HET BOEK RICHTEREN
BIJBELSTUDIE
schrijver en tijd
De schrijver van het boek der Richteren is onbekend. Er wordt wel vermoed dat Samuël de schrijver is ge-
weest. Het boek omvat de historie van Israël van omstreeks 2500 tot 2800 (na het scheppingsjaar). De tijd der Richteren is eigenlijk een overgangstijd tussen het verblijf van het volk van Israël in de woestijn onder Mozes en Jozua en de tijd van de koningen van Israël.
In de woestijn regeerde de HEERE Zijn volk rechtstreeks door Mozes en Jozua. Na het in bezit nemen van Kanaan regeert Hij door middel van de oudsten van het volk.
God gaf het beloofde land. Het volk werd nu geroepen om haar belofte waar te maken: „wij zullen de HEERE dienen". Helaas zal spoedig blijken dat Jozua's woord: „gij zult de HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God" maar al te veel waar was.
De betekenis van het boek der Richteren.
Uiteraard is de erin vermelde historie van groot belang. Maar daar door heen predikt ons dit boek hoe Israël een schandelijk ontrouw volk is jegens de Heere, maar dat Hij de Getrouwe blijft en door middel van oordelen het volk vernedert en tot bekering roept. Wanneer Zijn hand dit in het volk geeft en zij in haar nood tot God roept, zendt Hij een verlosser. Ook wel genoemd: een richter of rechter. Die verlost Israël dan van de vijanden en richt het volk. Naar Gods Woord en Wet onderwijst en leidt die richter het volk. Hierin zijn de richters een prediking van Christus, Die Zijn volk verlost uit haar diepe geestelijke nood, waarin zij door eigen schuld gekomen is, en haar onderwijst en leidt door Zijn Geest en woord.
De eerste tijd van hun verblijf in Kanaän.
De Heere had Israël geboden het land Kanaan te zuiveren. Deze volkeren de maat der zonde volgemaakt en God straft hen met uitroeiing door Israël. hadden
In Dcut. 20 : 16-18 lezen wij: Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft. Maar gij zult ze ganselijk verbannen: e Hethieten. en de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, gelijk als u de HEERE, uw God, geboden heeft; opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij hun goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen de HEERE, uw God."
Als Jozua oud geworden is en zijn einde voelt naderen, herhaalt hij de woorden des Heeren met een krachtige bedreiging: daarom bewaart uw zielen naarstiglijk, dat gij de HEERE, uw God, liefhebt. Want zo gij enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan, en zij tot u; weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God, gegeven heeft" (Jozua 23 : 11-13). Die volken zullen u worden tot een strik!
Israël houdt zich echter niet aan haar belofte: „Wij zullen de HEERE dienen". Zij laten' vele Kanaanieten in leven, blijkens o.a. hfdst 1 vers 21 en verder. Het gaat dan van kwaad tot erger. De Israëlieten verzwageren zich wel met hen. Zij nemen hun cultuur over en gaan hun afgoden dienen. Een grote verwereldlijking komt over het volk en een afval van God.
Israël verwekt hiermee Gods ongenoegen en toorn. Wat is hun leven een belediging voor een goeddoend God, Die Israël verloste uit Egypte, wonderlijk leidde door de woestijn en hun een land vloeiende van melk en honig gaf. Zondigden wij ook tegen een goeddoend God?
De straffen zullen dan ook zeker komen. De Heere verdrukt hen door de Filistijnen en ook door de Kanaanitische volken, die niet uitgeroeid zijnde, weer machtig werden. Met straffen wilde de Heere Zijn volk tot bekering roepen. Zij moesten de afgoden wegdoen en breken met hun zondig leven. Hij wilde hun noodgeschrei horen. Want Hij wilde toch aan Israël Zijn hulp ter verlossing zenden. Hij bleef Zijn volk toch liefhebben. Hij hacl hun behoud op het oog.
Immers een volk dat zonder God en tegen God leeft, leeft niet tot Gods eer. Zo'n volk (zo'n jongen of meisje) kan ook niet gelukkig zijn. Nu niet en in der eeuwigheid niet.
Discussievragen voor de verenigingen.
1. Kan men het huidige Israël gelijk stellen met het Israël van het Oude Testament? (betrek hierin het artikel van Ds. Vergunst over Israël in de Saambinder van 8 november 1973).
2. Tot de kerk van het N.T. komt ook het woord: „Mijn volk zal alleen wonen" en „wordt dezer wereld niet gelijkvormig". Wat kunnen de gevolgen van verwereldlijking zijn in kerk, gezin en persoonlijk leven?
3. De Israëlieten vermengden zich met de Kanaanieten. De joodse jongens namen de heidense meisjes tot vrouw. Kennelijk waren die zeer begerenswaardig. De Heere had dit echter verboden en de droevige gevolgen bleven niet uit. Wat heeft dit te zeggen voor onze jongens en meisjes?
4. Als je mag leven op het erf van Gods genadeverbond, heeft de Heere dan met tegenspoed, verdriet, ziekte of omstandigheden waarin alles tegenloopt, je nog iets bijzonders te zeggen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1974
Daniel | 20 Pagina's