JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

PAULUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PAULUS

6 minuten leestijd

Als je het tempelplein oversteekt naar de Oostpoort van Jeruzalem kom je langs een steile helling van het Kedrondal. Daar — net buiten de stad — is zojuist een man met stenen doodgegooid. Kijk, de bende, die deze moord op zijn geweten heeft komt terug. Sommigen trekken hun mantels, die ze afgegeven hadden aan een jonge man, die niet meegegooid heeft, al lopende aan. Met voldane gezichten komen ze via de Oostpoort weer op het tempelplein, druk pratend over wat er gebeurd is.

Naar Jeruzalem

In Klein-Azië in het landschap Cicilië, ligt de stad Tarsus. Een' kanaal verbindt de stad met de Middellandse Zee. 't Is er druk, vele geleerde mensen wonen er, want Tarsus is een centrum van wetenschap. De plaats is ook heel bekend om het verwerken van het lange, gladde, kleinaziatische geitenhaar. Hier wordt bijzonder sterk tentdoek van gemaakt.

Uit deze welvarende stad vertrekt op zekere dag een jongen van misschien ^en jaar of dertien. Hij is niet groot van stuk, eerder te klein voor zijn leeftijd. Thuis noemen ze hem Saulus of Saul, de afgebedene. Zijn vader en moeder zijn Joden en vóór zijn geboorte al komen wonen in Tarsus. Saulus is dus een Jood, maar bezit erfelijk het romeinse burgerrecht. Dit recht kon je ook kopen. Het gaf vele voordelen. Saulus' vader en moeder spreken onder elkaar in eigen omgeving geen Grieks, maar Aramees, dat is nieuw-Hebreeuws. Saulus spreekt echter ook vloeiend grieks, toen de wereldtaal. Buiten het gezin, dus in heidense omgeving wordt hij altijd met de grieks-romeinse naam Paulus aangesproken: Paulus, de kleine.

Toen hij dertien jaar geworden was, werd hij zoon der Wet, dat betekent, dat hij nu de rechten van een volwassen man krijgt. En waarschijnlijk op deze leeftijd verlaat Saulus het ouderlijk huis om — na een lange reis — in Jeruzalem te gaan studeren voor wetgeleerde. Hij heeft een scherp verstand en krijgt les van de beroemde rabbijn Gamaliël de Oude, uit de school van Hillel. Deze Gamaliël was één van de grootste joodse rabbi's en is voorzitter van het Sanhedrin geweest. Het was de gewoonte, dat de wet-en' schriftgeleerde ook een handwerk leerde. Saulus kiest het tenten maken.

Die gehate Naam

Vele jaren gaan voorbij en waarschijnlijk zo'n vier jaren na de opstanding van de Heere Jezus — Paulus is dan nog geen veertig jaar — vindt de steniging van Stefanus plaats. „En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus".

O, wat een moed toonde toen de kleine Christengemeente van Jeruzalem. Ze maakte immers grote rouw over hun diaken. En dat was bij de Joodse wet verboden, want een gestenigde moest niet alleen op een misdadigerskerkhof begraven worden, maar er mocht ook geen rouw over hem bedreven worden. Saulus rouwde echter niet. O nee, hij had mede een welbehagen aan Stefanus' clood. De laatste woorden van die man wilden hem niet uit de gedachten: „Heere Jezus, ontvang mijne geest". Die naam, die gehate Naam, moest uitgeroeid worden'. De Man uit Nazareth had immers gezegd, dat de grootste zondaar tot Gocl bekeerd kon worden. En de Wet dan? Moest je dan niet nauw leven naar die Wet? Als je Gods Wil volbracht, door stipt de regels van de Wet in acht te nemen, verdiende je een plaats in de hemel. En nu zei de Heere Jezus, die Rabbi uit Nazareth, dat je zo'n plaats nooit verdie-

nen kon, maar dat God die uit genade gaf aan wie Hij wilde. O, wat had Saulus een hekel aan die Naam. En ook aan allen, die deze Naam beleden. Al de volgelingen van Jezus van Nazareth moesten uitgeroeid worden.

Ik ben Jezus, Die gij vervolgt.

Door de drukke straten van Damascus loopt een man. Hij is op weg naar de straat, genaamd de Rechte. Die straat loopt dwars door de stad van oost naar west en' is bijna één kilometer lang, Hij moet naar het huis van een zekere Judas. In dat huis — het is waarschijnlijk een bekende herberg — is een man binnengebracht, die, op weg naar de stad, blind was geworden. Ananias, zo heet de man, clie nu naar Judas' huis gaat, weet heel goed, wie hij is, die blinde. En uit zichzelf was hij er nooit heen gegaan. Maar hij moest, want de Heere had hem gestuurd. „O, Heere", heeft hij gezegd, „die man is een moordenaar van Uw kinderen. Hij heeft al zoveel kwaad gedaan in Jeruzalem." „Ja, Ananias", had de Heere geantwoord, „clat weet Ik wel. Maar wees niet bang voor hem, hoor. Hij doet geen kwaad, dat kan niet, want hij bidt". En gehoorzaam is Ananias nu op weg naar „de Rechte Straat". Naar Saulus, om hem te zeggen: „Saul, broeder, de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden.' Hij is niet bang meer voor deze vervolger van de Christenen, want hij weet het — de Heere heeft het hem Zelf gezegd — „Saulus is Mijn werktuig. Ik zal hem gebruiken om Mijn Naam, waaraan hij zo'n grondige hekel had, uit te dragen onder de heidenen."

Naar de heidenen

In de haven van Antiochië,

Seleucië, is het druk. De schepen kiezen na de lange winter weer zee. Goederen worden geladen, levensmiddelen en water ingenomen en de passagiers, die tegen betaling de reis meemaken, komen aan boord. Er gaan drie mannen de loopplank van één der schepen over. Ze betalen de prijs voor de overtocht naar het eiland Cyprus en staan even later op het dek de drukte en bedrijvigheid gade te slaan. Wie zijn die mannen en wat gaan ze doen? Zijn het misschien kooplieden', clie op Cyprus wijn en vruchten zullen inkopen? Of gaan ze zomaar voor hun plezier op reis?

Geen van beide. Ze zijn zendelingen, tenminste twee van hen, de ander gaat als hun helper mee. De kleinste van de drie staart in gedachten verzonken over de grote zee. Daar gaat hij nu, samen met Barnabas het evangelie aan de heidenen verkondigen. Wat is er veel gebeurd sinds zijn bekering op de weg naar Damascus. Eerst een paar jaar in Arabië geweest, toen weer terug naar Damascus, claar wilden de Joden hem doden, maar hun aanslag mislukte. Toen naar Jeruzalem, maar daar wantrouwden de apostelen hem, hoewel Barnabas hem bij Petrus had gebracht. Hij is maar een paar weken in de stad gebleven. Vandaar is hij naar Tarsus gereisd, zijn geboortestad. En nu na ongeveer 14 jaar, staat hij met Barnabas en diens neef, Johannes Markus, op het dek van een schip, clat hen naar Cyprus zal brengen. De Heilige Geest heeft hen vanuit Antiochië uitgezonden om de Naam van Jezus uit te dragen onder de heidenen. En het eerste doel van deze zendingsreis is dit prachtige eiland.

(Wordt vervolgd)

J. W. v. d. Berg, Papendrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1973

Daniel | 18 Pagina's

PAULUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1973

Daniel | 18 Pagina's