JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ZELFONDERZOEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZELFONDERZOEK

4 minuten leestijd

„En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon eei iegelijk van hen tot Hem te zeggen: en ik he Heere? " (Matth. 26 : 22)

Vóór het bangste lijden over Christus komen zal, wil Hij eerst nog met Zijn discipeler het Pascha houden. Nogmaals wil Hij hen er op wijzen, dat het bitter lijden er sterven, dat Hij ondergaan zal, hun ten goede zal komen. Dat Hij voor hen de docc zal ingaan om hun het leven te verwerven. Hoe vreselijk het lijden ook was, Hij i; bereid om Zich te geven. Zijn liefde en ijver brandt.

Welk een smart zal er geweest zijn in het hart van Christus, want één van Zijn discipelen was een duivel. Johannes schrijft dat Hij ontroerde in de geest. En met een ontroerd gemoed zei Hij, toen ze aten: „Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden."

Dat is voor Christus wat geweest. Eén die met Hem brood at, die zo nauw aan Hem verbonden was, die met Hem gewandeld had, Zijn preken gehoord had en' Zijn tekenen gezien, die zou Hem overleveren en verraden. Ook deze pijn heeft Hij borgtochtelijk doorgemaakt.

Maar waarom ontmaskert Hij Judas dan niet; hem verwijderen? Ja, dat had Hij kunnen doen, doch Christus wist ook, dat het alzo moest naar Gods raad! En toch zoekt Hij nog Judas' behoud. Het is tot Judas' waarschuwing, dat Christus dit woord spreekt.

O, had Judas het maar ter harte genomen! Doch hij gaat voort op de ingeslagen weg. Ontzettend. Welk een waarschuwing voor ons, want wat kan het toch ver gaan. Judas toch gevoelde zich aanvankelijk ook tot Jezus aangetrokken. Hij heeft zich verdiept in het Woord; hij preekte en bad; hij genoot het vertrouwen van de discipelen. Hem was de beurs gegeven. En toch, nooit was hij een verdoemelijk zondaar voor God geworden. Van een hartelijke droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid, heeft Judas niets gekend. Hij bevindt zich in de kring der discipelen. Maar hij hoort bij de discipelen niet.

O, waar moeten wij de huichelaars zoeken? In de kring van de discipelen, onder de avondmaalgangers! Onder degenen, die de naam van Jezus op hun lippen hebben. O, hoe velen zullen met die naam op de lippen ter helle varen! Christus zegt het: Eén van u zal Mij verraden. Moet het ons niet beangstigen? Moet het ons niet brengen tot nauwkeurig zelfonderzoek?

Zo ging het de discipelen. Nee, ze springen niet verontwaardigd overeind; ze zeggen niet: Heere, dat bestaat niet! Ze worden bedroefd. Zal een van hen Hem, Die hen zo uitermate lief is, verraden? Dat vervult ze met smart. Zij hebben immers in Hem het leven' en de zaligheid gevonden. Ja, waar ze iets van Zijn liefde mochten smaken, daar hebben ze uitgeroepen: Ik zal U hartelijk liefhebben, o Heere, mijne sterkte! Zal één van hen Hem verraden? Bedroefd zijn ze om de smaad die Hem zo zal worden aangedaan! Gods ware volk verstaat dat.

En wat doen nu de discipelen? Eén voor één stellen zij zich voor de Kenner der harten en vragen: Heere, ben ik het? Het leeft in hun hart. Beproef mij en zie, of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij toch op de eeuwige weg! Gods ware volk schuwt de ontdekking niet. Nooit kan er te ontdekkend gepreekt worden. Neen, de discipelen verdenken elkaar niet, maar ze verdenken zichzelf. En Judas? Hij verhardt in het kwaad. Om echter niet openbaar te komen voor de anderen, buigt hij zich neer en vraagt: Ben ik het, Rabbi? Hij aapt de discipelen na. En zelfs als Christus zegt: Gij hebt het gezegd, gij zijt het, komt hij niet tot inkeer! Hij holt verder. Hij blijft huichelen tot in de hof van Gethsemané toe. Daar treedt de verrader Christus, als ware hij een' vriend van Hem, tegemoet en kust Hem. Hoe zwaar zal zijn oordeel zijn.

Moet het ons niet aangrijpen? Zouden wij niet op de knieën terecht komen? Zou het ons gebed niet moeten zijn: Beproef vrij van omhoog, mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag. Doorzoek mij; toets mijn gangen; doorgrond al mijn verlangen; En stel mijn oogmerk in de dag!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1973

Daniel | 24 Pagina's

ZELFONDERZOEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1973

Daniel | 24 Pagina's