele kippen' weggeroofd. De boeren in de omtrek zijn gewaarschuwd en enkele prairiewolven hebben cle diefstal met hun leven moeten bekopen".
Over de Bow River.
Midden op de brug over de Bow River staan Peter en Kees over de leuning naar het bruisende water te kijken. Als je lang blijft staan is het net of het water stil staat en of je zelf met een geweldige vaart vooruit schiet.
„Zullen' we doen wie het eerst bij de schuilhut is? " vraagt Peter, die duizelig wordt van het gestaar. Meteen zet hij het op een lopen. Maar hij komt niet ver, want de weg over de brug is wat glad en voor hij het weet, schiet hij onderuit. Als hij — wat beduusd — weer opgekrabbeld is, loopt hij toch iets voorzichtiger verder. Kees, die moeilijk de bruisende en schuimende rivier kan verlaten, komt hem langzaam achterop. Net over de brug, waar de weg tamelijk snel afloopt, spelen langs cle kant heel wat kinderen. De meesten hebben een slee bij zich en vermaken zich opperbest op de spiegelgladde hellingen. De tweeling blijft een poosje staan kijken. In het noordoosten zijn de windvanen wat uiteen gewaaid. Een lichte nevel trekt voor de zon, het gaat harder waaien en af en tce dwarrelt een aarzelend sneeuwvlokje door de lucht. Kees kijkt op z'n horloge.
„Peter het is al bijna kwart voor twee en het duurt nog wel een half uur eer we bij de hut zijn. Laten we nou doorlopen, anders zijn we er maar zo kort". Peter zou best eens de lange helling af willen glijden en heeft spijt dat ze de slee niet bij zich hebben. „Nog even, we lopen wel hard", zegt hij. Maar Kees wacht niet op z'n broertje en begint de heuvels te beklimmen. Hij rilt als een dichte nevel het zonnetje even verduistert. Als hij na een poosje cmkijkt, ziet hij Peter door de sneeuw naar boven ploeteren. Hij wacht op hem en samen zwoegen ze verder. Wat loopt dat toch lastig in die losse sneeuw. Was hier nou maar een pad, clan konden ze vlugger opschieten. Een harde windvlaag doet de takken van de bomen heen en weer zwiepen en de sneeuw naar beneden ploffen. De jongens kijken omhoog.
Tussen de takken door zien ze dat de lucht grauw is geworden. Langzaam zweven vederlichte sneeuwvlokjes naar omlaag. „Zouden we maar niet terug gaan? " weifelt Kees. Maar Peter wil er niet van horen. „Nee joh, ik wil zo graag nog eens in dat huisje kijken". „Ja maar, waar is dat dan? " wil Kees weten. „Lopen we wel goed? " „Natuurlijk man, kijk hier staan overal voetstappen, daar zijn die van ons ook nog bij." Kees kijkt in de sneeuw. Ja, er lopen sporen tussen de bomen door.
Afdrukken van grote en kleine schoenen, er zijn zelfs sporen van een slee te zien. Toch, als het wat harder gaat sneeuwen is hij er niet gerust op. Maar Peter is al een paar meter verder en hij haast zich om hem in te halen.
De Coyotes
Enkele kilometers verderop, in de richting van het Rotsgebergte, heeft een troep van een stuk of tien coyotes een dode sneeuwhaas gevonden, 't Is maar een mager diertje en het lichaampje is stijf bevroren. Wild van de honger hebben de prairiewolven zich op het beest gestort en proberen elk een hapje meester te worden. De felle kou van de laatste weken is er de oorzaak van, dat deze roofdieren zich steeds dichter bij de mensen wagen. In een grote troep voelen ze zich sterk. Ze zijn sluw en zuilen zich geen prooi laten ontgaan. Hun grote aantal maakt hen gevaarlijk, niet alleen voor kleine dieren, maar ook voor de grote wapitiherten.
Onvermoeibaar jagen ze achter hun prooi aan, om hem tenslotte te overmeesteren, omdat het achtervolgde dier uitgeput raakt. De nijpende honger heeft deze troep zo brutaal gemaakt, dat ze zich op het erf van een boerderij waagde en een tiental kippen wegroofde, voor de boer en zijn knechts er erg in hadden. Bij een andere boerderij was de troep niet zo gelukkig. Twee kippen werden buitgemaakt, maar drie coyotes werden gedood door kogels uit de buksen van de boer en zijn zoons.
Nu is de roofdierentroep wat voorzichtiger geworden. Het is gaan sneeuwen. De wind is opgestoken en het vriest hard. De neuzen bijna in cle sneeuw, jaagt de troep voort. Plots staat de aanvoerder stil. Zijn neus in de lucht, de poten gespreid, heft hij een door merg en been dringend gehuil aan. Zijn kameraden houden ook hun vaart in.
Dan, als op commando, stuiven ze oostwaarts, in de richting van de Bow River.
Op de vlucht
„Wa - wat was dat Peter? " vraagt Kees verschrikt. Zijn broertje staat even stil.
„Ik weet het niet, het leek wel of er iemand heel hard schreeuwde".
„Peter, het was toch geen wolf of een coyote? "
„Ben je mal, die huilen alleen 's avonds".
„Ja maar, het leek er echt op. Oom Henk heeft het toch voorgedaan. Ik ga naar huis, hoor".
Aarzelend kijkt Peter om zich heen. Het sneeuwt nu veel harder. Er zijn geen voetstappen meer te zien.
„Ja, laten we maar gaan", geeft hij toe. Als ze zich omdraaien om terug te gaan, zien ze door de stammen van de bomen heen donkere gedaanten sluipen.
„Wol-wolven", hakkelt „Pe-Peter, kom!" Kees.
Blindelings zet hij het op een lopen, z'n broertje met zich meetrekkend.
Strompelend en hompelend door de losse poedersneeuw zoeken ze hun weg. Achter hen sluipen in een wijde halve cirkel, de hongerige coyotes naderbij. En vanuit het noordoosten komt de aangierende stormwind, die de als zand zo fijne poedersneeuw in dichte wolken voor zich uitjaagt. Daar komt hij, de zo gevreesde blizzard, die in enkele minuten tijds de sneeuw zo hoog kan doen opwaaien, dat er geen doorkomen meer aan is. In doodsangst worstelen de beide jongens voort, struikelend en wegzakkend in de sneeuw, die in grote wolken om hen heen suist. Nergens uitkomst, nergens een schuilplaats. Hijgend en zwoegend ploeteren ze verder. De sneeuw stuift in hun ogen en' verblindt hen. En de angst, de doodsangst beneemt hen bijna de adem. Hun harten bonzen en bonken, het bloed hamert in hun hoofd. Ze durven niet omkijken, ze durven niet stilstaan. O, waar is nou het eind van het bos, waar zijn nou de heuvels, waar ze een half uurtje geleden nog naar het sleeën stonden te kij'ken? Langzaam maar zeker sluiten de coyotes, naar hun wolvenaard, de bange jongens in. Ze zullen zomaar niet aanvallen, maar wee als ze bemerken, dat hun prooi moe wordt. Dan weer duikt de ene prairiewolf op vanachter de donkere stammen, dan de andere.
Peter kan bijna niet meer. „Niet zo hard", hijgt hij, „ik ben moe". Maar Kees trekt hem voort. Tussen z'n oogharen door ziet hij een open plek in het bos en midden in die plek de schuilhut! „Nog even!" schreeuwt hij, tegen de wind in, „ik zie de hut!"
Die woorden geven Peter nieuwe kracht. De hut, een schuilplaats tegen dat dreigende gevaar. Hebben de prairiewolven de hut ook gezien? Begrijpen ze soms, wat de jongens willen? De grauwe schimmen schieten vooruit!
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1974
Daniel | 22 Pagina's