SAULUS DE ONBERISPELIJKE II
Voor het oog van de mensen heeft Saulus heel wat pluspunten. Vooral in de kring van de Farizeën wordt dat opgemerkt en gewaardeerd, niet bij de Christenen. Die hebben geen pluspunten bij zichzelf. Die roemen in de Heere. De Christen roemt niet op uiterlijke vormen, laten zich daar niet op voorstaan. Saulus wel. Hij heei't heel wat te roemen. Laten we maar eens naar hem luisteren, wel even geduldig luisteren', want als een Farizeër op gaat tellen, is hij niet zo gauw klaar. Roemen? Nou en of. 1. Besneden op de achtste dag, niet een verbasterde jood. 2. Uit het geslacht Israëls. 2. Van de stam van Benjamin, dus niet uit een dienstmaagd, maar uit Rachel. Stervende riep Jacoo: Benjamin zal als een wolf verscheuren, des morgens zal hij roof eten en 's avonds zal hij buit uitdelen". Volgens Hand. 8 : 3 en 4 deed hij zijn afkomst wel eer aan. De stam van Benjamin heeft zich dan alle tijclen heen trouw betoond aan koning en priesterdom., Dus wel een reden om zich t.o.v. die afvallige stammen te verheffen. 4. Een Hebreër uit de Hebreën, dus niet maar aangetrouwd. Vader en moeder beide Hebreën. 5. Naar de wet onberispelijk, vele farizeën leidden een verdacht leven, denk maar aan de tijd van Jezus' omwandeling. Nee Saulus is rechtzinnig en nauwgezet, weet precies wat mag en niet mag en hij weet het niet alleen, maar hij doet het ook. 6. IJver? nou, Saulus staat vooraan. Wie heeft meer geijverd? Wie meer partij getrokken tegen die gehate Christus? Hij hielp een arme ziel op de sabbat, stak zijn hand uit naar een ellendige zondaar. Nu daar zorgde Saulus wel voor dat dat niet gebeurde. Naar de ijver een vervolger. 7. Naar de rechtvaardigheid die uit de wet is onberispelijk.
De kanttekenaren tekenen hierbij aan: alzo dat de mensen mij niet konden bestraffen over enige moedwillige overtreding der wet, dewijl mijn uiterlijke werken aan de wet Gods gelijkvormig waren. Een volmaakt mens dus. Saulus de onberispelijke.,
Wie gaat er naast hem staan? Kan dat ook van ons gezegd worden? Dit alles is Saulus gewin geworden. Saulus is daar wat mee geworden, bij God en bij de mensen. Bij God: Hij meende Godc dienst te bewijzen. Bij de mensen: Hij verwierf eer en aanzien.
Saulus van Tarzen dat was er nog eens één. Nee, daar kon niet alles bij door. Hij onderhield de wet precies en de traditie, vooral de traditie, het was een lust om te zien, hij zag er zo degelijk uit, wat een helder inzicht hoe ver alles al weg was. Voor de mensen is Saulus bijzonder aantrekkelijk.
Maar bij God een walgelijk mens, alles de dood, alleen de dood. In Saulus de onberispelijke zien we alleen Saulus zelf. Christus is in hem niet te vinden. De vroomheid van Saulus is een gruwel voor God.
Zijn eigen gerechtigheid — ongerechtigheid. Zijn afkomst één groot struikelblok om de toevlucht tot
Christus te nemen. Saulus de onberispelijke is zelf één grote hinderpaal cm aan Chrisus' voeten neer te zinken. Saulus zelf is de grootste vijand van de verzoening door een \nder. Heel zijn leven dat zo onberispelijk was, al dat gewin, dat is niet anders dan nberekenbare schade cm Jezus' wil. En Saulus weet het niet. Hij raast maar door. Hij bouwt maar, de ene steen na de andere, hij telt maar op. Ik geloof dat hij wel meer in cle ti'aditie zocht dan in het Woord van God. Anders was hij vast wal eens tegen gekomen uit Jes. 6G : i „Waar zal dat huis zijn, dat gij mij zult bouwen? " Saulus is klaar met zijn huis. Even een vraag: Als Saulus nu eens gestorven was? Laten we de lijnen eens wat doortrekken, net zo ver dat we binnen de kring van ons igen leven komen. In dezelfde zin als Saulus genieten we veel zegeningen. We mogen opgroeien onder de bediening van het Woord Gods, onderwijs ontvangen op de catechisatie en ook op school, opgroeien in een christelijk gezin. En toch — als het gaat om ons zelf — als al deze voorrechten niet in geloof en liefde tot Christus brengen, niet leidt tot een leven uit Hem — met Hem, dan zal al dat gewin lood aan de leugels zijn die ons beletten de toevlucht tot Jezus te nemen. We zier. cle zondaren zoveel buiten ons leven. Zij of hij zijn zondaren die niet naar de kerk gaan, dia overal mee gebr oken hebben, of nooit in de kerk geweest zijn. Dat zijn de misdadigers, de zondaars, die met God en godsdienst spotten.
Maar beste lezer(es), laten we eens in onze godsdienst en vroomheid een onderzoek instellen', schuilt daar ook nog zonde in? Want alles wat uit het geloof niet. is, is zonde, ook bidden, kerkgaan, avondmaal gaan, zonder geloof is zonde. Kortom, p een vleselijke wijze verwerken van cle geestelijke weldaden die God ons geeft. Het bedenken des vleses is vijandschap. En die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen. Wij binden de vrije genade zoveel aan het vlees. Zeker, een onberispelijk leven is op zichzelf niet te veroordelen. Het is noodzakelijk. We mogen niet leven zoals de wereld leeft, spreken zoals cle wereld spreekt, kleden zoals de wereld zich kleedt. Maar het is voor ons geen gewin. Heel onze onberispelijke wandel wordt enkel zonde, als dat onze zaligheid wordt! Vraag je eens af: Waar ligt het steunpunt van mijn ziel? Waar gaat de begeerte van mijn hart naar uit? Waarmee ga ik de eeuwigheid tegemoet? Waaruit leef ik? En waaruit werk ik? Uit mijn gewin? Dan moet alles weg — al dat gewin — heel dat huis moet ondersteboven. Ais uw onberispelijke leven alles is, is het een struikelblok op de weg naar de vrijstad. Voor cle rijke jongeling was dat net teveel. Hij ging weg, want hij had vele goederen. Een ongeestelijk gebruik van de weldaden die de Heere ons geeft brengt u slechts ijdel gewin. Door Gods genade heeft Saulus zijn onberispelijke leven schade leren achten om Jezus' wil, hij heeft het gewin ingeruild, al zijn gewin orn Jezus' wil losgelaten. Hij heeft Christus gewonnen. Satan zoekt altijd Christus aan uw oog te onttrekken. Je moogt alleszins godsdienstig zijn van hem. Maar reken dat dan als gewin. Werp dan al je deugden weg als een kleed dat je schuld en zonde niet bedekken kan. Heus je moet alles verliezen, om Christus alleen over te houden. Dat hopen' we de volgende keer te zien.
Gespreksvragen.
1. Zijn daden die in onwetendheid gedaan zijn geen zonde? Zie in dit verband ook Joh. 16 : 2.
2. In 2 Tim. 1 : 3 spreekt Saulus van dienen van God in een rein geweten, hoe lag dat uit?
3. Heeft Saulus ook mensen gedood? Hand. 26 : 22.
4. Een nauwgezet onberispelijk leven is niet te veroordelen, waarom acht Saulus het dan schade te zijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 november 1972
Daniel | 16 Pagina's