KERST-VAKANTIE IN CANADA
ONS VERVOLGVERHAAL
Vroeger graasden daar de onafzienbare kudden bizons. En waar de bergen overgaan in de prairie zie je soms de snelle poema. Hoewel het Rotsgebergte er ongenaakbaar en ontoegankelijk uitziet wonen er vele, vele soorten dieren en al die dieren vinden er rijkelijk voedsel. Hoog op de onvruchtbare rotsen groeien nog de mossen, waarmee de sneeuwgeiten zich voeden. Tussen de soms loodrecht oprijzende granietwanden zie je malse weiden, waarop de berg^chapen en de wapitiherten grazen. Iets lager zoeken de elanden waterlelies en wilgetakken om hun honger te stillen. De machtige grizzly-beer en de kleinere zwarte beer doen zich te goed aan de vele wilde bessen en sappige wortels. Tientallen buidelratten en andere knaagdieren verdwijnen in hun magen, honderden vissen worden het slachtoffer van deze handige „vissers". Vleeseters en planteneters vinden overvloedig voedsel in en op de Rocky Mountains.
Wolven en coyotes.
„Zouden we beren zien? " vraagt Peter, als ze aan de voet van de bergen even uit de auto stappen. Speurend kijkt hij omhoog.
„Ik denk het niet, jongen, " antwoordt oom Henk. „Beren houden een soort winterslaap, weet je. Alleen als ze honger krijgen worden ze wakker en gaan er op uit om voedsel te zoeken. Misschien dat we tegen het vallen van de avond de wolven en cle coyotes horen huilen. De winter is ook voor deze roofdieren geen beste tijd. Het voedsel is schaars en bij langdurige koude wagen ze zich wel op plaatsen, waar ze normaal nooit zouden komen."
„Komen ze wel eens in de stad, als ze honger hebben? " wil Kees weten.
„Nee, dat niet, maar w 7 el in de buurt van alleenstaande boerderijen. Dan kunnen ze heel brutaal en lastig worden, vooral als ze met een grote groep zijn, Ze zijn erg vasthoudend en achtervolgen hun prooi net zolang tot het moe wordt. Nooit zal een wolf of een coyote aanvallen als hij alleen of maar met een paar is."
„Is een coyote ook een wolf? " vraagt Peter.
„Het is wel familie van hem, hij wordt dan ook vaak prairiewolf genoemd.
Maar kom jongens, het is veel te koud om langer hier te blijven staan. Kijk eens, de rest van onze familie zit al weer in de auto."
Een Hot Dog.
De grote autoweg is goed berijdbaar en oom zet er dan ook een flink gangetje in. Peter is nu aan de beurt om voorin te zitten, tussen oom Henk en vader. Kees zit warmpjes weggedoken tegen moeder aan. Hu, hij huivert even. Hij had het toch koud gekregen buiten de auto. Regelmatig zoeven de banden van de grote Chevrolet over het beton. De bergen wijken steeds verder weg en de schemer valt. Oom drukt op een knopje en een brede bundel licht valt op de weg. Hè, gezellig zo met z'n allen in dit
warme „kamertje". Buiten is de kou, zij voelen er hier lekker niets van. „Zou het eig hard vriezen? " vraagt hij. „Ja" antwoordt vader, wel 18, mischien wel 20 graden, Kees. Zo hard vriest het bij ons maar zelden. Maar jullie kunnen wel tegen een stootje hè? Die Sven heeft vast geweten', dat het zo hard ging vriezen."
„Nou, hij zei: ien Canada ook cold", zegt Peter en hij moet weer lachen om het rare taaltje dat de vriendelijke Deen gebruikte.
„Hebben jullie trek in een hot dog? " vraagt vader als oom de auto bij een benzinestation laat stoppen. „Een hot dog? " vraagt de tweeling verwonderd, „wat is dat? " Vader geeft geen antwoord maar stapt uit de auto. Nieuwsgierig kijken Kees en Peter hem na. Maar als hij de deur van het pompstation achter zich dicht doet, kunnen ze hem niet meer zien. Een paar minuten later komt hij naar buiten, een pakje in zijn hand. Vlug wipt hij de warme auto binnen en trekt het portier direct achter zich dicht. „Wat is dat koud geworden", huivert hij. Eén van de bedienden zei dat we storm krijgen. Zo, voor allemaal een warm hapje."
Mm, Kees en Peter glunderen en zetten hun tanden in een langwerpig broodje met een warm worstje. Heerlijk is het. Er zit een beetje mosterd op. Is dat nou een hot dog? Rare naam hoor, voor zo'n lekker broodje. Een warme hond! Ha, ha, ze hebben liever een warme worst. Voor ze er erg in hebben, rijden ze Bownes binnen.
Het Noorderlicht.
Het is al heel, heel laat als Kees en Peter naar bed gaan. Ze zijn opgebleven tot de klok twaalf sloeg en oom Henk de zo bekende oudejaarspsalm heeft gelezen. Stil hebben ze zitten luisteren: „Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen."
Nu staan ze nog even voor het grote raam en kijken in de richting van dat gebergte, dat zo'n grote indruk op hen maakte. Duizenden sterren pinkelen aan de inktzwarte hemel. Net als Peter de gordijnen wil sluiten, zien ze een lichtschijnsel. Het is ver weg, maar het lijkt toch dichterbij te komen. Hoog in die donkere lucht, in noordelijke richting flakkert en vlamt een beweeglijk lichtschijnsel. Dan rossig, dan weer helder wit. Verschrikt staan de beide jongens te kijken. Zou, zou er brand zijn? Zouden de prachtige bossen van de Rocky Mountains in brand staan? Nu heeft het lichtschijnsel, dat zich over de hele horizon uitstrekt een groenige tint. Aanhoudend is dat wonderlijke verschijnsel in beweging. Peter en Kees houden de adem in. Ze zijn bang, het is zo'n angstig gezicht, die steeds wisselende lichtglanzen.
„Ik roep vader hoor", zegt Kees en de daad bij het woord voegend loopt hij naar de trap. In twee tellen is vader boven, gevolgd door de rest van de familie. De stem van Kees had zo angstig geklonken maar vader en oom stellen de verschrikte tweeling onmiddellijk gerust. „Dat is het noorderlicht, jongens. Je ziet het niet zo vaak, meestal begin december. Als je nu op Groenland was, zou je het veel helderder en mooier zien. Het moet in het noordpoolgebied zó prachtig zijn! Dat kun je je nooit voorstellen als je het niet met je eigen ogen hebt gezien. Wit, groen en goudachtig licht. Doorzichtige sluiers soms, waardoorheen rosse vlammen spelen. Weet je wat men hier in Canada wel zegt? Er komt ander weer. Dat is niet altijd waar hoor! Toch zie je het wel eens, dat er storm op afkomt. Prachtig hè, die lichtstralen!"
„Weten jullie, waar ik nu aan moet denken? " vraagt tante Ank, als ze samen nog een poosje naar dat wonderlijke natuurverschijnsel staan te kijken. „Ik denk aan Job. Als Elihu zijn rede houdt, dan spreekt hij van de grootheid Gods, en dan zegt hij dat de Heere Zijn licht over de einden der aarde zendt. En als God Zelf aan Job verschijnt, dan vraagt Hij: „Job, zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats? Job, weet gij waar de weg is daar het licht verdeeld wordt? " En dan moet Job tenslotte antwoorden: „Ik weet niets Heere, maar dit weet ik, dat Gij alles vermoogt."
Het blijft even heel stil op de grote slaapkamer. Dan trekt moeder de gordijnen dicht. „Naar bed jongens", zegt ze zacht. „Het, is al één uur. Welterusten hoor."
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1974
Daniel | 20 Pagina's