DE LAWINE II
KERSTVERHAAL
Uiterst langzaam schuift de geweldige sneeuwmassa, die een breedte heeft van wel tweehonderd meter, naar beneden. Doch, dat duurt maar enkele seconden, dan begint hij te glijden, vlugger en vlugger, in suizende vaart, alles meesleurend en bedekkend in zijn tomeloze snelheid.
De geweldige luchtverplaatsing, die voor de lawine uitgaat, veroorzaakt al een grote ramp in en buiten het dorp, voor de sneeuwmassa zelf de huizen en stallen bereikt. Met donderend geraas bespringt de lawine het nietsvermoedende dorpje. Na de oorverdovende slag heerst er enige ogenblikken een doodse stilte. Dan schreeuwen en roepen' angstige, verschrikte stemmen door elkaar, deuren worden opengestoten, mensen komen naar buiten en staren verstomd naar de plaats van de ramp.
Uit de enorme sneeuwberg steken balken, stenen, stukken gordijnstof, versplinterd hout en scherven omhoog. Daar begint de klok in het kleine kerkje te luiden'. Bombom-bom, dat klinkt zo angstig, zo bang. Mannen hollen terug naar de huizen om schoppen en lange stokken te halen. Ze roepen hun vrouwen toe om water op te zetten en soep te koken. Ze vragen om dekens en matrassen. Eerst lopen ze elkaar in de weg, maar spoedig komt de reddingsaktie ordelijk op gang. De lawine is niet midden in het dorp gevallen, maar meer aan de rand en daar buiten, waar ook enkele boerderijen stonden.
Met de lange stokken steken de mannen langzaam in de sneeuw. Ze staan op een rij en' de stokken zijn wel drie meter lang. Als ze niets voelen, trekken ze de stok weer terug en proberen het een klein eindje verder weer opnieuw. Langzaam gaat de lange rij mannen vooruit. Dan ineens een schreeuw: , , Ja, ik voel wat." Haastig worden de stokken neergelegd en beginnen ze te graven. Voorzichtig schep na schep. Wat zullen ze vinden?
Het huis van boer Altorff is verdwenen. Waar zo net nog de sterke boerderij stond, is nu een grauwe sneeuwhoop. Niets beweegt er, 't is er stil, doodstil. O, vreselijk, waar zijn Hans en Liesl? En vader en moeder en Werner? Leven ze nog? Of heeft die zware sneeuwmassa hen gedood? Is die sterke stal, met zijn muren en dikke balken verbrijzeld onder het geweld van de lawine? Wie zal het weten? De reddingsploeg uit het dorp is koortsachtig de grote sneeuwhoop aan het onderzoeken. „Hier stond het huis, hieronder", wijst één van de mannen beslist, „en daar, een paar meter verderop, de stal. Laten we maar op de plaats van het huis beginnen." Langzaam zakken de stokken in de vuile sneeuw.
Diep onder de sneeuw liggen drie mensen en twee kindertjes op de koude vloer van de stal. Boven hen drukt de lawine op het half ingezakte clak. Eén kant van het dak is op de vloer terecht gekomen. De stal zelf is wel drie maal zo klein geworden. Geen dier beweegt, geer. ketting rammelt, 't Is er zo stil, zo heel erg stil.
Maar hoor, daar beweegt toch iets, daar schuift wat over de vloer. Langzaam, tastend komt het vooruit. Het is aardedonker, geen spiertje licht komt de vernielde stal binnen.
„Mèèè", klinkt het dan klagend. Mèèè."
Dan is het weer stil, maar het geschuifel houdt aan. Een schaapje, dat ongedeerd, maar half verdoofd in het stro lag, is op onderzoek uitgegaan. Z'n dunne pootjes tasten voorzichtig over de vloer. Plots staat het stil, het liep ergens tegenaan. Blij snuift het aan iets, dat op de grond ligt. „Mèèè." Nog eens drukt het schaap zijn kop tegen dat ding op de grond. Dat ding beweegt, het kreunt. Het is Werner, de knecht. Versuft wrijft hij in zijn ogen. Wat is het donker, waar is hij toch. Dan, heel langzaam, dringt het tot hem door, wat er gebeurd is. Die doffe klap, die schok, dat gesuis in zijn oren, dat geweldige gekraak. Een een lawine! En hij leeft nog, hij leeft nog! Maar, waar is hij toch? Hoe komt het zo donker cm hem heen? Dan, plotseling weet hij het weer. De stal, Hans, Liesl, de baas en zijn vrouw.
Voorzichtig tast hij rond. „Mèèè", blaat het schaapje verheugd, als het de handen van de knecht voelt. „Och, " zegt Werner, „och, arm dier." Dan tast hij verder. Zijn vingers stuiten op een ruwe, ijskoude muur. Sneeuw, overal naast hem sneeuw. De angst knijpt hem de keel dicht. Maar hij vermant zich en probeert, zich voorzichtig omkerend, op zijn knieën verder te kruipen. Na enkele ogenblikken vindt hij de boer. „Baas, " wil hij roepen, „baas!" Maar zijn stem weigert. Hij betast het gezicht van de boer. Dat is zo koud, zo in en inkoud. „Baas, wordt eens wakker, zeg eens wat!" Radeloos trekt Werner boer Altorff aan de arm. Och, de boer ligt zo stil, zo bewegingloos.
„Had ik maar licht, " zucht Werner, „één straaltje licht." En dan klinkt het uit zijn bange hart: „Heere, help, geeft U mij als 't U blieft licht." Het blijft echter donker, stikdonker. Weer zoeken zijn koude handen het gezicht van de boer. Ze betasten zijn jas, en clan, o wonder, dan vinden Werners verkleumde vingers in de zak van die jas een doosje lucifers. Bevens trekt hij het eruit en, z'n ijskoude handen om het doosje geklemd, dankt hij de Heere, Die zijn gebed zo wonderlijk verhoorde.
De eerste lucifer breekt, de tweede valt uit zijn verstijfde vingers, maar de derde brandt even helder op. En in dat korte ogenblik ziet Werner vrouw Altorff liggen, vlak bij de boer. Voorzichtig kruipt hij, nu weer in het duister, in haar richting. Als hij haar gevonden heeft en haar even aanraakt, beweegt zij zich. Werner kan wel huilen van blijdschap. Ze leeft, ze leeft! Hij strijkt een lucifer aan. Het kleine vlammetje verlicht het gezicht van moeder. Ze heeft haar ogen open. „Wat, wat is er gebeurd? " vraagt ze schor. Maar dan is de lucifer opgebrand en lijkt het nog donkerder dan daarnet. Werner, nog steeds op z'n knieën, vertelt alles. „De kinderen, Werner? " „Ik weet het niet, vrouw Altorff, ik zal gaan zoeken. Blijft u maar hier. Niet gaan staan, hoor, " waarschuwt hij. „Het dak is ingestort."
Wel meer dan drie meter boven hun hoofd werken de mannen van het dorp onvermoeid verder. De dag is al bijna voorbij. Stralend is de zon achter de bergen weggezakt. Het wordt koud, het vriest hard. Er is al veel sneeuw weggegraven. De jongens uit het dorp brengen alles op hun sleden weg. Telkens stuiten de dorpelingen op allerlei dingen, die bij de boerderij behoren. Een raamkozijn, een mat, een stuk van een ledikant. Ze vrezen het ergste, toch houden ze vol. De lange stokken zijn in cle sneeuw gestoken en aan touwen, die er tussen gespannen zijn hangen wel twintig lantaarns zachtjes heen en weer te bengelen. Om beurten roepen de mannen de boer bij zijn naam: „Altorff, Altorff!" Maar er komt geen antwoord.
In de stal zoekt Werner huiverend verder. Als hij een poos heeft rondgekropen, voelen zijn verkleumde vingers weer een muur van sneeuw. Heel langzaam richt hij zich op. Hier kan hij staan. Voorzichtig strijkt hij een lucifer aan. Hij kijkt omhoog... en dan... Ziet hij het wel goed? Daar aan die dikke balk hangt een stallantaarn! Als de lucifer is opgebrand, staat Werner even heel stil. „O, Heere, nu kan ik pas goed gaan zoeken. Dank U, dank U wel."
Uiterst langzaam en heel behoedzaam halen zijn stijve vingers de lantaarn van de balk. Het glas is kapot, maar dat hindert niet. Hij zal toch wel branden. Op de tast draait hij heel voorzichtig de pit wat op en steekt hem aan. Even sputtert en spettert het vlammetje, clan brandt het helder op. Licht in die nare duisternis. Geen aarzelend vlammetje, dat weer gauw doofde, maar een flinke lichtplek valt op de
vloer van de stal. Dolgelukkig en dankbaar pakt Werner de lantaarn op en gaat ermee naar vrouw Altorff. Vlak bij haar moet hij weer bukken om zijn hoofd niet te stoten tegen de zoldering van de stal. Vrouw Altorff is dicht bij haar man gaan zitten. Ze streelt zijn ijskoude handen. Ze huivert. Toch heeft ze haar schort uitgedaan en die onder het hoofd van haar man geschoven. Het schaapje is vlak bij haar gaan liggen.
„Werner, de kinderen? " „Ik heb ze nog niet gevonden, maar ik kan nu beter gaan zoeken, vrouw Altorff. Kijk eens, wat ik hier hebt? " Moeder knikt even: „Ga maar gauw, Werner."
Binnen enkele minuten heeft cle knecht ze gevonden. Ze liggen naast elkaar, onder de houten' tafel. Eén poot van de tafel zit vast in de muur van sneeuw, de andere poten hangen een eindje boven de vloer van de stal. Het houten blad steekt met een punt in de sneeuw en vormt zo een schuin dak boven Hans en Liesl, die dicht tegen elkaar aan, lijken te slapen'.
Stil zet Werner de lamp neer en één voor één haalt hij de kinderen oncler de tafel vandaan en brengt ze bij vrouw Altorff, die ze met een snik in de armen sluit. Wat zijn ze koud en wat liggen ze stil! Werner trekt zijn jasje uit en legt het tussen de poten van het schaapje. „Laten we ze hier neerleggen, vrouw Altorff, " zegt hij. Even later liggen Hans en Liesl dicht tegen het schaapje aan, dat beschermend z'n poten lijkt uit te strekken om de verkleumde kinderen. Dan kruipt de knecht de vernielde stal weer door. Daar waar hij rechtop kan staan, strekt hij zich dankbaar uit. Hij vindt twee koeien en enkele schapen, die schijnbaar levenloos in het stro liggen. Hij neemt armen vol stro mee en schuift het onder het stille lichaam van de boer. Ook de boerin dwingt hij cm op een laagje te gaan zitten.
Dan moet hij even rusten. Zijn adem gaat zo snel en zijn hart bonkt zo. Vreemd eigenlijk, zoveel heeft hij toch niet gedaan! Zou het komen van dat heen en weer gekruip? Of zou er te weinig zuurstof zijn in de stal. Er komt natuurlijk helemaal geen frisse lucht binnen. En de lamp? Moet hij die niet uitdoen? Maar dan kan hij niet zien of Hans en Liesl bijkomen, of ze al wat kleur op hun wangen krijgen. Nee, de stallantaarn zal hij maar aanhouden. Trouwens, nu hij een poosje gezeten heeft, is dat hijgen al veel minder en zijn hart gaat ook niet meer zo te keer. Stil zit Werner naar de beicle kinderen te kijken. Komt er wat kleur op hun wangen? Ziet hij dat goed? En bewoog Hans daar zijn been? Knippert Liesl met haar oogjes? Vol spanning slaat de knecht de kinderen gade.
Vrouw Altorff heeft het hoofd van haar man op haar knieën gelegd. Nu pas voelt ze en ziet ze de grote buil aan de rechterkant van zijn hoofd. Een bult, zo groot als een ei. Voorzichtig legt ze haar ijskoude hand erop. „Dinsdag is het eerste Kerstdag, vrouw, " hoort ze hem weer zeggen. „Eerste Kerstdag!" Met een schok bedenkt ze, dat het misschien wel dinsdag is. Hoelang zouden ze hier zitten? Een uur? Een dag? Het was maandag een uur of tien', toen de lawine neersuisde. Ze ziet zich weer staan bij de tafel, de gebloemde kommen op een rijtje, de koffie er naast. En toen? Nee daar weet ze niets meer van. „Hoe laat is het, Werner? " De knecht pakt zijn horloge. „Drie uur, " zegt hij, „maar of het middag is of nacht, dat kan ik niet zeggen." Hij bukt zich over de beide kinderen. Zijn ruwe vingers strijken over hun gezichtjes. Hij krijgt een schok van vreugde. Nog eens voelt hij aan hun wangen. „Vrouw Altorff, " zegt hij schor, „vrouw Altorff, ze worden warm." Tranen schieten hem in de ogen. Moeder kan zich ook niet goed houden. „Goddank, " fluistert ze. Ze kan nu niet naar hen toe, maar haar ogen zijn geen moment van cle kinderen af. Even vergeet ze haar man, die nog altijd bewegingloos neerligt. En dan ziet ze het. Er komt kleur op de gezichtjes van Hans en Liesl. „Werner, Werner, ze leven!"
Dan vergeten' moeder en Werner hun benarde toestand, dan vergeten ze, dat ze begraven zijn onder wie weet hoeveel meter sneeuw, dan denken ze zelfs niet aan de boer in de vreugde, die ze nu gevoelen. Ze zien de regelmatige ademhaling van de kinderen en met grote spanning wachten ze tot hun ogen zullen opengaan. In beider hart is een innig dankgebed tot God, een gebed, dat door de dikke laag sneeuw heendringt tot voor de troon van Hem, Die alles ziet en alles weet.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1972
Daniel | 16 Pagina's