ONTWIKKELINGSHULP
„Met de hand op het hart is het mij ten enenmale onmogelijk een principiële tegenstander te betonen van wat ontwikkelingshidp behoort te zijn. Ik geloof niet dat we tegen de naaste, die, hetzij individueel, hetzij in het verband van de slaat aanklopt, mogen zeggen: Ga heen en wordt warm en dat helemaal niet, wanneer we in eigen land welvaart genieten, ook al is het een feit, dat er in de nabijheid ook genoeg achtergeblevenen zijn. In de 2e wereldoorlog leerden we spreken van genocide, van volkerenmoord. We kunnen aküef door gebruikmaking van verdelgingsmiddelen een volk trachten te verdelgen, maar door nalatigheid en toegeslotenheid van hart kunnen we even goed of liever „even slecht" een volk laten omkomen", zo schrijft ds. H. G. Abma in een artikel in de Zendingsbode van de Spaanse Evangelische Zending.
Een groot deel van de wereldbevolking woont in cle zogenaamde „ontwikkelingslanden". Deze landen zijn onderontwikkeld, d.w.z.: ze zijn minder ver ontwikkeld dan andere landen. Zo weinig ontwikkeld soms, dat het niet zelden voorkomt dat de mensen van die landen moeten sterven van de honger.
In velerlei opzicht zijn ze achtergebleven: op economisch, op sociaal, op kultureel, op technisch gebied; door allerlei oorzaken: gebrekkige landbouwmethoden, voedseltekort, laagte van nationaal inkomen, geringe industrialisatie, onvoldoende werkgelegenheid, laag onderwijspeil, gebrekkige gezondheidstoestanden, hoog geboortecijfer, etc.
Al deze faktoren brengen een geweldige armoede teweeg. Tot de uitersten van de armoede behoren wel de levensomstandigheden van enige honderdduizenden „inwoners" van Calcutta (India), die helemaal geen' huis — of wat zo genoemd wordt — hebben. Deze van - het platteland gekomen werkzoekenden slapen op straat, eten' daar, wassen er hun kinderen en zichzelf, voor zover mogelijk en zoeken naar werk clat er nauwelijks is. Bij stortregens zoeken ze een schuilplaats onder een afdak. Als ouderen onder hen sterven', kijkt soms niemand naar hen om.
Wantoestanden door volksziekten als: malaria, tuberculose, maag-en ingewandziekten, enz. snijden diep in het ekonomisch en maatschappelijk leven.
Hulp is nodig.
We kunnen gerust zeggen, dat we als Nederlanders, als West-Europeanen in weeldetijd leven, zoals die nog niet eerder geweest is. een
Wij worden elk jaar rijker.
En ons verlanglijstje wordt daardoor met het jaar uitgebreid. Niet één enkele wens willen we schrappen. Bezuinigen zullen we moeten leren. Bezuinigen, in ieder geval
op wat besteed wordt aan ongeoorloofd vermaak, en al zou het geoorloofd vermaak zijn, het blijft vermaak; elders wordt een groot gebrek geleden.
De bevolking van de ontwikkelingslanden wordt echter ieder jaar armer.
De invloed van de medische wetenschap is erg groot. De hygiëne en medische verzorging, vooral van de kleine kinderen, is in een kort tijdsbestek ook sterk verbeterd, maar daardoor is de bevolking ook sterk toegenomen'. Je kunt spreken van een geweldige bevolkingsexplosie in de ontwikkelingslanden. Echter doordat er meer mensen in leven blijven, betekent dit, dat er meer monden zijn die om eten vragen. Het grote probleem is nu juist dat de toename van de bestaansmiddelen lang niet in verhouding staat tot deze grote bevolkingsgroei.
De produktietoename wordt a.h.w. weer opgeslokt door de snelle groei van de bevolking. In West-Europa groeit de bevolking slechts met 0, 6 °/o per jaar, terwijl in de ontwikkelingslanden een jaarlijkse aanwas van 3 °/o een normaal verschijnsel is geworden. Dat betekent een verdubbeling binnen de 30 jaar.
De kloof tussen Noord en Zuid wordt steeds groter. De welvaartsverschillen zijn enorm. De achtergebleven gebieden worden zich bewust van de achterstand. We raken in een situatie die gevaarlijk is voor de wereldvrede. Het probleem is acuut geworden.
Waarom men helpt.
Helaas moet gezegd worden, dat de hulpverlening bij het inlopen van de achterstand van de ontwikkelingslanden niet altijd opkomt vanuit een goede achtergrond. Vaak spelen motieven van eigenbelang een grote rol:
a. politieke aard.
Men wil z'n invloedssfeer, b.v. tegenover het imperialisme uitbreiden of handhaven. De landen worden dan de dupe van de concurrentiestrijd tussen Oost en West.
b. economische aard.
Men wil vergroting van de afzetmarkt voor de eigen produkten. Immers wanneer armoede plaats maakt voor welvaart, zullen de mensen steeds meer materiële eisen kunnen' en willen stellen, wat een toename van de vraag naar goederen betekent.
c. kulturele aard.
Graag ziet men de bevordering van de eigen taal en propageert men de eigen levensstijl en staatsstruktuur.
Gelukkig spelen ook andere motieven een rol. De hulpverlening komt dan voort uit sympathie en men is begaan met het lot van zijn medemens daarginds. Naastenliefde, gerechtigheid en solidariteit zijn de drijfveren waarom men helpt.
Hoe men helpt.
Voor de manier van de hulpverlening zijn enkele - spelregels aan te geven. Hulp kan multilateraal, bilateraal, gebonden en' ongebonden gegeven worden.
Multilateraal: hulp van meerdere landen via grote organisaties van de Verenigde Naties: de wereldbank, de Unesco: wereldorganisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur, de Unicef: wereldkinderbeschermingsfonds, de wereldvoedselorganisatie e.a. Bilateraal: hulp van land tot land, zonder tussenkomst van een bepaalde organisatie. Voor 50 % geeft Nederland financieel-technische hulp rechtstreeks aan regeringen, die hun goederen voor een belangrijk deel in Nederland kopen. Je zou dit ook gebonden hulp kunnen noemen, hetgeen een zeker voordeel met zich meebren'gt, omdat het tot gevolg heeft, dat er een kontinue relatie ontstaat tussen Nederland en het ontwikkelingsland.
Ongebonden: deze hulp staat Nederland voor. Wij stellen geld beschikbaar en cle landen kopen clan waar ze het goedkoopste terecht kunnen.
Tenslotte zou je nog kunnen spreken van: partikuliere hidp. Daartoe rekent men de zending.
De arme landen, die bang zijn dat ontwikkelde landen via een achterdeur hun macht willen uitbreiden, zijn blij met de hun geboden hulp, zolang het langs multilaterale weg gebeurt. Zoveel als mogelijk is willen ze buiten de politieke aspiraties van de grote machtsblokken blijven.
Nederland is er bij!
Ook Nederland draagt aan deze ontwikkelingshulp — tegenwoordig met een verzachtend woord „ontwikkelingssamenwerking" genoemd — z'n steentje bij. Op de begroting voor 1972 was meer dan 800 miljoen gulden' voor dit doel uitgetrokken. Dat is ongeveer 1 % van het totale inkomen.
Wat doet Nederland met dit geld?
25 % gaat naar de West, 20 % naar Indonesië en de rest van het bilaterale programma wordt verdeeld tussen India, Pakistan, Columbia, Peru, Nigeria, Tunesië, Kenia, Tanzania en Soedan.
Welke projekten zijn dat? Om er enkele te noemen:
In Columbia: landaanwinningen, woningbouw, bestrijding van het analfabetisme met moderne onderwijsapparatuur.
In Peru: bij Lima wordt een zuivelfabriek opgezet. Stamboekvee wordt geleverd, een drainagecentrum dat de bodemverzilting moet tegengaan, de levering van telekommunikatieapparatuur voor vliegvelden, radiozenders ten behoeve van het onderwijs, voorlichting aan boeren en opleiding van monteurs.
In Indonesië: deze hulp is bedoeld om het verkeer tussen de eilanden op gang te brengen, de landaanwinning en irrigatieprojekten, enz.
In Chili: het opzetten van scholengemeenschappen.
In Tunesië: De Medjadavallei wordt voor de landbouw geschikt gemaakt. Stallen worden gebouwd voor de duizenden stuks vee.
In India: havenbouw, enz.
Knelpunten.
De oplossing van het ontwikkelingsvraagstuk is nog lang niet bereikt. Daarvoor is het probleem te complex. Door
a. de snelle technische vooruitgang en
b. de hoge mate van scholing voor de beroepsbevolking wordt de kloof tussen arm en rijk steeds groter. Er zijn heel wat moeilijkheden, die niet in een keer zijn op te lossen:
1. In de arme landen is een groot gebrek aan geschoolde men'sen op alle niveaus. Men weet het moderne instrumentarium niet te hanteren.
2. Er is groot gebrek aan voldoende besparingen. Deze samenlevingen zijn zo arm dat ze er niet in slagen om voldoende geld opzij te leggen, waarmee men weer een stap verder kan komen.
3. Goede produktiemethoden worden' ingevoerd, hetgeen een produktietoename tot gevolg heeft, maar deze wordt voor een belangrijk deel weer opgeslokt door de snelle groei van de bevolking.
4. De politieke toestand (opstanden, staatsgrepen) is vaak van die aard, dat ze remmend werkt op de ekonomische ontwikkeling, terwijl in vele gevallen door corruptie en onbekwaamheid een goed bestuursapparaat ontbreekt.
5. En dan niet te vergeten de geestelijke crisis waarin de betrokkenen geraken, als de industrie een plaats in de samenleving gaat innemen. Oude godsdiensten; kuituren en bestaanspatronen worden aan het wankelen gebracht. De beslotenheid van de stam-en dorpssamenleving wordt verbroken, een trek naar de steden ontstaat. Men kan er de snel groeiende bevolking niet opvangen en overbevolkte krotwij ken ontstaan, met alle gevolgen van dien.
Bezwaren.
Ontwikkelingshulp brengt veel problemen met zich mee. Sommigen menen dat het vraagstuk te groot en daarom onoplosbaar is.
Toch, als we sommige ontwikkelingslanden bezien, dan moet geconcludeerd worden dat ze de laatste jaren flink vooruit zijn gegaan, zoals Formosa, de Filippijnen, Pakistan en Mexico.
We willen d.e ontwikkelingslanden wel helpen, maar dan moet er eerst orde op hun zaken gesteld worden (opstanden, staatsgrepen, corruptie).
Inderdaad, in veel landen is de situatie ongunstig. Sociologen zijn het er echter over eens dat de mate van corruptie ten nauwste samenhangt met het niveau van de sociaal-economische ontwikkeling: corruptie is een natuurlijk bijprodukt van de honger. Dat betekent dat corruptie nooit een reden kan zijn om de hulpverlening
te verminderen'. Integendeel, door de armoede te bestrijden, wordt tevens de corruptie tegengegaan.
In eigen land heerst nog zoveel armoede.
Misstanden hier moeten worden opgeheven. Maar de ellende daar is veel groter, omdat de eerste levensbehoeften ontbreken.
Zakelijke en steekhoudende argumenten behoeven we niet onder stoelen of banken te steken, maar , als ze maar niet dienen om eigen portemonnee en hart gesloten te houden.
Ons standpunt.
Een omvangrijke hulpverlening aan de ontwikkelingslanden blijft de komende jaren' geboden, om politieke redenen (dam opwerpen tegen het kommunisme, dat de schuld van hun achterlijkheid werpt op de koloniale uitbuiting), maar vooral om ethischbijbelse redenen.
Uit Gods Woord weten we dat ook de arme volkeren der wereld onze naasten zijn aan wie wij de christelijke barmhartigheid en naastenliefde verschuldigd zijn. We moeten pleiten voor een' grootscheepse financiële en economische hulp.
Maar dat niet alleen. De christelijke naastenliefde gebiedt ons ook en niet in de laatste plaats' het Evangelie te brengen. Door de geestelijke verwarring die ontstaat bij de uitvoering van de ontwikkelingsplannen hebben' deze mensen behoefte aan voorlichting, aan zekerheid. Die zekerheid ligt in Hem, die gezegd heeft dat de mens bij brood alleen niet leven zal, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat.
Niet alleen met beton, asfalt en machines, maar we moeten hen' ook benaderen als schepsel van God in het licht van de eeuwigheid. Niet het louter stoffelijke maakt rijk. Laat ons gebed opgaan voor die mensen, dat ze met het Woord ook in aanraking mogen komen, dat hen alleen rijk en vrij kan maken.
Want ze menen vrij te zijn als ze verlost zijn van kolonialisme en grootgrondbezit, maar ze blijven slaaf van de zonde. We moeten ze daarom wijzen' op de vrijheid die in de Ander is, Die zegt dat Hij waarlijk vrij maakt.
Dat verlost hen uit de nood, uit d.e diepste nood, waarin ieder mens verkeert: niet dat het hem ontbreekt aan voedsel en kleding, maar dat hij mist de kennis van de enige ware God.
Gespreksvragen (ontleend aan nr. 4-1970 van O.K.)
1. Is de hulpverlening aan de ontwikkelingslanden ook een overheidsplicht of is het alleen een taak voor partikulieren en hun organisaties?
2. Dient de regering steun te verlenen aan alle ontwikkelingslanden ongeacht de aard van het heersende regime?
3. Is het juist dat de regering subsidie geeft aan ontwikkelingsprojekten van partikuliere organisaties (scholen, ziekenhuizen) ongeacht de levensbeschouwelijke kleur van de organisatie?
4. Zijn wij bereid te aanvaarden dat bepaalde bedrijfstakken (textielindustrie, landbouw) belangrijke konkurrentie zullen gaan ondervinden van de ontwikkelingslanden?
5. Met welke moeilijkheden moeten we rekening houden als we ontwikkelingshulp voorstaan?
Literatuur.
1. O.K.-katern nr. 6: Ir. H. van Rossum: „Ontwikkelingshulp I", 16 blz., ƒ 1, 75. 2. O.K.-katern nr. 7: Drs. Chr. Fahner: , .Ontwikkelingshulp II", 18 blz., ƒ 1, 75. 3. Themanummer van O.K. over ontwikkelingshulp (3-1969) en nr. 4-1970 van O.K., waarin een schets is opgenomen. Besteladres: O.K., Postbus 21, Benthuizen. 4. „Daniël", 23e jaargang 1968 nr. 4, 5, 6 en 7: B. Stolk .Ontwikkelingshulp'. 5. Jagdisch Bhagwati: „Toegepaste ontwikkelingseconomie". Uitgave: V/. den Haan / J. M. Meulenhof, serie Wereldakademie, 253 pag.
Klankbeeld.
In samenwerking met het L.V.S.G.S. verhuren we een klankbeeld over ontwikkelingshulp, dat zeer goed gecombineerd kan worden met deze schets. Het is verkrijgbaar bij de administratie van O.K. of bij het bondsbureau.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1973
Daniel | 20 Pagina's