DAVID LIVINGSTONE
ONTDEKKINGSREIZIGER IN DIENST VAN HET EVANGELIE
Afkomst en voorbereiding
Ontdekkingsreiziger in dienst van het Evangelie" is misschien wel de beste typering, die wij van deze man kunnen geven. Hij is ongetwijfeld de meest bekende der ontdekkingsreizigers in het 19eeeuwse Afrika. Vóór alles echter voelde hij zich gezonden om de banieren van het Evangelie verder te dragen. De naam van Livingstone leeft voort in grote delen van Afrika als „Munali" (de man met het rode haar) en „De Dokter". Eén cler belangrijkste plaatsen in Zambia heeft nog steeds de naam „Livingstone", terwijl zovele namen, die in de koloniale tijd gegeven waren, vervangen zijn.
Zijn afkomst vertoont een gelijkenis met die van Moffat. Als Moffat was hij ook een Schot. Hij werd in 1813 geboren in de
omgeving van Blantyre. Zijn ouders waren arm en godvruchtig. Ook David Livingstone werd in de Revivalsfeer grootgebracht. Reeds vroeg groeide bij hem het voornemen, om, gedreven door de liefde van Christus, zich te wijden aan de Evangelische arbeid. Terwijl hij als jongen hele dagen in een fabriek werkte, voelde hij zich geroepen tot het medische zendingswerk in China. Dit rijk met zijn eeuwenoude beschaving kreeg juist in deze tijd contacten met de westerse wereld.
David Livingstone ging daarom medicijnen en theologie studeren in Glasgow. De weg naar China werd echter versperd door de juist uitgebroken Opiumoorlog. Nu kwam hij in contact met het Londense Zendingsgenootschap en met Robert Moffat, die tijdens een verlof in Engeland diepe indruk op hem maakte. Onder zijn invloed besloot hij om als pionier in Zuid-Afrika te gaan werken, waar Moffat „soms in de morgenzon de rook van duizend dorpen had gezien, waar nog nooit een zendeling geweest was". Dat trok hem: zielen moesten worden gered en mensen ontrukt aan het eeuwig verderf.
Livingstone als zendeling
Hij vestigde zich in 1843 eerst onder de Bakwena, ten noorden van Moffats post Kuruman. De hoofdman was Sechele, die hem vroeg: „Daar het waar is, dat allen, die sterven zonder vergeving der zonden, voor altijd verloren zijn, waarom kwam Uw
volk niet eerder, om ons er over te vertellen? " Dit is een klemmende vraag, die herinnert aan Jezus' woorden: „De velden zijn wit om te oogsten, maar de arbeiders zijn weinigen."
Livingstone worstelde hiermee en naar aanleiding van het sterven van een onbekeerde jongeman riep hij uit: „Arme Sehamy, waar zijt gij nu? Waar is Uw ziel, deze nacht? O, ben ik schuldig aan het bloed van je ziel? Hoe zal ik je in het oordeel kunnen aanzien? Maar ik vertelde je van een Zaligmaker. Help mij, o Heere Jezus, trouw aan een ieder te zijn."
Dit vuur is in hem nooit gedoofd, ook niet, teen hij later meer wetenschappelijk ontdekkingswerk ging verrichten. Dit zij met nadruk gesteld, daar velen suggereren dat hij voor alles een ontdekker was. Zijn brieven en zijn dagboek getuigen van zijn bewogenheid om het geestelijk heil van de volkeren van Afrika.
Zijn werk onder de Bakwena werd gezegend. De hoofdman Sechele liet zich dopen en gaf zijn vele vrouwen op. Livingstone vertelt van hem, dat hij graag Jesaja las: „Dat is nog eens een goede man, die Jesaja. Hij weet hoe te spreken." Treffend ook was dat hij iedere avond in zijn huis een gebedsbijeenkomst wilde hebben. Zijn werk onder de Bakwena was analoog aan dat van Moffat in Kuruman. Livingstone had het voordeel, dat hij kon steunen op het vertaalwerk van Moffat. Overigens waren hier ook wel problemen. Eén daarvan v/as de droogte, die juist deze stam teisterde. Zo zei iemand eens tot hem: „Zie je, wij krijgen nooit regen, terwijl de stammen die nooit bidden, zoals wij altijd doen, overvloed krijgen".
De regendokters trachtten regen te maken met behulp van zogenaamde medicijnen, zoals de lever van een jakhals, het hart van een leeuw of een aap, wortels van planten. Livingstone bestreed dit en zei tot een regendokter: „Maar ons is toch gezegd dat wij alleen maar in de naam van Christus tot God kunnen bidclen en niet door middel van medicijnen." De regendokter antwoordde hierop: „Dat is waar, maar God sprak tot ons op een verschillende manier. Hij maakte de zwarte mannen eerst, maar hij hield niet zoveel van hen als van blanke. Hij maakte de blanke mooi en gaf hen kleding, geweren, paarden en wagens. Ons gaf Hij alleen assegaaien, vee en de kunst van het regenmaken." Argumenteren hielp niet. Dit probleem van droogte werd slechts opgelost toen de Bakwena zich veertig mijl verder vestigden.
Livingstone en cle Boeren
Na een verblijf van ongeveer acht jaar onder de Bakwena wilde Livingstone verder trekken. Hij was inmiddels getrouwd met Mary Moffat, een dochter van Robert Moffat. Dit huwelijk bond beide mannen nog meer samen.
Livingstone richtte zich eerst naar het Oosten, maar kwam daarbij in botsing met de Boeren. Was cle verhouding van Moffat met hen slecht, die van Livingstone met de Boerenvoortrekkers was nog; erger. Zij beschuldigden hem ervan, dat hij een agent was van de Britse regering en dat hij geweren aan cle Bakwena had geleverd om ze te gebruiken tegen hen.
De hoofdman Sechele, die tot het christendom was overgegaan, werd door de Voor^ trekkers als een gevaarlijk man gezien. Toen Sechele in 1852 onderdak bood aan een veedief, besloot de Boerenleider Pretcrius om een commando van vierhonderd man (onder wie Paul Kruger) te sturen om de Bakwena een lesje te geven.
Sechele — overmoedig — weigerde de veedief over ta geven. Typerend is dat beide partijen (ook Sechele) vonden; dat op de Abbath rust gehouden moest worden. De aanval der Boeren vond op maandag plaats. Sechele bleek geen partij te zijn. Drieduizend stukken vee, achtenveertig geweren, elf paarden en tweehonderd vrouwen en kinderen' werden meegenomen. Livingstones huis en bezittingen werden vernield, waarschijnlijk door Boeren en Bakwena. Livingstone merkte lakoniek op, dat de Boeren hem de moeite hadden bespaard om een testament te maken. Maar deze gebeurtenis vergrootte de tegenstelling tussen hen beiden. Het maakte Livingstone nog meer vastbesloten om de weg naar het noorden open te houden, voordat de Boeren die zouden kunnen sluiten.
In Livingstones ogen waren cle Boeren alleen geïnteresseerd in hun eigen welzijn, waarmee exploitaitie van de Afrikaanse bevolking gepaard ging. Welnu, dat moest voorkomen worden. Zo schrijft hij: „De Boeren wilden het binnenland afsluiten en ik besloot het land te openen; we zullen zien wie het meest succesvol is, zij of ik." Het was dit contact met de Boeren, dat hem dwong de weg naar het noorden te verkennen. Het bracht hem in gebieden, die nog nooit door een blanke gezien waren.
Het deed hem veel rivieren en meren ontdekken. Dit alles maakte hem — ongewild tot de grootste der ontdekkingsreizigers.
Grootse tochten
Grote gebieden van Afrika werden doorkruist. Op zijn tocht naar de oostkust, zag hij als eerste blanke, op vele mijlen afstand, enorme kolommen, als rook, maar die een denderend lawaai voortbrachten. De bevolking rondom noemden de watervallen „Musi-o-Tunya", dat wil zeggen: „De rock, die dondert." Livingstone noemde de watervallen naar de Britse vorstin: Victoria-vallen. De aan de Zambiaanse zijde gelegen stad heet nu Livingstone. Na zeven maanden was hij aan de oostkust. Een afstand van 1800 km. te voet. Vele maanden' had hij de dood in het aangezicht gezien. Eens in gevaar om neergeslagen te worden, schreef hij in zijn dagboek: „Maar ik las, dat Jezus kwam en zei: „Alle macht is aan Mij gegeven in de hemel en op aarde. Gaat daarom heen en onderwijst alle volken. Ik ben met U tot aan het einde van de wereld."
Christendom en beschaving
Livingstones ontdekkingen hadden groot enthousiasme in Engeland opgewekt. Hij werd in audiëntie bij de Koningin ontvangen. Talloze spreekbeurten moest hij vervullen. In één van deze toespraken stelde hij — en dat was een nieuw element in zijn visie —: „Mijn arbeidsdoel in Afrika is het land te openen voor handel en christendom. Ik wil trachten hen (de Afrikanen) katoen te laten verbouwen en de slavenhandel af te schaffen."
Aan de oostkust van Afrika tierde de handel nog welig. De slavenhandel was hier grotendeels in handen van de Arabieren, die slaven opkochten van Afrikaanse hoofdmannen. Zij maakten mensen buit in stammenoorlogen en verkochten ze aan Europeanen en Arabieren voor geweren. Met behulp van geweren kon men weer meer slaven buit maken. Door deze stammenoorlogen' kwam men ook niet toe aan een normaal leven van landbouw en handel. Het was een kringloop van ellende. In lange rijen aan elkaar geketend werden de slaven naar de kust gebracht. Als vee werden ze in Scheepsruimen geladen. Livingstone vertelt ergens, dat je voor twee glazen kralen een slaaf kon kopen. Een olifantstand kostte vijf kralen.
Als één der argumenten vóór slavernij gold, dat je slaven op deze manier het evangelie kon verkondigen. Dat dit vrijwel nooit gebeurde, deed niets aan de mogelijkheid af. Ook klonk het zeer aannemelijk als men zei: , .Nu werken ze in plaats van luieren." Hoe gewoon slavernij beschouwd werd, blijkt wel uit het feit, dat in de 18e eeuw een Afrikaanse — zwarte — dominee met de naam Capitein promoveerde op het volgende onderwerp: „Staatkundig-Godgeleerd onderzcekschrift over de slavernij, als niet strijdig tegen de Christelijke Vrijheid."
Nu — na meer clan honderd jaar — is slavernij één der grote obsessies van de Afrikaan. Als reaktie klinkt nu: „We zijn zwart en trots" en „Zwart is mooi". Een te pas en te onpas gestelde vraag is: „Gelooft U, dat wij menselijke wezens zijn? " Op vragt-n als: „V/at kwamen de Europeanen in Afrika deen? " klinkt steevast: , , Slaven halen".
Livingstones tweede tocht.
Welnu, hei; heeft niet aan Livingstone gelegen, dat de handel nog lange tijd na 1833 (het jaar van de afschaffing) voortduurde. Op een' nieuwe expeditie, die duurde van 1858 tot 1884 verkende hij weer de Zambezi. Deze bleek niet bevaarbaar door de vele watervallen. Hij volgde toen de route naar het noorden, langs de Shire-rivier en ontdekte het Nyasa-meer (nu Malawi-meer). Dit leek hem een ideale plaats voor vestiging van blanke kolonisten, die christendom en beschaving konden brengen.
Het was in deze omgeving, dat hij een groep slaven, onder wie kinderen van nog geen vijf jaar, bevrijdde. Een kleine jongen zei tegen hem: „Andere mensen bonden ons vast en lieten ons honger lijden. U sneed de touwen clcor en zei dat wij moesten eten. Wat voor soort mensen zijn jullie? Waar komen jullie vandaan? "
Helaas heeft deze tocht niet gebracht wat hij ervan verwachtte. Z'n vrouw stierf. En teleurgesteld keerde hij terug naar Engeland. Pas na een aantal jaren zou
zijn visioen van Christendom en beschaving hier werkelijkheid worden'.
Livingstones beschavingsideaal
Nog een enkel woord over het beschavingsideaal van Livingstone. De beschaving, die hij in Afrika wilde brengen; leek erg veel op de Britse. Te weinig ook had hij voor de nadelen daarvan. Te idealistisch was zijn streven om de Afrikaan uit zijn ellende op te heffen en zoals hij het zelf zegt: „te regenereren " Te veel geloofde hij in het goede van de mens.
Dit alles neemt niet weg, dat hij zijn zendingsijver niet vergeten was, ook al werkte hij niet meer voor het Londense Zendingsgenootschap. Iedere dag begon hij met het onderwijzen van zijn helpers in de zaken van het christelijk geloof en gebed. Op plaatsen waar hij wat langer bleef, sprak hij over zijn Meester. Hij zag de zending in zijn latere periode breder: „Ik sluit in iedere poging voor de verbetering van ons (= Afrikaans ras); de voortgang van al die middelen, waardoor God werkt in Zijn voorzienigheid en Hij Zijn handelingen met de mens tot een heerlijk einde brengt."
Uit dezelfde latere periode het volgende citaat: „Mij cloel in Afrika is niet slechts de opheffing van de mens, maar dat het land zó geopend mag worden, dat de mens de nood van het behoud van zijn ziel mag zien."
Zijn visie was verbreed. Als 19e-eeuwer had hij ook iets van het vooruitgangsgeloof. Dit neemt niet weg, dat ook dit onderzoekingswerk baanbrekend was voor de verbreiding van Gods Woord. Het sterven van zijn vrouw maakte hem voorgoed een ontdekkingsreiziger. Teruggekeerd in Engeland in 1864 kreeg hij het verzoek om een onderzoek in te stellen naar dc waterscheiding der grote rivieren: cle Nijl, de Kongo, de Zambezi. De ligging van de bronnen van cle Nijl was een eeuwenoud wetenschappelijk vraagstuk. Opnieuw begaf hij zich naar Afrika voor zijn derde grote tocht. Het zou zijn laatste zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1972
Daniel | 16 Pagina's