MILITAIRE DIENST
Er is heel wat te doen over het Nederlandse leger. Je hoeft de kranten' of andere tijdschriften maar open te slaan of je wordt al direkt geconfronteerd met duizend-en-één meningen rond de defensie.
Heel wat schouderophalen moet geconstateerd worden als je de aandacht vestigt op enkele zinnen uit de artikelen 194 en 195 van de grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden:
„Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging vanzijn grondgebied."
„Tot bescherming der belangen van de Staat is er een krijgsmacht bestaande uit vrijwillig dienenden en uit de dienstplichtigen."
Wat houdt dat nu in concreto in? Luitenant-generaal, legerkorpscommandant F. E Mevnders geeft daar als antwoord op:
„Het betekent niets meer en niets minder dan: handhaving van de onafhankelijkheid, desnoods met „geweld van wapens". Daarmee is dan de eigenlijke taak van het leger: effektief te kunnen funktioneren in oorlogstijd. Waarbij als wel heel bijzonder aspekt komt dat het zich daarvoor geheel zal moeten gereedmaken in vredestijd."
Minister de Koster zei in het begin vorig jaar in zijn antwoord aan de Tweede Kamer tijdens de behandeling van het NAVO-gedeelte van de begroting van Buitenlandse Zaken:
„We leven wel in een nog steeds heel onrustige wereld, een wereld waarin het streven naar vrede een voortdurende, ja dagelijkse uitdaging is en voor iedereen behoort te zijn. We moeten ons permanent inspannen om de grote macht te beheersen en niet, zoals de tovenaarsleerling deed, ons de baas te laten worden. De tegenstellingen en konflikten, waarin
we zelf zijn betrokken of betrokken kunnen worden, moeten we zien te over bruggen en te beteugelen.
En als je jezelf nu afvraagt wat de taak van het leger is dan is dat misschien eei minder direkte, maar toch zeker een zo belangrijke taak nl. door zijn aanwezigheid ertoe bijdragen dat geschillen tussen staten op diplomatieke wijze worder opgelost, m.a.w. het voorkomen van oorlog."
Hoe anderen over een en ander denken, daarvoor kreeg ik medewerking van enkele beroeps-en dienstplichtige militairen, van wie je de meningen in het vraaggesprek , , Zo denken zij er over " kunt vinden. Met Drs. G. W. Segers te Ede, momenteel direkteur van het conferentiecentrum voor leidinggevenden in de rang van luitenantkolonel van de Koninklijke Luchtmacht, had ik een gesprek, waaruit bleek dat hij een niet direkt gangbare zienswijze had, maar waaruit ik graag een aantal gedachten wil overbrengen.
„Vragen over macht en gezag, oorlog en vrede, het werk als beroepsmilitair beleven als een dienst aan de vrede; het zijn problemen, die het hoofdthema van mijn dagelijks werk vormen. Vele malen heb ik een verhandeling hierover geschreven, waarbij ik echter altijd het gevoel heb gehad, dat ik ondanks de mooie analyse niet in staat was de kern van het probleem te raken.
De meest overrompelende vraag, die mij eens gesteld werd, luidde: „Heeft jouw geloof, jouw christen-zijn een betekenis in je werk? " Mijn spontane reaktie was toen: „Nee! Als ik les geef in management en management-technieken ben ik alleen maar vakman." Tegelijk als je zoiets zegt voel je het onbevredigende van zo'n antwoord. Het is misschien wel eerlijk, maar het zegt meteen dat je in de worsteling met immense problemen toch een belangrijke dimensie vergeet.
Enige maanden' geleden heb ik een bezoek gebracht aan Kreta en daar kennis gemaakt met de Grieks-Orthodoxe Kerk. Deze ontmoeting heeft op mij een diepe indruk gemaakt. Na honderden jaren overheersing sta je voor een wonder als je constateert dat de Kerk niet alleen nog bestaat, maar een wezenlijk element vormt in het leven van de bevolking. De Kerk hoort erbij!
Met eindeloos geduld en begrip legde c'e Grieks-Orthodoxe bisschop ons zijn beleving van macht uit. Toen werd mij langzamerhand duidelijk dat het begrip „macht" in het orthodoxe denken een andere inhoud heeft dan in ons westerse denken. Voor ons betekent macht het bezitten van middelen — geld, wapens, kennis, grondstoffen, enz. — waardoor ik iets kon opbouwen. De sociologie definieert macht als de mogelijkheid het gedrag en de mogelijkheden van een ander in te perken' in een door mij gewenste richting.
Voor het Grieks-Orthodoxe denken is macht slechts een zijn voor en met de mensen, een ten dienste zijn. Of om het in mijn vakjargon te zeggen: Macht is de mogelijkheid om de mogelijkheden van anderen te vergroten.
Tijdens de gesprekken werd ik steeds sterker herinnerd aan teksten als: „Wie van U de meeste wil zijn, zij U aller dienaar" of „Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht". Ik heb me ernstig afgevraagd — en deze vraag laat mij nog steeds niet los — of de Oosterse christenen niet iets hebben bewaard van de boodschap van het Evangelie, dat wij in het westen verloren hebben, nl. dat je middelen ten dienste stellen van de „ander" een niet rationeel gebruik is van macht, maar in de problemen van oorlog en vrede in onze tijd wel eens de richting van de oplossing zou kunnen' aangeven. Machtig zijn, invloed uitoefenen door een kwetsbare positie in te nemen.
Durft U in deze richting verder te denken? Ik hoop ernstig op een hernieuwde kennismaking met onze broeders in het oosten, want ik voel clat ik wat van hen kan leren."
Luitenant-generaal b.d. M. R. H. Calmeyer schreef in „Ons leger" een beschouwing over het rapport van de kommissie Van Rijckevorsel, dat in augustus '71 een onderzoek instelde naar de effektiviteit van ons leger. In deze beschouwing komt duidelijk naar voren dat er een enorme kloof bestaat tussen de burgerbevolking en het militaire leger. De dienstplichtigen beseffen steeds minder waarvoor zij hun dienstplicht vervullen.
„Kan men veel gemotiveerdheid verwachten bij dienstplichtigen, die door een groot deel van de pers en andere massa-communicatiemiddelen zijn geïndoctrineerd om de waarden, die zij z.n. met inzet van hun leven, moeten verdedigen, gering te achten? Ze hebben geleerd, voor een groot deel, in huis, school en kerk, weinig of geen' geloof in eigen zaak te hebben, eerder het tegendeel.
Onder bewindslieden van het vorige ministerie is het snel bergafwaarts gegaan. Waren de verschillende etappes van het verval — onverantwoordelijke verhoging van de salarissen, onbeperkt dragen van burgerkleding buiten dienst, afschaffing van de groetplicht buiten de kazernes, afschaffen van het morgenappèl, langere haren — voortgevloeid uit vrije weloverwogen beslissen van de bewindvoerders, dan zou ik het er niet mee eens zijn, maar het geen gezagsschemering noemen. Maar zo is het voor het merendeel van deze maatregelen niet gegaan: Een ongeordende colonne in burger geklede dienstplichtigen, met borden „Ons geduld is niet tomeloos" e.d. door de Haagse straten om meer salaris te eisen. Salarisverhoging volgde.
Het bestuur van de V.V.D.M. gaf order voor een „groetdag", waarop een bestaand voorschrift publiekelijk belachelijk werd gemaakt. Een jaar later werd weer een „groetdag" afgekondigd. Enkele dagen te voren werd de groetplicht afgeschaft. Een dienstplichtige werd door de krijgsraad gestraft wegens weigering het dienstbevel op te volgen' om zijn haar te fatsoeneren. Toen de zaak in hoger beroep bij het H.M.G. aanhangig was, werd het dragen van lang haar toegestaan.
Wat valt te verwachten, als militairen, die gezien hebben dat het gezag zich eisen laat afdwingen, onder moeilijke omstandigheden dingen zullen moeten doen, die nog veel minder met hun inzichten overeenkomen, dan de voorschriften die werden' afgeschaft? Bij mobilisatie verandert de man niet. Hij reageert zoals hij in vredestijd is opgevoed.
Zolang het gezag in het leger niet is hersteld, de militaire belangenverenigingen niet van „pressiegroepen" zijn teruggebracht tot verenigingen, die niet de eisen, maar de wensen van de betrokken groepering op gepaste wijze naar voren brengen, zolang zal daaraan de innerlijke waarde van ons leger een der onmiskenbare faktoren ontbreken."
Ik meen dat voor het behoud van de vrede, veiligheid en' vrijheid een deugdelijke krijgsmacht, steunend op de sympathie der natie, noodzakelijk is, en noodzakelijk zal blijven, waarbij voor allen die hierbij betrokken zijn, geldt en zal blijven gelden dat de (L)leiding van (B)boven moet kunnen komen. In dat besef zal de gezagsondermijning geen voet hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1973
Daniel | 24 Pagina's