ONESIMUS, DE WEGGELOPEN SLAAF 111
ln het huis van Fnémon is stil. Het is nacht, ieder slaapt. In het slavenverblijf is echter één plaats or.beslapen. Onesimus is niet thuisgekomen vanavond. Vergeefs hebben de slaven op hun makker gewacht. Vergeefs ook heeft Filémon uitgekeken naar de terugkomst van zijn slaaf. Onesimus is weggebleven.
Nu is alles in diepe rust. Lang is er nog nagepraat over wat allen bezig houdt. Misschien hebben enkele slaven wel gedacht: „Hé, ik wou, dat ik gedurfd had, wat Onesimus deed. Die is nu vrij, die kan nu fijn doen en laten wat hij wil". Anderen dachten wellicht: „Wat heeft Onesimus dom gedaan. We hebben het toch goed bij Filémon. Waar zou hij nu zijn? Waar zou hij vannacht slapen? Zou hij niet bang zijn dat ze hem spoedig oppakken? "
Eindelijk zijn allen in slaap gevallen, 't Is een lange dag geweest en ze hebben hard gewerkt.
Ook Filémon heeft veel en lang aan de weggelopen slaaf gedacht. Zou hij boos geweest zijn? Zou hij gezegd hebben: „Onesimus, als ze je terugbrengen dan zal ik je. Ik geef je het minste plaatsje in m'n huis. Ik zal je zo hard laten werken, dat je je geen raad zult weten. Wacht maar, kerel, je zult het gewaar worden dat je wegliep". Zou Filémon dat gezegd hebben? We weten het niet, maar één ding is zeker, hij heeft alles tegen de Heere verteld. De Heere, Die alles weet en alles ziet. Die precies weet waar Onesimus nu is en wat hij doet. En als er boosheid geweest is in het hart van Filémon, dan zal hij wel gezegd hebben: „Heere, ik was eigenlijk ook weggelopen. Weggelopen van U. Ik wilde ook graag eigen baas zijn. Ik dacht, dat ik vrij was. Maar U hebt me opgezocht. En U weet ook waar Onesimus is. Wilt U hem weer terugbrengen, waar hij hoort.”
Filémon zal er wel over gesproken hebben met zijn vrouw Appia. En ze zullen samen gebeden hebben, gebeden voor die weggelopen knecht, die nog gestolen heeft ook. Nu is alles stil in het grote huis. 't Is buiten donker, aardedonker. Waar zou Onesimus nu zijn? In één van de veie huizen in Rome staat een kleine man ijverig te schrijven aan een' lessenaar. Voor het huis loopt een soldaat heen en weer. Zoveel passen links, zoveel passen rechts. Zijn helm blinkt in de zon. Het korte, brede zwaard hangt aan zijn heup. Zijn schild en speer staan tegen een van de pilaren van het huis, zijn mantel ligt er naast. Wat doet die soldaat hier? Waarom moet hij de wacht houden voor dat huis? En let hij eigenlijk wel goed op? Hij heeft — zo lijkt het — niet eens gezien, dat er enkele mannen het huis binnengingen. Moet hij dan niet vragen wie ze zijn en wat ze komen doen? Als een soldaat een huis moet bewaken, dan laat hij toch niet toe, dat er iemand ongevraagd naar binnen' gaat?
O, daar komen die mannen weer naar buiten. Ze groeten de soldaat vriendelijk en deze knikt terug. Nee, 't is maar vreemd hoor. Een huis, dat bewaakt wordt en waar ieder toch zomaar vrij in en uit kan lopen.
Wie zou er wonen? Zou het de man zijn, die zo druk aan het schrijven is. Zou dat huis van hem zijn? Zou hij misschien veel geld en goud bezitten? Moet die soldaat daarom de wacht houden'.
Welnee, de man, die daar woont heeft niet veel geld in huis. En goud of kostbaarhe-
den bezit hij niet. Hij is een gevangene van de Romeinse keizer, daarom staat die soldaat daar. Die moet er voor zorgen, dat hij niet ontsnapt. Een gevangene? Maar die hoort toch in de gevangenis? Ja, anderen wel, maar deze man — Paulus heet hij — mag apart wonen, in een gewoon huis, niet in de gevangenis.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1972
Daniel | 19 Pagina's