JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KERST-VAKANTIE IN CANADA

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERST-VAKANTIE IN CANADA

KERSTVERHAAL

12 minuten leestijd

Hoog in de helblauwe lucht koerst een grote D.C. 8 naar het zuiden. De zon maakt zijn vleugels van zilver en tovert gouden glansen in de ovale ramen. Het rood, wit en blauw steekt helder af tegen de klare lucht en de zware straalmotoren zingen hun eentonig lied. In het toestel is het heel rustig. De beide piloten zitten, elk in hun stoel, wat met elkaar te praten. De navigator, die op dit moment niet veel te doen heeft, mengt zich af en toe in hun gesprek. In de passagiersruimte heerst een weldadige stilte. De meeste luchtreizigers hebben hun stoelen achterover gezet en slapen of doen alsof.

Helemaal achterin, vlak bij de staart, zitten twee jongens van een jaar of tien met elkaar te fluisteren. Eén van hen heeft een schrift op zijn knieën en kauwt hevig op het achtereind van een balpen.

„Peter, hoe heette die man ook al weer, die de honden eten gaf? "

„Sven, " zegt de jongen naast hem. Een ogenblik wordt er ijverig geschreven.

„Kees!"

„Ja? "

„Fijn hè, die mutsen."

Boven hen in het rek liggen twee ruige bontmutsen. De ogen van de beide jongens beginnen te schitteren, als ze er aan denken, hoe die warme hoofddeksels in hun bezit zijn gekomen. Kees bladert wat terug in zijn schrift en als hij gevonden heeft, wat hij zoekt, stoot hij zijn broertje aan. Samen, dicht tegen elkaar aan lezen ze wat er na de noodlanding op Groenland is gebeurd.

Naar Söndre Strömfjord.

Na een nacht, waarin bijna niemand geslapen heeft van de doorgestane span-

ning, maar ook omdat de verwarming in het vliegtuig niet goed werkte, volgde een ochtend om nooit te vergeten. Nauwelijks was het licht of een geronk in de lucht doet iedereen opzien. Peter en Kees drukken hun neuzen haast plat tegen het raampje. Dat helpt niet veel, want de ruit is zo vuil en hoe ze ook poetsen en boenen met hun mouw, het glas wordt er niet schoner van, want het vuil zit aan de buitenkant. De gezagvoerder laat de passagiers echter niet lang in spanning. „Dames en heren, het geluid, dat u hoort is afkomstig van een vrachtvliegtuig, dat uw bagage komt halen. Het is opgestegen van het vliegveld Söndre Strömfjord en zal als het helemaal licht is geworden, gevolgd worden door enkele toestellen, die u in afzonderlijke groepen naar het vliegveld zullen vervoeren. We hadden gedacht u in alfabetische volgorde te laten vertrekken. Als u nu aan stuurboord naar buiten kijkt, zult u de drie mannen zien, die ons vannacht zo fijn geholpen hebben. Ze komen cle bagage halen en zullen u over een klein uurtje, in volgorde van vertrek, per slede naar hun gastvrije, warme barak brengen". Peter en Kees kijken elkaar met schitterende ogen aan. „Wij zijn de laatsten joh, zegt Peter opgewonden. „Van Zelhem, dat begint met een Z. Kunnen we precies zien hoe het gebeurt."

De verrassing.

„De passagiers, wier namen beginnen met een T tot en met een Z, worden verzocht zich gereed te maken. Over twee minuten landt het vliegtuig, dat u naar Söndre Strömfjord zal brengen."

Het geroezemoes in de barak houdt even op, maar als de gezagvoerder uitgesproken is, begint het opnieuw. Een ieder wil de drie mannen, die hen zo gastvrij ontvangen hebben, nog gauw de hand drukken. Het was heerlijk warm in de kleine ruimte, waar de snorrende kachel hen verwelkomd had. Toen de op één na laatste groep de barak verliet, om in het gereedstaande vliegtuig te stappen, kwamen net de laatste luchtreizigers aan in cle sleden van Hakon, Niels en Sven en waren er getuigen van, hoe cle mensen wier namen begonnen met een P tot en met S, in het toestel klommen, dat met draaiende propellers op hen stond te wachten. Het was lang zo groot niet als de gestrande D.C. 8, maar er konden toch wel een goede dertig passagiers tegelijk in. Peter en Kees, die in de laatste slee zaten, zagen het vliegtuig een aanloop nemen en al sneller en sneller op het einde van de ijzige landingsbaan toerennen. Het leek net alsof het niet op tijd los zou komen, maar kijk, daar steeg het omhoog, na enkele tellen trok het zijn wielen in en na een wijde boog gemaakt te hebben, verdween het snel in westelijke richting.

In de barak is het heerlijk warm. Dampende koppen koffie staan gereed en er zijn schalen vol brood klaargemaakt door cle stewardessen, die er rondlopen alsof ze hier hun dagelijks werk hebben. Kees en Peter hebben niet veel rust. Als ze wat gegeten en gedronken ^ebben, wagen ze zich naar buiten. De zon schijnt en de storm is gaan liggen, maar er waait nog een ijzig koude wind. Ze knopen hu.n sjaals, net ais in de slee, weer om hun oren en lopen naar de achterkant van de barak, waar één van de drie mannen bezig is de honden uit te spannen en van voedsel te voorzien.

„Hallo, boys, " begroet hij de tweeling „How are you, My name is Sven." Wat verlegen lachen de jongens hem toe. „We, we, " stottert Kees, „we cannot english. We komen out Holland."

„Ha", zegt Sven vrolijk. „lek in Holland was één half jaar ien de Bilt. lek daar leerde het weerbericht maken".

Breed lachend staat hij tussen de sterke sledehonden. Onbevreesd voor hun scherpe tanden, ontdoet hij ze van hun tuig, geeft de één een tik, cle ander een aai en commandeert het hele stel op hun plaats. In grote bakken geeft hij ze eten. Brokken vlees en vis en vet, vermengd met zemelen.

„Ready", zegt hij na een ogenblik en controleert nog even of' iedere hond zijn riem aan heeft, die aan een ijzeren pen in de grond bevestigd is. De riemen zijn lang en laten genoeg beweging toe.

„Cold? " vraagt Sven en hij wijst op de rode neuzen van Peter en Kees en op de dikke sjaals rond hun oren. De beide jongens knikken. „Okay, kom", zegt hij kort en loopt de barak binnen aan de kant, waar de voorraden bewaard worden. Hij knipt een grote lantaarn aan en zoekt iets in een stevige houten kist. Even later steekt hij triomfantelijk wat in de hoogte. „For you", zegt hij tegen de verbaasde jongens. „For de kou, ien Canada ook koud". Twee

echte Eskimomutsen houdt hij in zijn hand. Mutsen, die warm om je oren sluiten en tot ver in je nek over je jas reiken. Met een kleur van verrassing nemen Peter en Kees de mutsen in ontvangst. „Thank you, thank you", zeggen ze in hun mooiste engels. „C-ood, good", lacht de vriendelijke Deen. „Hear", en hij steekt zijn hand luisterend op, „your vliegteug".

Calgary

„Dames en heren we naderen Calgary, wilt u de riemen vastmaken". De stem van de stewardess klinkt duidelijk door de passagiersruimte en de lichtende letters voorin het vliegtuig zetten haar woorden kracht bij „Riemen vast".

Peter en Kees weten nu goed hoe het moet, de stewardess behoeft hen niet te helpen. Vol spanning kijken ze door het raampje. Daar ligt Calgary. Wat kun je goed zien dat het een ronde stad is. Het eigenlijke gedeelte ligt laag, net een schotel met opstaande randen. Een grote rivier kronkelt erlangs. De Rocky Mountains, het beroemde rotsgebergte kun je heel duidelijk zien. Calgary ligt aan de voet van deze bergrug. In het westen daalt een bloedrode zon, de toppen van het Rotsgebergte zijn prachtig roze gekleurd. Op het vliegveld zijn de lichten langs de landingsbaan al ontstoken en overal in de stad springen de lampen aan. Oei, wat zakken ze snel. Een goed half uur na het bevel: „Riemen vast" staat de machine veilig aan de grond.

In Calgary

Door een kier in de gordijnen kijkt een nieuwsgierig zonnetje een gezellige slaapkamer binnen. In het grote bed, dat midden in de kamer staat liggen twee jongens heerlijk te slapen. Diep weggedoken onder de dikke dekens dromen ze een gat in de dag. Het is tien uur in de morgen, Tweede Kerstdag. Ieder in het grote huis is al op.

Een uurtje geleden is heel zachtjes de deur van de slaapkamer opengepiept. Een hoofd keek om een hoekje en heel voorzichtig werd de deur weer dichtgedaan. „Ze slapen nog", fluisterde dat hoofd tegen iemand op de gang, „laat ze maar, er is toch geen kerk en ze zijn doodmoe".

Maar de zon vindt het welletjes nu en ze kriebelt één van de jongens in zijn gezicht. „Hatsjie", niest die jongen, „hatsjie!" Slaapdronken nog wrijft hij z'n ogen uit. „Waar is hij? Dat is toch zijn eigen bed niet? En wie ligt er naast hem? " Lodderig kijkt hij om zich heen. O ja, hij is in Canada!

„Peter, Peter wordt eens wakker! zijn in Canada!" We

„Hè, wat? " Een slaperig gezicht duikt op van onder de dekens. „Waar... wat zei Kees nou? In Canada? " Langzaam herinnert hij zich alles weer. De vliegreis, de noodlanding, Groenland, de... Met één sprong is hij uit bed en trekt de gordijnen open. „Oh, kijk eens!" roept hij verrukt, „wat prachtig!" In een wip staat zijn broertje naast hem en samen staren ze in bewondering naar het schitterende uitzicht. Donkere bossen tegen besneeuwde heuvels en daarachter het machtige Rotsgebergte. Zoiets hebben ze nog nooit gezien. Het was gisteravond al te donker om nog iets van de omgeving te onderscheiden. Eer ze het grote hek van het vliegveld uit waren en in de auto zaten, waarmee oom en tante hen kwamen halen, was de zon al onder en viel de duisternis over Calgary. En toen ze thuis waren was er vanuit het huis van oom en tante niets meer te zien, clan de honderden lampjes en lichtjes, waarmee iedereen zijn tuin hacl verlicht. Toen ze wat uitgerust waren en zich verfrist en verkleed hadden, was het tijd om aan tafel te gaan. Wat hadden ze heerlijk gegeten! E.i wat hadden ze veel te vertellen! Maar voor dat laatste was geen tijd meer, want de kerk bogen over een goed half uur. Och dat hadden ze niet gedacht dat ze eerste Kerstdag nog naar de kerk zouden

kunnen. En oom Henk zei het in zijn dankgebed na de maaltijd: „Heere, dank U, dat U alles zo wel hebt gemaakt. Geeft U ons een zegen in Uw bedehuis en schenk ons dankbare harten."

De kerkdienst

Het was net een droom geweest gisteravond. Ze waren met de auto naar de kerk gereden. Om de banden van de grote Chevrolet zaten blinkende sneeuwkettingen. „Dat moet", vertelde oom, „want het kan hier erg glad worden en soms op het alleronverwachts ontstaat er een geweldige sneeuwstorm, een blizzard, die de sneeuw zo doet opwaaien, dat je zonder sneeuwkettingen geen meter verder komt.

Zo'n blizzard kan heel gevaarlijk zijn, want voor je het weet ben je verdwaald. Het is wel gebeurd, dat mensen vlak bij hun huis de weg kwijtraakten en stierven van de kou. De sneeuw is zo fijn als zand en tijdens zo'n storm vriest het hard. Wel twintig, dertig graden onder nul".

Stil hadden de jongens geluisterd. Dat zou toch wat zijn, als je in zo'n blizzard terecht kwam en je raakte de weg kwijt! Hu, ze moesten er niet aan denken. Nog vol van wat oom Henk had verteld, stappen ze de kerk binnen. Zo laat zijn ze nog nooit naar de kerk geweest. Calgary heeft geen eigen predikant en daarom is er pas om acht uur dienst. „De dominee preekt in het engels", vertelt tante.

Nieuwsgierig kijken ze rond. Het is eigenlijk net ais thuis, alleen is alles veel kleiner. En de mensen kijken zo naar hen. Wat verlegen groeten ze terug. Iedereen knikt zo vriendelijk.

Toch als de dominee begint met: „Our help is in the Name of the Lord", clan beseffen ze pas goed hoe ver ze van huis zijn. En als ze de liederen niet mee kunnen zingen, niet alleen omdat ze de woorden niet kunnen lezen, maar ook omdat ze de wijs niet kennen, voelen ze zich toch wel erg eenzaam temidden van al die mensen. Vader en moeder zingen wel mee en luisteren heel aandachtig naar de dominee. Maar Kees en Peter begrijpen er niets van en vechten tegen de opkomende slaap. Maar hoor, nu zegt de predikant een Naam, Die ze verstaan kunnen. Nu spreekt hij van de Heere Jezus en plotseling voelen ze toch, dat ze erbij horen. Dat, waar je ook bent en welke taal je ook spreekt er maar één Naam is, waardoor je behouden kunt worden. Ze letten nu scherp op dat ene Woord en voor ze er erg in hebben zegt de dominee „Amen".

Het laatste vers, dat gezongen wordt kennen ze heel goed. „O God our Help in ages past".

Zachtjes zingen ze het in het hollands mee:

O God, Die droeg ons voorgeslacht in nacht en stormgebruis, Wees onze hcede en trouwe wacht en eeuwig ons tehuis.

Toen de kerk uitging gaf iedereen de dominee een hand. Gelukkig sprak hij toen nederlands. Hij praatte even met vader en moeder en die wezen naar hen. „Zo", zei hij, toen ze hem een hand gaven, „hebben jullie goed geluisterd? " En toen ze zeiden, dat ze geen engels verstonden, lachte hij eens vriendelijk en zei: „Heb je die ene Naam dan ook niet verstaan, de Naam van de Heere Jezus? " En toen ze wat verlegen knikten, legde de dominee allebei zijn handen op hun schouders en zei: „Alleen door die Naam, jongens, kun je zalig worden. Onthoud dat maar goed!"

Even later zagen ze hem in de duisternis verdwijnen.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1973

Daniel | 24 Pagina's

KERST-VAKANTIE IN CANADA

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1973

Daniel | 24 Pagina's