RONDOM DE KERK DIENST
De kerkdienst wordt ook wel eredienst genoemd. We komen nl. in de kerk om gemeenschappelijk God te eren; in de Heere Jezus Christus God eren. Dat is teven ook het eigenlijke deel van ons leven. Dat behoort het te zijn. Daarvoor zijn we geschapen.
Maar doen wij dat? We willen hei niet en we kunnen het niet. Wij ongehoorzame mensen moeten dat opnieuw leren. En dat kunnen we nu juist in de kerk leren. Daar wil Gcrl wonen. Dat is Zijn huis. Gaan naar de kerk is eigenlijk gaan naar God. Daar daalt d.e Heere tot ons af. Hij wandelt onder ons, zei Calvijn eens, in het gewaad van Zijn Woord.
Dat moet dan ook het meest centrale gedeelte in de samenkomst der gemeente zijn: Zijn Woord, de prediking van Zijn Woord.
Luther, Calvijn en de andere Reformatoren heeft dit voor ogen gestaan: terugkeer naar de Schrift. Alles wat de prediking overwoekerde of terugdrong, werd verwijderd.
Men keerde terug naar eenvoud en soberheid.
Wil dat zeggen dat we genoegen moeten nemen' rnet een „vormenloze" dienst van God? Een eenvoudige eredienst betekent nog geen ordeloosheid. De Heere is geen God van wanorde. Hij wil wonen en werken waar de dingen met orde geschieden (1 Cor. 14 : 33).
Vandaar, dat de gerefor-
meerde eredienst sober, maar wel volgens enkele vaste uitgangspunten is ingericht. Wanneer de prediking een centrale plaats inneemt, betekent dat echt niet dat de andere delen van weinig of geen belang zijn. Het is zinvol in , dit artikel^ ons te bezinnen op de onderdelen van de eredienst.
HANDDRUK
Inleiding op de (ere)dienst is het orgelspel, dat aanleiding kan geven tot voorbereiding, zoals de hele gemeente biddend de kerkdienst dient te verwachten en voor te bereiden. Na het orgelspel brengt de dienstdoende ouderling de predikant tot aan de preekstoel, waarna de handdruk volgt. De ouderling wenst de predikant de zegen toe. Hoewel de handdruk geen bijbels voorschrift is, maar een menselijke instelling, heeft ze wel degelijk betekenis. We worden er aan herinnerd dat de dominee niet uit eigen beweging het Woord gaat brengen. De verkondiging is niet maar een privéaangelegenheid van de predikant, maar een zaak van de gemeente, die wordt vertegenwoordigd door de kerkeraad.
Daarna wordt het stil in de kerk. Voordat de predikant de preekstoel opgaat, vraagt hij Gods hulp. Hij heeft ook ons gebed nodig. Zelfs Paulus, een apostel, vraagt de gemeente dringend: „Broeders, bidt voor ons".
VOTUM
Dan begint de eigenlijke kerkdienst met de bekende woorden: „Onze hulp is in de naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft." De predikant spreekt hier het zogenoemde votum uit. Hier belijdt de gemeente, bij monde van haar dienaar, haar volkomen afhankelijkheid van de Almachtige, die in Christus Jezus de Verbondsgod Jchovah, de Ik-zal-zijn-Die-Ik-zijn-zal zich betoont. Het is dus eigenlijk een geloofsbelijdenis.
Je kunt dit votum vinden in Psalm 124 : 8. Psalm 124 is een pelgrimszang, een lied Hamaaloth, een lied dus van de optochten' van de kinderen Israëls naar Jeruzalem, naar de tabernakel of tempel, althans naar Gods huis, smekend om zijn gemeenschap en nabijheid.
GROET
Vaak in één adem ermee verbonden volgt clan de zegen of de groet. Wendt de predikant, namens de gemeente en zichzelf, zich allereerst tot God (in het votum), nu mag hij vervolgens, uit Naam en in opdracht van zijn Zender, zich wenden tot de gemeente.
Naar de inhoud en betekenis ervan puur Bijbels bepaald, met als voorbeeld het woord van Paulus, die in de brief aan de Romeinen schrijft: Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus". Die zelfde woorden gebruikt Paulus ook in 1 Cor. 1 : 3, Galaten 1 : 3, Efeze 1 : 2, Phill. 1 : 2, enz.
Hij wenst zijn lezers niet enkel Gods zegen toe, maar verkondigt hen Gods genade en vrede. En zo is het, ook met de predikant die deze zegengroet uitspreekt. In die éne groet wordt het hele Evangelie eigenlijk al verkondigd. Door die ene groet is deze dienst ook geen gewone vergadering meer, maar vanaf nu is de gemeente van Christus in Zijn naam vergaderd. In deze groet wordt al gezegd waar het in de kerk over zal gaan. Wie Hem nog niet kent, wordt hier al aangelokt om God te zoeken. Wie dorst heeft, wordt hier al gewezen op het water des levens.
AANVANGSPSALM
Na de groet zingt de gemeente een door de predikant opgegeven psalm.
Het is goed als de psalmen voor de eredienst met zorg gekozen worden. De voorzang kan, in bijzondere gevallen staan in het teken van de tijdsomstandigheden. Een sterfgeval b.v. kan aanleiding zijn tot het zingen van Psalm 89 : 20 of Psalm 103: Gelijk het gras is ons kortstondig leven".
Maar in het algemeen is het in de gereformeerde eredienst traditioneel dat de lof des Heeren voorop ga. Er zijn tal van psalmen die hiertoe kunnen dienen. Psalm 95, Psalm 100, enfin, je kunt dat zelf wel aanvullen. Ook zogenaamde „Bidpsalmen" als Psalm 25 : 1: , 'k Hef mijn ziel, o God der Goden" kunnen dienen als beginpsalm.
De bedoeling hiervan is, dat de gemeente vanaf het begin leert bedenken dat zij in de tegenwoordigheid Gods de lof en de eer des Heeren behoort te bezingen en behoort te bedenken de dingen die boven zijn.
Het lied vóór de prediking, maar ook in het verdere verloop van de dienst moet geheel en al in het raam van de te houden prediking passen. Dan is het ook echt een zeer bepaald onderdeel van de eredienst en dienen we ook daaraan aktief deel te nemen. Het is verkeerd om, om welke redenen dan ook niet mee te zingen, zoals je vooral bij jongeren nogal eens ziet.
„Maar", zal iemand zeggen: „ik kan niet op elk lied amen zeggen! Als je duidelijk in de preek hebt gehoord, dat je nog geen kind van God bent, dan is het toch wel moeilijk om datgene te zingen wat je persoonlijk nog niet kent? "
Tóch maar meezingen. Al schiet er een brok in je keel. Al denk je: Was dat maar waar. Als ik dat eens echt kon zingen: 'k Zal dan gedurig bij U zijn! Laten we het dan biddend zingen, want zo'n lied van heilszekerheid kan juist een brandend verlangen ernaar bij ons oproepen. Want ook een psalm is het Woord van God, dat nooit „ledig wederkeert".
Eigenlijk is zingen bidden. Je zou het zo kunnen zeggen: Psalmen zijn gebeden' en gebeden lofzangen. gezongen
WET
In elke zondagmorgendienst komt de wet voor. Het is Calvijn geweest, die de Tien Geboden een plaats heeft gegeven in de eredienst. In de orde van de oud-christelijke kerk kwam de wet niet voor.
De wet wil ons brengen tot Christus. Hij is een kernbron van onze ellende en een tuchtmeester tot Christus. Wanneer de Heere bij het licht van Zijn Heilige Geest ons in de spiegel der wet doet zien, dan leren we uit de wet onze zonde en ellende kennen, zoals Paulus dat ook schrijft in Rom. 3 : 20.
De Heere heeft in het geven van Zijn wet het goede met ons voor. Zouden we dan niet eerlijk bekennen, dat de Heere God goed is, maar dat wij tegen Hem zwaar en menigmaal misdreven hebben? Het doel van de wet is niet dat wij van God zullen terugschrikken, maar dat wij ons diep voor de Heere zullen verootmoedigen. Om ons tot dat eerlijke bekennen van onze zonden te brengen, wordt deze wet van God elke zondagmorgen in de gemeente voorgelezen.
GELOOFSBELIJDENIS
Evenals de wet hebben ook de „Twaalf Artikelen" een vaste plaats in de kerkdienst. En naar analogie van de wet zijn ze aan het begin van de kerkdienst terechtgekomen. De gemeente belijdt — horend — dat in het Evangelie haar toekomst ligt. In dat belijden schaart de gemeente zich in de rij van alle gelovigen van alle tijden.
SCHRIFTLEZING
Het is een uiterst gewichtige zaak als in de kerkdienst de Heilige Schrift geopend en gelezen wordt. Nu gaat, na reeds in Zijn wet van Zichzelf te hebben getuigd, de heilige God nog nader tot Zijn volk spreken. „Alzo spreekt de Heere, Heere. Hoort aandachtig naar Mij en' eet het goede".
Daaraan kan alleen de recht luisterende gemeente de bede beantwoorden: „Uw Woord is mij een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad".
GEBED
Wezenlijk in de samenkomst van God met Zijn gemeente is het openlijk aanroepen van Zijn Naam, de bijzondere wijze van ontmoeting met de Heilige. Niet alleen de predikant of ouderling, maar ook de gemeente zelf.
Het gebed in de kerkdienst is nl. geen persoonlijk, maar een' ambtelijk gebed, wat zeggen wil, dat iedere kerkganger bij dit openlijk aanroepen betrokken is. Want de voorganger zoekt voor, maar ook namens de gemeente Gods aangezicht. Zowel voorganger als gemeentelid is bij het gebed betrokken. Laten we dat goed beseffen.
Laat dan ook geen ruimte open voor de satan, die de aandacht tijdens het gebed probeert af te trekken en op andere dingen je aandacht probeert te vestigen, op
je (schcol) werk b.v. Geef de duivel geen kans! We doen er m.i. veel goeds aan, in plaats van alleen maar te luisteren, met de voorganger a.h.w. mee te bidden.
Want het is geen kleinigheid wat we met het gebed bedoelen. Voorop staat: en voorleggen van alle noden en zorgen, droefheid en blijdschap van de gemeenteleden aan God. Het gaat in de dienst der gebeden om smeken en dankzeggen. Paulus zegt dan ook in Fil. 4:6: Laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging gekend worden bij God". Bidden voor de mensen in nood, waarover Jakobus spreekt in zijn 5e hoofdstuk, waarbij we zeker ook onze eigen geestelijke nood niet vergeten mogen.
Wie achterin z'n psalmboekje kijkt, vindt daar het gebed vóór en na de predikatie. Na een ootmoedige schuldbelijdenis van de gemeente volgt een indringend gebed om vernieuwing. Dat is de kern van het gebed. Want dat is ook de kern van het Evangelie.
Hier staan allen in de gemeente gelijk. In Gods heilig licht zijn we allen — van onszelf — onrein, onbekeerd of kind van God. Niemand van ons is het waard om kind van God te heten. Dat moeten we goed leren beseffen en blijven beseffen. En als we dat allemaal goed beseffen, zal dit zelf ook uit onze houding blijken. Zeker ook tijdens het gebed. Soms zie je groepen jongelui met het hoofd op de bank liggen, als er om deze zaligheid aan de Heilige God gebeden wordt. Nee, een werkelijk eerbiedige houding past ons en geen vorm van onverschilligheid. Want tot ons allen komt de verzekering van God: „Zou Ik lust hebben' in de dood van een goddeloze, nee, daarin heb Ik lust dat de goddeloze zich bekere van zijn weg, en leve". Op dat woord mogen wij in ons gebed God aanroepen. Op dat woord vlucht de gemeente in dit gebed tot de troon der genade.
Bestaat de gemeente nu ineens uit enkel gelovigen? De praktijk leert wel anders En de Bijbel ook. Maar als er na dit gebed nog scheiding valt binnen de gemeente, ligt dat niet aan de Heere. Voor iedere zondaar is er raad bij het Lam Gods. Het ligt aan ons, als wij in ons gebed niet als zondaar willen buigen, en geen acht geven op zo'n grote zaligheid.
Het zijn geen kleine zaken waarvoor gebeden worclt. Maar het is een opdracht. Een mens van zichzelf kan deze opdracht niet volbrengen. Het is daarom voor de predikant een bijzondere ondersteuning, wanneer vanuit de gemeente een voortdurend gebed opgaat voor de opening van zijn lippen. Mozes kon het destijds in de strijd tegen d.e Amelekieten ook niet alleen. Hij werd daarbij ook geholpen door Aaron en Hur. Ik meen, dat wij daarin dan ook een voorbeeld voor onszelf moeten zien. Is die voorbede er voor de ambtsdragers?
DIENST DER OFFERANDE
Na het gebed wordt er gezongen en gekollekteerd. Kollekte betekent inzameling. Een echt Bijbels woord, zoals we dat in I Cor. 16 : 1 en' 2 lezen. Deze kollekte, ook wel genoemd de dienst der offerande, is bestemd voor de instandhouding van de kerkedienst en voor het doen van christelijke handreiking aan de armen.
Dat de kerk als gebouw onderhouden moet worden, dat er jaarlijks allerlei karweitjes gedaan moeten worden', daarover bestaat een gelijkluidend oordeel. Maar of het werk van de diakonie in deze tijd met zijn vele sociale voorzieningen nog zin heeft, daarover rijzen vragen.
Toch, alles wat de Heere ingesteld heeft is zinvol, al moet geconstateerd worden, dat het terrein waarop de diakonie werkt, verschoven is. Er is sprake van taakverbreding. Vroeger was de armenzorg het belangrijkste. Nu zijn dat bejaarden-en gezinszorg. En — er gaat ook veel geld naar verpleegtehuizen, sanatoria, liefdadigheidsinstellingen zoals Effatha, Barthimeüs, de reclassering, enz., enz. Armen in de vorm van voorgaande voorbeeldjes zijn er altijd wel. De Heere Jezus zei eenmaal zelf: „De armen hebt ge altijd met u!"
Zo blijft er heel wat over, waarvoor ook wij iets kunnen doen, zij het dan middels de diakonie.
FREEK
Na het zingen volgt de preek, het meest centrale onderdeel van de eredienst. Als cle Schriften geopend worden, klinkt het in menselijke woorden: „Alzo spreekt de Heere". „Gedenk dat God Zelf u door Zijn dienaar aanspreekt. Neemt dat Woord aan, hetwelk Hij u volgens de Heilige Schrift zal verkondigen, niet als des mensen
woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord", aldus het klassieke, gereformeerde bevestigingsformulier van de predikant, de dienaar des Woords.
In het „gelijk het waarlijk is" ligt de zin van en het respekt voor de dienst des Woords in de gereformeerde traditie ten volle besloten.
Als de overmacht van dat Woord vat op ons mag krijgen, dan zullen we het als een geheimenis in ons leven ontdekken en ondervinden. Dan is er een stille kracht, die ons leven richting geeft. Dan wordt ons bestaan „doorgelicht", we worden „ontgrond", aan onszelf ontdekt. De schuilhoeken, waarin de mens zich voor Gods aangezicht tracht te verbergen, worden aan de hand van Schriftplaatsen aangewezen. Hij gaat zien wie hij voor God is, maar ook wie God voor hem is.
ZEGEN
Na de prediking komt het dankgebed met de slotzang en tot slot van de kerkdienst wordt de zegen uitgesproken. Heel vaak ingeleid door de woorden: „Gaat dan heen en ontvangt de zegen des Heeren".
„De genade des Heeren Jezus Christus, en de liefde van God en de gemeenschap des Heiligen' Geestes zij met u allen", zoals de apostelen hun brieven aan de nieuw-testamentische gemeenten afsloten. De genade van Christus gaat voorop, in wie de liefde des Vaders een deel is der gelovigen, die bewaard en beveiligd kunnen en zullen zijn in en door de gemeenschap van de Heilige Geest.
Hierin valt duidelijk een bede, een' zegenbede te beluisteren. Het is de zegen Gods, die uit het hemelse heiligdom aan Zijn volk toevloeit, omdat Hij de Zijnen is tegemoetgetreden in Christus Jezus en nog wil benaderen, en in Hem Zijn vriendschap en zaligheid en eeuwig behoud aanbiedt.
Zo kan de kerk verlaten worden, wetende Wie ons zegenen kan en wil. Onder die zegen alleen kan ook ons dagelijks leven een eredienst zijn.
Lees-wijzer:
„De Gereformeerde eredienst", Ds. J. v. d. Haar. Uitgave: „De Banier", Utrecht, 1961, ƒ 6, —.
„Christelijke Encyclopedie" bij de trefwoorden liturgie, votum, enz. zul je bruikbare gegevens aantreffen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1973
Daniel | 16 Pagina's