EEN HERDERSJONGEN TOT KONING GEZALFD.
In de velden van Bethlehem zit een jonge herder. De schapen grazen daar dicht bij hem in het malse gras. Plotseling staat hij op neemt een steen uit zijn tas. De slinger heeft hij in de hand en daar vliegt de steen weg. Ginds in de weide rent een' schaap van zijn kudde naar de andere schapen terug. De steen van de herder heeft zijn wollige vacht geraakt, het schaap heeft de waarschuwing begrepen. Dan gaat de herder weer zitten en begint met z'n vingers langs de snaren van zijn harp te tokkelen. De tonen ruisen over de velden en helder schalt zijn stem op om God te prijzen met dit lied, dat hij zelf gemaakt had.
Deze jonge herder is David, hij was een zoon van Isai. De grootouders van Isai waren Boaz en Ruth en Obed, de zoon van Ruth was de Grootvader van David. Zijn vader en broers wonen een eindje verder op een boerderij. Ze zijn allemaal druk bezig op de akker, maar David is de jongste en past op de schapen. Dat doet hij zo graag, omdat hij nu veel kan bidden en spreken tot God en zingen tot Zijn eer. David vreest reeds jong de Heere.
Op een dag zegt de Heere tot Samuël, die in die tijcl profeet was: „Ga naar Bethlehem tot Isai, want Ik heb één van zijn zonen tot koning gekozen".
Zo ging Samuël naar Isai en nodigde hem en zijn zonen tot een offermaaltijd. Toen hij Isai's oudste zoon zag, dacht hij: „Deze is het zeker, die ik tot koning moet zalven, " maar deze was het niet want God zeide: „De mens ziet naar de buitenkant, maar God ziet naar de binnenkant, naar het hart."
Samuël zag ook naar de gestalte van Eliab en naar zijn fierheid. Zo kwam ook Abinadab en Samma en de vier andere broers voorbij, maar de Heere zeide: „Deze is er niet bij, die ik gekozen heb". Toen vroeg Samuël aan Isai of hij niet nog een zoon had. Isai antwoordde: „De kleinste is op het velcl bij de schapen, maar waarom zou hij geroepen worden? " Maar Samuël drong er op aan, dat hij gehaald zou worden, omdat zij zonder hem niet konden aanzitten.
En zo kwam David thuis. Nauwelijks zag Samuël hem of de Heere zeide: „Deze is het, die gij moet zalven" en hij nam de oliehoorn en zalfde David in het midden van zijn broers tot koning. David was uit de stam van Juda, waaraan de Heere de regering beloofd had. Maar niet direct werd hij koning; Hij moest wachten tot de Heere zou zeggen, dat de tijd gekomen was.
Tieteke Boonstra,
Boegen 1, Oudemirdum
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1972
Daniel | 16 Pagina's