BOEKBESPREKING
Luthers werken I: „De babylonische gevangenschap der kerk". Vertaling: Dr. C. N. Impeta. Ingeleid door Prof. Dr. W. J. Kooiman. Uitgave: J. H. Kok N.V., Kampen, prijs ƒ 2, 95.
Het was bepaald geen vakantietijd, waarin Luther dit werkje schreef. Trouwens, vakantie, rust heeft Luther eigenlijk nooit gekend. Altijd werkte hij hard. Preken houden, tractaten (brochures, vlugschriften) schrijven, colleges geven aan de Wittenberger universiteit, hard studeren, waren zijn dagelijkse werkzaamheden. En dan nog de gespannenheid waarin dit gebeurde! Altijd vechten. Niet dat hij van vechten een liefhebberij maakte. Luther was allesbehalve een revolutionair, een oproerkraaier of een scheurmaker. Hij heeft alles gedaan om een breuk met de kerk te voorkomen. Voor een chaos was hij doodsbang. Maar het Woord had hem gegrepen.
Die strijd komt ook bijzonder uit in „De babylonische gevangenschap der kerk". In dit geschrift behandelt Luther de zeven sacramenten van de roomse kerk. Uitgaande van zijn Bijbelse opvatting dat het gebruik van een sacrament een gebod van God is, waarbij God een belofte geeft, die wij in het geloof alleen kunnen aanvaarden, ging hij de hele rij sacramenten langs. Op deze wijze vielen er zo al verschillende „sacramenten" af, die in wezen helemaal geen sacramenten waren: vormsel, huwelijk, priesterwijding, laatste oliesel. Alleen de mis (het avondmaal), de doop en' de boete hield Luther als sacrament over. En eigenlijk houdt hij er maar twee over. „Want, " zegt hij aan het eind van dit geschrift, „indien we ons nu zeer nauwkeurig willen uitdrukken, zijn er eigenlijk in de kerk maar twee sacramenten van God: de Doop en het Avondmaal, omdat we alleen bij deze én het van God ingestelde teken én de belofte van vergeving der zonden opmerken. Immers, het sacrament van de boete, dat ik bij deze twee heb gevoegd, mist het zichtbare en van God ingestelde teken, en daarom heb ik gezegd dat het niets anders is dan de weg en de terugkeer tot de Doop".
De titel „De babylonische gevangenschap cler kerk" is sprekend. De kerk is door de clerus (geestelijkheid) en door de curie (het pauselijk hof) in een ellendige ballingschap gevoerd, van al haar gaven beroofd. Om maar enkele „ballingschappen" te noemer.': ten eerste mogen de priesters brood én wijn gebruiken, de leken ontvingen alleen het brood bij het avondmaal; ten tweede de transsubstantiatie. De derde gevangenschap waar Luther van spreekt is heel belangrijk. Hier gaat Luther op felle wijze in tegen de opvatting als zou het avondmaal een offer en een goed werk zijn. Terwijl je er niets brengt of geeft, maar juist onverdiend alles ontvangt, indien je slechts gelooft. Een zeer lezenswaardig werkje. Van harte aanbevolen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1972
Daniel | 16 Pagina's