VRAGEN ROND ONS LEVENSEINDE
Alvorens stil te staan bij enkele problemen die zich rond leven en dood voordoen is het mijns inziens verstandig eerst de vraag te stellen wat leven is en ook wat dood is. Over deze twee onderwerpen is al heel veel geschreven, maar om biologisch èn godsdienstig tot juiste definities te komen lijkt een bijna onmogelijke opgave.
Wat is leven?
Volgens de Bijbel is het leven een gave van God zelf, zoals we dit kunnen lezen in het scheppingsverhaal: enesis 2 : 7, „en de HEERE God had de mens geformeerd uit het stof der aarde en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel". In Numeri 16 : 22 wordt God genoemd „de God der geesten van alle levende schepselen". In tal van andere Bijbelgedeelten komt openbaar dat het leven een gave van God zelf is.
De biologische verklaring van het leven bestaat vrijwel uitsluitend uit observaties van wat het, leven doet en hoe het te onderscheiden is van het dode, maar er wordt gezwegen over het punt wat het leven is en hoe het ontstaat of ontstaan is. De Franse priester-geleerde Teilhard de Chardin heeft in zijn boek „Het verschijnsel mens" een poging gedaan om het leven op biologische wijze te definiëren. Hij beschrijft hoe uit enkele oerstoffen, zoals koolstof, stikstof en waterstof, onder de juiste condities eiwitten kunnen ontstaan. Dit zijn echter dode eiwitten. Om verder te kunnen gaan met levende eiwitten, zoals deze in de natuur voorkomen, mist hij de schakel over het ontstaan van het leven, want op deze overgang schrijft hij: „ en plotseling is het daar, het Leven!" Evenzo heeft professor Bretschneider op de Utrechtse universiteitsdag eens een lezing gehouden over het onderwerp: „Waar ligt de grens tussen leven en dood? " Ook hier is geen duidelijke uitspraak gedaan, want de laatste zin van deze rede luidde:
„Concluderend: er is — tenzij per kunstmatige definitie — geen scherpe grens tussen de levende en de dode materie aan te wijzen."
Wij kunnen' dus samenvattend zeggen dat de wetenschap er tot op heden niet in geslaagd is een juiste definitie van het begrip leven te geven, wel echter hoe het leven zich voordoet en hoe het te onderscheiden is van het dode.
Wat is dood? In Romeinen 5 : 12 wordt hierover gezegd: Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld is ingekomen en door de zonde de dood". In Hebreën 9 : 27 staat de Goddelijke beschikking te lezen: En zoals het de mensen gezet is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel". Paulus noemt de dood zelfs als het loon op de zonde. Hier wordt teruggegrepen op Genesis 2 : 17: Ten dage dat gij van de boom der kennis des goeds en des kwaads eet, zult gij de dood sterven". De Bijbel ziet ook, zoals uit vele stukken blijkt, de zonde als „prikkel" van de dood.
Er is echter een lichtpunt, door Jezus' dood en opstanding is er verlossing van
de dood, de dood wordt overwonnen. In de medische wetenschap is het vaststellen van de dood gebaseerd op een' aantal criteria, zoals:
1) Een iso-elektrisch EEG, langer dan 24 uur, wat duidt op een totale afwezigheid van hersenaktiviteit.
2) Geen spontane ademhaling en hartslag.
3) Geen reakties op de allerheftigste uitwendige prikkels.
Hier gaan zich al problemen voordoen over hersendood en hartdood, zoals deze vaak ter discussie gekomen zijn bij de hart-transplantaties. Hartdood kan na de zogenaamde reanimatie nog leiden tot terugkeer tot het bewustzijn. De vraag wordt nogal eens gesteld of reanimatie moet plaatsvinden. Moet de dood al erkend worden als reanimatie, bijvoorbeeld door hartmassage, nog mogelijk is?
Bij hersendood is terugkeer tot het leven absoluut onmogelijk, hier kan men wel het leven rekken; de organen werken, maar de hersenen niet meer. Het in leven houden van dit soort patiënten is een triomf van de medische macht van onze tijd.
Biologisch gezien is de dood ingeboren in ieder organisme. Er zijn weefsels die een zogenaamde „turn-over" hebben', dat wil zeggen, deze weefsels worden het gehele leven nieuw aangemaakt, waarbij het oudste gedeelte afgestoten wordt. Voorbeelden van deze weefsels zijn huid-en darmweefsel. Andere weefsels, zoals hersen-en hartweefsel worden wel ouder, zodat er na gegeven tijd hun functie niet meer op normale wijze kunnen vervullen. Medisch-biologisch gezien is de belofte van de Bijbel, de overwinning op de dood, onmogelijk te realiseren, maar wij weten allen dat wat onmogelijk is bij de mensen, mogelijk is bij God.
Leven en dood godsdienstig - historisch gezien.
Er is geen volk ter wereld, dat meent dat het met de dood „uit" is. Een Duitse theoloog heeft dit als volgt beschreven: Geloof = als etwas Selbstverständliches erscheint". Dit is het ingeboren Godsbesef, waarover we vaak horen, ook in verband met de zending. Door dit ingeboren Godsbesef kunnen wij bij alle volken een zekere vorm van godsdienst aantreffen. Een ieder weet intuïtief dat er een hogere macht moet zijn. De manier waarop deze hogere macht geëerd en voorgesteld wordt loopt nogal uiteen.
— Er zijn volkeren die menen dat men bij het intreden van cle dood naar een „overzijde" gaat. Aan deze overzijde kan men langer leven. Ook is hier klasseonderscheid waarbij de rijken betere vooruitzichten hebben dan de armen. Uit deze visie komt ook voort het zogenaamde reïncarnatieproces, waarbij men gelooft dat men na de dood nog eens in een andere gedaante, hetzij in een menselijke, hetzij in een dierlijke, op aarde zal terugkeren.
— Bij volkeren zoals die in het oude Egypte en China is een' dodencultus ontstaan. In Egypte kwam dit openbaar door de lichamen van overledenen te balsemen en er op die manier mummies van te maken. Bij de begrafenis werd in de grafkelder eten bijgezet om de dolende ziel te voeden. Men geloofde namelijk dat een gebrek aan voedsel de ziel zou verhinderen rust te vinden. Zoals uit de opgravingen van bijvoorbeeld het graf van Tut-Anch-Amon blijkt, werden er behalve voedsel ook vele schatten in de dodenkamer bijgezet.
In China bestond de dodencultus uit de voorouderverering. In ieder huis was een altaar, waar men bad tot de geesten van de overleden voorouders.
— Sommige volkeren geloven in een dodenrijk, maar hoe het daar toegaat en de manier waarop de doden daar handelen' blijft nog duister. Er zijn ook wel verschillende opvattingen over het dodenrijk.
— De oude Grieken, en ook sommige negerstammen in Afrika zien het dodenrijk als een sombere kille plaats.
— Sommige Melanesische volkeren echter zien het dodenrijk als tuinen, waar met een minimum aan arbeid een maximale opbrengst te verwachten was.
— Zoals ook in de boeken van Karl May tot uiting komt, geloofden de Indianen van Noord-Amerika dat de gestorvenen tot hun voorouders verenigd werden in de eeuwige jachtvelden.
Toch is het wel treffend, dat ondanks goede vooruitzichten, iedereen liever aan deze zijde blijft.
Ook over het ontstaan van de dood bestaan bij de verschillende volkeren nogal uiteenlopende opvattingen.
In Afrika zijn stammen die menen dat het hoogste wezen een kameleon stuurde om de mensen te vertellen dat ze eeuwig zouden leven. Toen hij van gedachten veranderde stuurde hij een hagedis om de doodsboodschap over te brengen. Aangezien de hagedis sneller was dan de kameleon werd de doodsboodschap bij de mensen gebracht. Bij Australische stammen leeft de veronderstelling dat een bepaalde holleboom taboe is. Sommige vrouwen haalden er eens honing uit, daardoor wekten ze een grote vleermuis (de dood). Iedereen die door de vleugels van dit dier wordt aangeraakt zal sterven.
De dood wordt door sommige volken ook gezien als toverij van de vijand, of als een daacl van wraakzuchtige voorouders. Pas uit het Woord van God weten wij de juiste toedracht van de dood, dat de dood bij Adam en Eva gegeven is als straf op de zonde.
Medische problemen rond leven en dood.
Eén der eerste problemen die zich rond leven en dood voordoen ligt al bij de geboorte, of eigenlijk al vóór de geboorte. Het probleem van de abortus provocatus. Over dit onderwerp zijn al vele vragen gesteld, vragen over wel of geen erkenning, wel toepassen of niet, en zo ja in welke van de gevallen kan het dan wel toegepast worden en waar moet de grens liggen. Er zijn hier situaties waarbij de medicus voor grote preblemen gesteld wordt.
Enige toelichting is hier dacht ik wel op zijn plaats.
Momenteel is het mogelijk, door mikroscopische observatie van materiaal uit een vruchtwaterpunctie, vast te stellen of een vrucht een jongen of een meisje is. Tevens is het mogelijk om vast te stellen of een kind een aangeboren ziekte zal hebben. Zelfs is te zien of een kind verminderde geestelijke vermogens zal hebben, of het dus mongoloïde zal zijn. Er is dus in de vroege zwangerschap al vast te stellen of een kind levensvatbaar zal zijn na de geboorte of niet. De vraag is nu: als dit ernstige feit al vroeg ontdekt wordt, zou het dan een indicatie voor een abortus mogen zijn? Ik weet dat er mensen zijn clie met betrekking tot een abortus vrij tolerant zijn in situaties waar bijvoorbeeld een jong meisje overweldigd is geweest. Zou dit clan een betere indicatie zijn, het feit in aanmerking genomen dat er dan een normaal kind zou kunnen groeien? Deze beide voorbeelden komen in werkelijkheid voor. Welke beslissingen moet de medicus dan nemen? Na de nieuwe abortuswet van minister van Agt is er meer ruimte gekomen, een incidatie op sociale grond wordt hierin ondermeer aanvaard. Het is moeilijk om als arts een plaats in te nemen; dit wordt met de dag moeilijker. Het idealisme, wat bij velen nog aanwezig was, wordt aangevreten.
In discussie is de laatste tijcl ook vrij vaak het probleem van de euthanasie. Euthanasie betekent letterlijk: liet goede sterven. De term is het eerst gebruikt in Nazi-Duitsland om de moord op gebrekkigen aan te duiden'. In onze tijd wordt met euthanasie aangeduid: het beëindigen van het leven van mensen die ongeneeslijk ziek zijn. Er wordt echter een onderverdeling gemaakt voor de verschillende gevallen waarin euthanasie gebruikt wordt:
— Passieve euthanasie is het afzien van medisch ingrijpen, dat bedoelt het leven, zo lang als mogelijk is, in stand te houden.
— Indirecte euthanasie is het toedienen van middelen ter verlichting van de pijn, of het nalaten van ingrepen waarvan toch geen volledig resultaat kan worden verwacht, met de kans dat daardoor het leven wordt bekert.
— Actieve euthanasie is het beëindigen van het leven door een ingreep.
Er bestaan uiterst vloeiende overgangen tussen passieve en actieve euthanasie, tussen werkeloos toezien en daadwerkelijk ingrijpen. In beide gevallen is men verantwoordelijk voor een' onafgeweerde dood, maar in het tweede geval doet men in ieder geval iets. Velen achten dit onder alle omstandigheden onverantwoord. Zij menen dat het altijd iets brutaals en eigenmachtig heeft, te heersen over grootheden waarover wij niet mogen beschikken: het leven en de dood. Aan deze grenzen is de mens geroepen om met eerbied de handen af te houden van wat groter is en groter moet blijven dan hij zelf is.
Anderen daarentegen zijn ervan overtuigd dat zij van bovenstaand inzicht geen
vaste wet mogen maken. De mens is verantwoordelijk van Gods wege voor het al of liet verwekken van leven en ook voor het al of niet beëindigen van het leven. Dit laatste kan met zich meebrengen dat hij niet passief blijft wachten of de lood zal komen. Zij denken aan één of meer van de volgende mogelijkheden:
1) Aktieve euthanasie kan verantwoord zijn als de patiënt de laatste onomkeerbare fase van het sterven is ingegaan, zodat een voortgezette behandeling geen ; nkel uitzicht op resultaat biedt, en wanneer aangenomen wordt dat de toepassing van euthanasie niet in strijd is met de religieuze en ethische gevoelens van ie patiënt.
2) Sommigen gaan een' klein stapje verder en menen dat ook hij die uiterst gehandicapt — bijvoorbeeld als gevolg van een verkeersongeluk — met een bijzonder gereduceerd lichamelijk en psychisch leven verder zal moeten leven en alleen nog in leven gehouden kan worden met behulp van uiterst kostbare apparaten en veel menselijke hulp, wel degelijk in geloof mag wensen te sterven en ook mag vragen om levensbeëindiging aan welk verzoek gehoor gegeven mag worden.
3) Verscheidenen zijn van mening dat de discussie over de vraag of een uiterst gehandicapt kindje, dat hoogstens een bijzonder primitief leven zal kunnen leiden, al dadelijk bij de geboorte het leven mag ontnomen worden, niet mag worden ontweken. 4) Zij menen bovendien dat de vraag ons mag bezig houden of een bejaarde, met een verzadigd leven, die mentaal gaat aftakelen en anderen tot zorg en last wordt, in geloof en inzicht mag komen dat hij uit het leven mag gaan vertrekken, in welk geval hulp van een ander daarbij niet onverantwoord zou zijn. Het stellen van deze vraag en het ernstig nemen van deze vraag mag volgens hen niet onder een' soort christelijk verbodsoordeel vallen, omdat veel hierover nog onklaar is.
Vanzelfsprekend zeggen ook diegenen die hiermee op mogelijkheden van verantwoorde actieve euthanasie wijzen, dit alles met grote schroom en voorzichtigheid. Bovendien beseffen zij dat praktisch vele moeilijkheden daarbij nog opnieuw bekeken moeten worden. Juridische kwesties en sociale complicaties moeten van alle kanten bezien worden. En zij hebben begrip voor die medechristenen die menen dat aktieve euthanasie niet overwogen! mag worden. Maar zolang de meningen hierover nog uiteenlopen, zal er in de praktijk van het leven ruimte moeten zijn voor verschillende opvattingen en wellicht ook voor verschillende praktijken, zo menen zij. De eerste verantwoordelijkheid draagt de patiënt, als hij bij kennis is. Maar ook de arts draagt een eigen verantwoordelijkheid, zelfs ook voor toerekeningsvatbare patiënten. En samen hebben zij te maken met cle samenleving, waarmee zij op allerlei manieren verbonden zijn.
Een belangrijke taak voor cle pastorale zorg ligt hier dus open.
Het recht om te sterven.
Het ethisch advies van de arts uit de tijd van de medische onmacht luidde: „het is de arts gebeden menselijk leven te behouden, te sparen en te verlengen, waar en wanneer dat slechts kan". Het devies van de nieuwe ethiek luidt als volgt: „het is de arts geboden menselijk leven te behouden, te sparen en te verlengen, waar en wanneer dat zinvol is". Hier duikt de vraag op: wanneer het leven niet meer zinvol is, waar moet nu de grens getrokken worden? Een goede arts is bereid tot het einde toe te vechten voor het leven van zijn patiënten. Ook al vragen zijn patiënten hem soms de behandeling te staken'. Men probeert ook de dood zin te geven door hem vrijwillig te verkiezen, maar door deze keuze wordt het afschuwelijke van de dood niet weggenomen. Wie dit wel zou menen bedrijft struisvogelpolitiek.
In verband met het recht om te sterven heeft men wel eens herinnerd aan het sterven van Jacob. In Genesis 49 : 33 staat: toen Jacob geëindigd had zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen' op het bed en gaf cle geest."
Gelukkig is er nu een aanvaarden van vele artsen als zij merken dat zij niets meer tot verbetering doen kunnen. De arts kan dan nog slechts trachten de pijnen te verlichten en door zijn hartelijk medeleven en medelijden de stervende bij te staan. Er zijn nu nog vele ongeneeslijke zieken. Onze plicht is hen bij te staan, met hen mee te bidden en te strijden. Er is vanuit het Evangelie maar één manier om goed te sterven: at is in d.e gelovige overgave aan Jezus Christus door waarachtige wedergeboorte. Wie zo sterft, sterft goed. Paulus schrijft hierover in Filippenzen 1 : 21: Want
het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin". Daarom moeten wij in dit leven het Leven zoeken, en niet de jaren tellen, maar de dagen.
„Leer ons alzo onze dagen tellen, opdat wij een wijs hart bekomen".
Toen ik aan dit stukje begon, heb ik mij niet gerealiseerd hoe moeilijk het zou zijn om over deze onderwerpen te schrijven. Het zal nog veel moeilijker zijn om te moeten handelen. Ik hoop hiermee het besef te hebben aangekweekt van de problemen waarmee vooral ook christen-artsen worden geconfronteerd. Tevens hoop ik dat er veel begrip en gebed zal zijn voor hen die dagelijks met deze problematiek in aanraking komen. Zowel artsen, als verplegenden, als studenten.
Bij het zoeken naar een antwoord op de moeilijke vragen, die in dit artikel aan de orde kwamen zal altijd voorop moeten staan dat God alleen het leven geeft en dat Hij ook de Vrijmachtige is in het weer wegnemen van het leven.
Vanuit dit besef zal een christen-arts niet primair met allerlei menselijke noties rekenen, maar vóór alles vragen: „Heere, wat wilt Gij, dat ik deen zal? "
Er ligt hier een geweldige problematiek, waarover theologen en medici zich voortdurend zullen moeten buigen en naar de weg zullen moeten vragen, die de Heere ons wijst in Zijn heilig Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1972
Daniel | 16 Pagina's